Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVBC:2020:6 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VB 2019/18 VB 2019/19

ECLI: ECLI:NL:TDIVBC:2020:6
Datum uitspraak: 24-09-2020
Datum publicatie: 29-09-2020
Zaaknummer(s):
  • VB 2019/18
  • VB 2019/19
Onderwerp: Paarden
Beslissingen:
  • Verwerpt het beroep
  • Gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: Paard. Niet in geschil is dat dierenarts 1 geen eigen diergeneeskundige handelingen bij de pony heeft verricht. Verder kan hij niet worden aangesproken op het diergeneeskundig handelen van dierenarts 2. Verwerpt het beroep. De conclusie is dat dierenarts 2 naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege zonder sluitende diagnose te snel het voorstel tot euthanasie van de pony aan klaagster heeft gedaan, zonder dat is aangetoond dat euthanasie op dat moment de enige overgebleven mogelijkheid was. Het Veterinair Tuchtcollege heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat het advies tot euthanasie aanvaardbaar is geweest. Beroep gegrond, vernietigt beslissing VTC, verklaard klacht gegrond, legt dierenarts 2 maatregel van waarschuwing op.

Zaaknummer:                                                                                         Datum uitspraak:

VB 2019/18 en VB 2019/19                                                                     24 september 2020    

Uitspraak op het beroep van:

X, wonend te A,

appellante (hierna: klaagster),

tegen de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege van 29 augustus 2019 in zaak nrs. 2018/56 en 2018/55 in het geding tussen:

X

en

Y, dierenarts te B (hierna: dierenarts 1)

Z, dierenarts te B (hierna: dierenarts 2)

Procesverloop

Bij uitspraak van 29 augustus 2019 (ECLI:NL:TDIVTC:2019:36) heeft het Veterinair Tuchtcollege de klacht van klaagster tegen dierenarts 1 niet‑ontvankelijk en tegen dierenarts 2 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft klaagster bij brief van 17 oktober 2019 beroep ingesteld.

De dierenartsen hebben bij brief van 16 december 2019 een verweerschrift ingediend.

Het Veterinair Beroepscollege heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2020, waar klaagster, vergezeld van haar man en bijgestaan door mr. M.G.J. Smit, advocaat te Rotterdam, en de dierenartsen, bijgestaan door mr. O.V. Wilkens, jurist bij VvAA, zijn verschenen.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1.         Klaagster was ten tijde van de gebeurtenissen die tot de klachten hebben geleid eigenaar van een Welsh pony (ruin) met de naam Cupido, geboren op 1 juni 1996.

            In de ochtend van 5 mei 2016 heeft klaagster geconstateerd dat de pony een dikke kaak en een dikke stijve hals had, zijn tong uit de mond hing en een stinkende lucht uit zijn mond en neusgaten kwam. Hij wilde wel eten, maar kon niet slikken. Klaagster heeft daarop de vaste dierenartspraktijk De Delta gebeld. Een collega van de dierenartsen heeft de pony onderzocht en volgens de patiëntenkaart geconstateerd dat de pony een dikke tong en klieren had. Hij heeft de pony medicatie toegediend, te weten Genta‑ject (een antibioticum), Rapidexon (een corticosteroïde) en Procapen (een antibioticum), waarna de toestand van de pony snel verbeterde. Ook is er bloed afgenomen voor onderzoek.

            In de patiëntenkaart is vervolgens vermeld dat het op 6 mei 2016 al stukken beter ging met de pony, dat het abces een leeg zakje was en de pony weer goed at. Ook mocht weer aan de mond van de pony worden gekomen. Volgens de patiëntenkaart is opnieuw antibiotica (Genta‑ject en Procapen) aan de pony gegeven. Voorts is daarin vermeld dat de pony, gezien de slechte voedingstoestand en slechte conditie van de vacht, PPID (Cushing) zou kunnen hebben en dat moet worden overwogen dit te laten testen door middel van een bloedonderzoek. Volgens klaagster zijn er hierna geen problemen meer geweest.

            Op 22 mei 2016 kwamen de eerdere symptomen – dikke kaak, dikke stijve hals, tong uit de mond, stinkende lucht uit de mond en neusgaten, niet kunnen slikken, op en neer gaande beweging met het hoofd in een bak met water – volgens klaagster weer terug. Een collega van de dierenartsen heeft de pony gezien en volgens de patiëntenkaart geconstateerd dat de rechterzijde van het hoofd, boven, en de onderkaak verdikt en pijnlijk waren, de punt van de tong af en toe uit de mond hing en dat de pony moeite had met slikken en daardoor niet kon eten of drinken. De collega‑dierenarts heeft Genta‑ject, Rapidexon en Meflosyl toegediend en opnieuw bloed afgenomen voor onderzoek.

            In de middag van 23 mei 2016 heeft de collega‑dierenarts de pony wederom gezien. Volgens de patiëntenkaart was de pony attent, was de zwelling veel dunner en minder pijnlijk en at de pony ook wat. De collega‑dierenarts heeft op de patiëntenkaart als waarschijnlijkheidsdiagnose een oorspeekselklierprobleem genoteerd. Hij heeft tevens Genta‑ject en Meflosyl aan de pony toegediend. De in de patiëntenkaart op die dag opgenomen uitslagen van het bloedonderzoek wijzen op een licht ontstekingsbeeld.

            Op 24 mei 2016 heeft een collega‑dierenarts de pony opnieuw gezien. Als anamnese heeft hij vermeld dat de kaak weer dunner is geworden. Voor zover klaagster heeft aangegeven dat de pony weer uit zijn mond zou stinken, komt de collega‑dierenarts tot de conclusie dat het meer een weeïge lucht is. Verder heeft hij blijkens de patiëntenkaart geconstateerd dat de pony midden‑rechts, onder, achterin nog steeds een haak heeft, weinig ruwvoer eet en mager is. Tot slot is in de patiëntenkaart vermeld dat bij het urineonderzoek glucose in de urine is aangetroffen. Deze dierenarts heeft wederom Genta‑ject en Meflosyl aan de pony toegediend, alsook Sulfatrim (een antibioticum).

2.         Op 25 mei 2016 is klaagster, na doorverwijzing door de collega van de dierenartsen, met de pony naar de kliniek gegaan om röntgenfoto’s van de pony te maken. Deze röntgenfoto’s zouden meer duidelijkheid moeten geven over de oorzaak van de aanhoudende en steeds terugkomende klachten bij de pony. Dierenarts 2 heeft deze röntgenfoto’s gemaakt en heeft de pony ook onderzocht. Dierenarts 2 heeft als bevindingen van dit onderzoek in de patiëntenkaart genoteerd dat de pony een fors gezwollen kaak had, met name ter hoogte van de rechter kaakomslag, maar diffuus rondom. Verder heeft hij genoteerd dat de kaak bij aanraking zeer pijnlijk was en de mond niet zo te openen was. Op grond van een rottende lucht uit neus en mond heeft hij necrose geconstateerd. Op basis van de röntgenfoto’s heeft hij als waarschijnlijkheidsdiagnose osteolyse/ostitis vanuit de kieswortel vermeld, al heeft hij daarbij de kanttekening gemaakt dat dit beeld ook bij een ouder paard kan passen. Volgens de patiëntenkaart heeft dierenarts 2 nader onderzoek geadviseerd, maar heeft klaagster hiervoor geen toestemming verleend in verband met de pijnlijkheid en de slechte prognose. Uiteindelijk is de pony, met instemming van klaagster, door dierenarts 2 geëuthanaseerd.

Beslissing van het Veterinair Tuchtcollege

3.         Het Veterinair Tuchtcollege heeft de klacht tegen dierenarts 1 niet‑ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het college overwogen dat dierenarts 1 in veterinaire zin op geen enkele wijze betrokken is geweest bij onderzoek of behandeling van de pony. Verder heeft het college overwogen dat de communicatie tussen klaagster en de dierenarts buiten de reikwijdte van het veterinair tuchtrecht valt, omdat deze communicatie heeft plaatsgevonden na het overlijden van de pony en de zorg voor het dier hier niet onder kan hebben geleden.

            Het Veterinair Tuchtcollege heeft de klacht tegen dierenarts 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het college overwogen dat vaststaat dat na het maken van de röntgenfoto’s nader onderzoek was aangewezen om een exacte diagnose te kunnen stellen en om aan de hand daarvan te bezien wat de meest aangewezen behandeloptie zou zijn. Daarbij heeft het Veterinair Tuchtcollege overwogen dat, gelet op de pijnlijkheid van de kaak, niet ter discussie staat dat sedatie daarbij geïndiceerd en noodzakelijk was. Gelet op de tegenstrijdige lezingen en bij gebreke van toereikend aanvullend steunbewijs aan beide kanten, heeft het Veterinair Tuchtcollege niet bewezen geacht dat er door de dierenarts geen nader onderzoek is voorgesteld en dat hij zich in de bewoordingen heeft uitgedrukt als door klaagster is gesteld en daarmee in feite verder onderzoek zou hebben ontmoedigd. Tot slot heeft het Veterinair Tuchtcollege overwogen dat het advies tot euthanasie, gegeven dat met nader onderzoek onder sedatie niet werd ingestemd, aanvaardbaar is geweest. Daarbij heeft het college betrokken dat sprake was van een ernstig en recidiverend ziektepatroon, waarbij de klachten met een toegepaste medicatie niet meer konden worden verholpen. Het Veterinair Tuchtcollege heeft het enkel doorgaan met sondevoeding bij een pony met een pijnlijke kaak, die niet zelfstandig kan eten en drinken, vermagerd en op leeftijd is, en een lijdensweg te verwachten valt, niet in het belang van het dierenwelzijn geacht.

Beoordeling van de beroepsgronden ten aanzien van dierenarts 1

4.         Klaagster betoogt dat het Veterinair Tuchtcollege ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van bewust verzwijgen van zaken door dierenarts 1 als eigenaar van de dierenartspraktijk. Daartoe voert zij aan dat zij vanaf juni 2016 heeft geprobeerd om het dossier van de pony in bezit te krijgen. Zij heeft meerdere malen verzocht om het dossier, maar dit werd geweigerd. Dierenarts 1 is als eigenaar van de dierenartspraktijk medeverantwoordelijk voor het veterinair handelen van dierenarts 2.

4.1.      Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 24 mei 2010; ECLI:NL:TDIVBC:2011:10) overweegt het Veterinair Beroepscollege dat een dierenarts tuchtrechtelijk alleen kan worden aangesproken op eigen diergeneeskundige handelingen en niet op de diergeneeskundige handelingen die door een collega‑dierenarts zijn uitgevoerd.

4.2.      Niet in geschil is dat dierenarts 1 geen eigen diergeneeskundige handelingen bij de pony heeft verricht. Verder kan hij niet worden aangesproken op het diergeneeskundig handelen van dierenarts 2. Reeds daarom heeft Veterinair Tuchtcollege de klacht tegen dierenarts 1 terecht niet‑ontvankelijk verklaard.

            Het betoog faalt.

Beoordeling van de beroepsgronden ten aanzien van dierenarts 2

5.         Klaagster betoogt dat het Veterinair Tuchtcollege ten onrechte heeft geoordeeld dat dierenarts 2 niet verwijtbaar onjuist of nalatig heeft gehandeld. De dierenarts heeft een verkeerde diagnose gesteld op grond waarvan een onomkeerbare en onherstelbare keuze voor euthanasie is gemaakt.

            Klaagster voert aan dat het Veterinair Tuchtcollege ten onrechte heeft geoordeeld dat de pony op 25 mei 2016 ernstige en aanhoudende ziekteverschijnselen had waarvan de oorzaak onduidelijk is gebleven. De pony had die dag weliswaar ziekteverschijnselen, maar zijn toestand is tussentijds enkele malen sterk verbeterd. Na de toegediende medicatie knapte de pony telkens snel op. Dierenarts 2 heeft de pony ook niet direct behandeld, zodat ook daaruit kan worden afgeleid dat deze niet ernstig ziek was. De gestelde diagnose door dierenarts 2, dat de pony een volledig verrotte kaak had, blijkt niet uit de uitgevoerde bloed-, urine- en röntgenonderzoeken. De dierenarts heeft het doen voorkomen dat de diagnose duidelijk was en deze als zodanig aan klaagster voorgehouden. Het Veterinair Tuchtcollege heeft niet onderkend dat de door dierenarts gestelde diagnose onjuist was.

            Verder voert klaagster aan dat het Veterinair Tuchtcollege ten onrechte heeft geoordeeld dat voor het uitvoeren van nader onderzoek sedatie van de pony noodzakelijk was. Daartoe voert zij aan dat de pony een rustig en makkelijk benaderbaar en te onderzoeken dier was. Een tandheelkundige behandeling had eerder zonder verdoving plaatsgevonden. De dierenarts had voorafgaand aan het nadere onderzoek de eerder gegeven medicijnen nogmaals kunnen toedienen.

            Tot slot voert klaagster aan het Veterinair Tuchtcollege ten onrechte heeft geoordeeld dat het advies tot euthanasie aanvaardbaar is geweest. De dierenarts heeft aan klaagster geen voorstel gedaan tot nader onderzoek van de pony onder sedatie. Van dit voorstel is volgens klaagster geen bewijs, behoudens hetgeen daarover in het patiëntendossier is vermeld. Daarnaast heeft de dierenarts op basis van het bloed- en urineonderzoek en de röntgenfoto’s een onjuiste diagnose gesteld. Doordat de dierenartsen twee jaar lang hebben geweigerd het patiëntendossier over te leggen, is niet meer controleerbaar of zij naar aanleiding van de klachten van klaagster wijzigingen hierin hebben aangebracht. Het patiëntendossier kan dan ook niet als doorslaggevend bewijs dienen. Het Veterinair Tuchtcollege heeft de dierenarts ten onrechte het voordeel van de twijfel gegeven. Het college mocht bovendien niet afgaan op de verklaring van een collega‑dierenarts. Die collega‑dierenarts heeft de pony niet onderzocht en heeft enkel op afstand toegekeken. Die verklaring kan niet als bewijs dienen voor het advies tot euthanasie. Verder voert klaagster aan dat de uitslagen van bloed- en urineonderzoek niet met haar zijn gedeeld. Uit het bloedonderzoek blijkt dat sprake was van een lichte ontsteking, zodat de conclusie dat sprake was van een volledig verrotte kaak niet juist kan zijn. Doordat de uitslagen niet met haar zijn gedeeld, kon zij geen weloverwogen keuze tot euthanasie maken.

5.1.      Vaststaat dat op 25 mei 2016 door dierenarts 2 röntgenfoto’s van de pony zijn gemaakt. De dierenarts stelt op basis van de röntgenfoto’s vast dat de beelden het meest pasten bij een ostitis/osteolyse van de onderkaak, waar een kieswortel- of speekselklierontsteking aan ten grondslag zou kunnen liggen. Daarbij heeft de dierenarts ook gesteld dat dit slechts een verdenking was en geen sluitende diagnose betrof omdat daarvoor een nader onderzoek nodig was. Volgens de dierenarts gaf appellante geen toestemming om de pony onder sedatie verder te onderzoeken. Klaagster heeft daarentegen gesteld dat zij een nader onderzoek altijd zou hebben toegestaan als daarmee haar pony kon worden geholpen.

5.2.      Naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege staat vast dat de pony op 25 mei 2016 ernstig ziek was en dat nader onderzoek aangewezen was. Het Veterinair Beroepscollege onderschrijft daarbij het oordeel van het Veterinair Tuchtcollege dat bij het nadere onderzoek van de pony, gelet op de pijnlijkheid van de kaak, sedatie noodzakelijk zou zijn geweest. Om welke reden geen nader onderzoek bij de pony is verricht, is niet meer vast te stellen. Partijen geven een andere lezing van hetgeen is gezegd en wat er zich heeft voorgedaan. Het Veterinair Beroepscollege overweegt, zoals het Veterinair Tuchtcollege terecht ook heeft gedaan, dat in gevallen als het onderhavige, waarin partijen een verschillende lezing geven van de voor de beoordeling van de klacht relevante feiten en omstandigheden, het vaste tuchtrechtspraak is (zie onder meer de uitspraak van 24 november 2017 in zaak nr. VB 2017/11, ECLI:NL:TDIVBC:2017:2) dat, wanneer op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het betreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit rechtsoordeel berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van dierenarts 2, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtrechtelijke sanctie kan slechts worden gebaseerd op zodanige feiten en omstandigheden.

            In zoverre faalt het betoog van klaagster dat dierenarts 2 een verkeerde diagnose zou hebben gesteld.

5.3.      Omdat dierenarts 2 gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen nader onderzoek heeft verricht, heeft hij geen sluitende diagnose kunnen stellen. De vraag is of in die situatie het advies tot euthanasie aanvaardbaar is geweest.

            Dierenarts 2 heeft, ondanks het verzoek van klaagster daartoe, geweigerd om de eerder toegediende medicatie opnieuw toe te dienen, omdat deze behandeling naar zijn mening geen wezenlijk resultaat bewerkstelligde. Aan de dierenarts kan worden toegegeven dat de behandeling met deze medicatie, anders dan klaagster lijkt te suggereren, niet als structurele therapie voor de ernstig zieke pony kon worden ingezet. Het Veterinair Beroepscollege is van oordeel dat de medicatie waarschijnlijk op langere termijn inadequaat zou zijn geweest, maar neemt daarbij in aanmerking dat de eerdere medicamenteuze behandelingen op korte termijn wel tot verlichting van de symptomen bij de pony hebben geleid en dat dat redelijkerwijs ook nu te verwachten was. Wanneer deze werkwijze was gevolgd had klaagster enige bedenktijd gekregen om zich te beraden en om nadien met de dierenarts te overleggen over de resterende onderzoeks- en behandelmogelijkheden. De dierenarts op zijn beurt had in die periode ruggespraak kunnen houden over de ontstane situatie met de vaste behandelend dierenarts van de pony. Het College is van oordeel dat niet is aangetoond dat de pony zo ziek was dat euthanasie op dat moment de enig overgebleven optie was, terwijl euthanasie de meest verstrekkende ingreep is die een dierenarts kan verrichten.

            De conclusie is dat dierenarts 2 naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege zonder sluitende diagnose te snel het voorstel tot euthanasie van de pony aan klaagster heeft gedaan, zonder dat is aangetoond dat euthanasie op dat moment de enige overgebleven mogelijkheid was. Het Veterinair Tuchtcollege heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat het advies tot euthanasie aanvaardbaar is geweest.

            Het betoog slaagt.

Oplegging van een maatregel

6.         Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 5.3 is overwogen, acht het College de oplegging aan dierenarts 2 van de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

Slotsom

7.         Het beroep, voor zover dit betrekking heeft op de klacht tegen dierenarts 1, is ongegrond en zal worden verworpen. Het beroep, voor zover dit betrekking heeft op de klacht tegen dierenarts 2, is gegrond. De beslissing van het Veterinair Tuchtcollege zal derhalve in zoverre worden vernietigd. Het Veterinair Beroepscollege zal opnieuw rechtdoende de klacht tegen dierenarts 2 gegrond verklaren en de maatregel van waarschuwing opleggen.

Beslissing

Het Veterinair Beroepscollege:

I.           verwerpt het beroep voor zover dit betrekking heeft op de klacht tegen dierenarts 1;

II.         verklaart het beroep gegrond voor zover dit betrekking heeft op de klacht tegen dierenarts 2;

III.        vernietigt de beslissing van het Veterinair Tuchtcollege voor zover dit betrekking heeft op de klacht tegen dierenarts 2;

IV.        verklaart de klacht tegen dierenarts 2 gegrond;

V.         legt dierenarts 2 de maatregel van waarschuwing als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Dieren op.

Aldus gewezen door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, mr. G. van der Wiel en mr. G. Tangenberg, jurist-leden, drs. C.W. Davidse en dr. L.M. Derkx‑Overduin, dierenarts-leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. M. Rijsdijk als secretaris.

w.g. E.A. Minderhoud                                                     w.g. M. Rijsdijk                     

voorzitter                                                                       plv. secretaris

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2020

Voor eensluidend afschrift,

plv. secretaris