Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TAHVD:2020:81 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 190160

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2020:81
Datum uitspraak: 03-04-2020
Datum publicatie: 04-04-2020
Zaaknummer(s): 190160
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Geheimhoudingsplicht
Beslissingen: Berisping
Inhoudsindicatie: Schending geheimhoudingsplicht. Bekrachtiging beslissing raad, waarbij de klacht gegrond is verklaard en verweerder een berisping is opgelegd. Het stond verweerder niet vrij om zonder overleg met en toestemming van klager het procesadvies van zijn voormalig kantoorgenoot aan de rechtsbijstandverzekeraar van klager te verstrekken. Geen omstandigheden aanwezig die doorbreking van de geheimhoudingsplicht rechtvaardigen. Verweerder mag bekend worden verondersteld met een tussen klager en de verzekeraar bestaand verschil van mening en met de afspraak tussen klager en de voormalig kantoorgenoot dat het advies niet aan de verzekeraar zou worden verstrekt. Verweerder had moeten proberen zijn onjuiste handelwijze zo goed mogelijk te redresseren. Nog geen twee maanden later heeft verweerder nogmaals zijn geheimhoudingsplicht geschonden door het dossier zonder overleg met en toestemming van klager op verzoek van dezelfde verzekeraar aan de opvolgend advocaat heeft gestuurd.

BESLISSING                                   

van 3 april 2020

in de zaak 190160

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klager

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

1.1    Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (verder: de raad) van 13 mei 2019 met nummer 19-098/A/NH, op deze datum aan partijen toegezonden. De raad heeft de klacht in alle onderdelen gegrond verklaard, aan verweerder de maatregel van berisping opgelegd en verweerder veroordeeld in de proceskosten.

1.2    De beslissing van de raad is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRAMS:2019:107.

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    Het beroepschrift van verweerder tegen deze beslissing is op 11 juni 2019 per e- mail en op 14 juni 2019 per post ter griffie van het hof ontvangen. Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-    de stukken van de eerste aanleg

-    het verweerschrift van klager

-    de brief met bijlage van verweerder van 6 september 2019

-    de pleitnota van klager

-    de spreekaantekeningen van de gemachtigde van verweerder.

2.2     Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 7 februari 2020, waar verweerder en zijn gemachtigde [naam gemachtigde] zijn verschenen. Klager heeft de zitting op zijn verzoek, om medische redenen, via een telefoonverbinding bijgewoond. Partijen hebben gepleit overeenkomstig hun overgelegde pleitnota respectievelijk spreekaantekeningen.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

a)   op 27 juli 2016 zonder toestemming en medeweten van klager aan de verzekeraar (delen van) het dossier van de moeder van klager heeft verstrekt, inclusief het negatieve procesadvies, terwijl met mr. Van O was afgesproken het negatieve advies niet aan de verzekeraar te verstrekken;

b)   geen pogingen heeft ondernomen om zijn onjuiste handelen ongedaan te maken;

c)   het dossier daarna in opdracht van de verzekeraar – eveneens zonder toestemming en medeweten van klager – heeft verstrekt aan een derde, zijnde een advocatenkantoor.

4    FEITEN

  4.1    Het hof gaat uit van de volgende, door de raad vastgestelde en door klager en verweerder niet bestreden feiten, alsmede van enkele aanvullende feiten zoals die uit het dossier blijken en die evenmin zijn bestreden.

  4.2    De moeder van klager [verder: de moeder] had een geschil met een zorgverlener over de zorg die zij ontving. Nadat zij ter zake was geadviseerd door een advocaat is de zaak aangemeld bij haar rechtsbijstandsverzekeraar (hierna: de verzekeraar). Achtereenvolgens hebben twee juristen van de verzekeraar de moeder geadviseerd.

4.3    Op 27 maart 2015 is de zaak van de moeder, via de Stichting Achmea Rechtsbijstand (hierna: SAR) optredend namens de verzekeraar, uitbesteed aan het kantoor van verweerder. Als advocaat van de moeder is eerst opgetreden mr. S van S en daarna, wegens zijn ziekte, mr. Van O. Klager trad toentertijd op als contactpersoon en zaakwaarnemer van zijn moeder.

4.4    De moeder is op 19 februari 2016 overleden.

4.5    In een e-mail van 6 april 2016 van klager aan verweerder met als onderwerp “wie gaat de zaak overnomen betreffende wijlen mijn moeder” heeft klager gerefereerd aan een telefoongesprek tussen hem en verweerder en gevraagd of inmiddels bekend is wie de zaak gaat overnemen, nu mr. S van S al lange tijd ziek is. Nadien heeft mr. Van O zich bij klager gemeld.

4.6   Bij e-mail van 18 april 2016 heeft mr. Van O klager een (negatief) advies gestuurd over de haalbaarheid van de zaak tegen de zorgverlener. In het advies staat onder meer:

    “Zoals aangegeven (…) heb ik de behandeling van de zaak van wijlen uw moeder overgenomen van mijn kantoorgenoot (…) Tijdens ons telefoongesprek op 11 april 2016 hebt u de omstandigheden in deze inhoudelijk met mij besproken. (…)

    Uw verzoek om rechtsbijstand in deze betreft – kort gezegd – de nakoming van de zorgovereenkomst tussen uw moeder en [de zorgverlener]. (…)

    Gelet op al het voorgaande kan ik niet anders dan concluderen dat op juridische (bewijsrechtelijke) gronden onvoldoende aanknopingspunten zijn om te komen tot een verwijtbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de zorgovereenkomst van [de zorgverlener] jegens uw moeder, op grond waarvan u een schadevergoeding van [de zorgverlener] wenst. (…)

    Wel zijn er aanknopingspunten om aanspraak te maken om een vergoeding van immateriële schade. In dit kader geldt dat enkel de door uw moeder geleden schade voor vergoeding in aanmerking kan komen, nu zij partij was bij de zorgovereenkomst. In het kader van de advisering over uw rechtspositie ten opzichte van [de verzekeraar] heeft [mr. S van S] bij brief aan u van 14 juli 2015 aangegeven dat van belang is voor het overgaan van een aanspraak op immateriële schadevergoeding op een nabestaande, dat daarop bij leven van uw moeder aanspraak is gemaakt. Zoals ook in die brief is aangegeven, is de aanspraak op schadevergoeding in de brief namens uw moeder van 20 februari 2015 onvoldoende om die aanspraak te laten overgaan op u als erfgenaam. Uit het dossier blijkt niet of die aanspraak nadien alsnog is gemaakt. Vooralsnog ga ik er dan ook van uit dat door u geen aanspraak op immateriële schadevergoeding uit naam van uw moeder gevorderd kan worden. (…)

    Conclusie

    Gelet op al het voorgaande en in navolging van het advies van [mr. S van S] zie ik onvoldoende juridische aanknopingspunten voor een aanspraak op schadevergoeding (…). Hoewel ik begrip heb voor uw gevoelens jegens [de zorgverlener] en de moeilijke periode die u en uw partner hebben meegemaakt, kan ik u helaas niet anders berichten.

    Second opinion

    Hoewel voorgaand advies (…) zorgvuldig is geformuleerd op basis van beschikbare dossiergegevens, kan ik mij voorstellen dat u (…) een second opinion wilt overwegen. Voor de goede orde bericht ik u dat [de verzekeraar] de mogelijkheid biedt om u opnieuw te laten adviseren over de onderhavige kwestie door een ander advocatenkantoor (…)”

    Klager en mr. Van O hebben afgesproken dat het advies van 18 april 2016 niet aan de verzekeraar zou worden gestuurd.

4.7       Bij e-mail van 21 april 2016 heeft mr. Van O aan SAR onder meer het volgende medegedeeld:

“In bovengenoemde zaak bericht ik u dat ik vanwege langdurige ziekte van mijn kantoorgenoot mr. [S. van S.] de behandeling van het dossier heb overgenomen. Na overleg met cliënt op 18 april 2016 bericht ik u dat cliënt heeft aangegeven indertijd nadrukkelijk voor genoemde (netwerk)advocaat te hebben gekozen en (dus) niet instemt met de overname van de behandeling van zijn dossier door mij of één van mijn kantoorgenoten. (…) heb ik in overleg met cliënt mijn werkzaamheden beëindigd en zal ik overgaan tot sluiting van het dossier.”

4.8    Mr. Van O is enige tijd nadien vertrokken bij het kantoor van verweerder.

4.9    Bij e-mails van 8 juli 2016 en 15 juli 2016 heeft klager verweerder op de hoogte gebracht van een verschil van mening tussen klager en SAR omtrent het verzoek van klager om een advocaat naar zijn voorkeur in te schakelen.

4.10 Bij e-mail van 26 juli 2016 heeft het klachtenbureau van SAR verweerder, in zijn hoedanigheid van contactpersoon van zijn kantoor met SAR/de verzekeraar, verzocht het dossier van (de moeder van) klager toe te sturen. In dat verzoek is onder meer geschreven:

    “Vanuit de klachtbehandeling is namelijk met verzekerde afgesproken dat we eind van deze week weer contact met hem opnemen om een en ander te bespreken. We hebben daarbij echter wel jullie dossier nodig.”

4.11 Op 27 juli 2016 heeft een kantoorgenoot van verweerder het klachtenbureau van SAR onder meer geschreven dat zij nog in afwachting is van het dossier uit Den Haag, maar dat zij op voorhand alvast het advies van 18 april 2016 van mr. Van O toestuurt.

4.12    Bij e-mail van 29 juli 2016 heeft SAR klager meegedeeld zijn dossier te hebben ontvangen van het kantoor van verweerder en hem geschreven:

“[Naam kantoorgenoot van verweerder]  liet u weten dat zij geen kans van slagen ziet in het geschil met [de zorgverlener]. Dit schreef zij in haar e-mail van 18 april aan u. (…) Mogelijk kunt u dan gebruik maken van een second opinion door een advocaat van uw keuze. In dat geval ontvangen we graag een onderbouwing van u waarin staat waarom u het niet eens bent (…)”

4.13    Klager heeft hierop telefonisch contact opgenomen met verweerder.

4.14  Bij brief van 23 augustus 2016 heeft verweerder klager onder meer geschreven:

    “In vervolg op ons laatste telefoongesprek heb ik overleg gevoerd met [mr. Van O]. [Mr. Van O] bevestigde mij dat met u was afgesproken dat haar adviesmemorandum niet aan [de verzekeraar] verstuurd zou worden. Zoals u bekend heb ik het dat adviesmemorandum echter wel aan [de verzekeraar] gestuurd. Ik was namelijk niet bekend met de afspraak dien aangaande.

    Namens mijn kantoor bied ik u hierbij mijn verontschuldigingen aan voor deze gang van zaken. [Mr. Van O] heeft voorts aangegeven dat zij achter de bevindingen in haar adviesmemorandum blijft staan en dat het inhoudelijk juist is. Mijn kantoor sluit zich bij dat standpunt aan.

    Deze bevestiging is mogelijk voor u van belang bij een eventuele second opinion beoordeling. Gelet op het voorgaande kan ik u niet berichten dat het adviesmemorandum als ingetrokken moet worden beschouwd.

    Ik kan u thans niet verder van dienst zijn. Ik ga daarom over tot sluiting van het dossier (…) Gelet op het voorgaande zal mijn kantoor u ook niet meer telefonisch te woord kunnen staan.”

4.15      Bij e-mail van 7 september 2016 heeft SAR aan verweerder geschreven:

     “In bovengenoemde kwestie wil [klager] een second opinion laten uitbrengen ten aanzien van uw standpunt van 18 april 2016. Wij hebben helaas niet alle stukken onder ons. Kunt u deze doorsturen aan [mr. R]”

4.16      Bij brief van 19 juni 2018 heeft verweerder klager onder meer geschreven:

“Hierbij kom ik terug op ons telefoongesprek van 7 mei 2018 (…)

Inmiddels heb ik aan de hand van het dossier uitgezocht hoe één en ander in 2016 is gegaan met betrekking tot het doorsturen van het advies van 18 april 2016 aan het klachtenbureau van [de verzekeraar]. Ik vat hieronder de relevante punten samen:

-    het betreft een zaak van (wijlen) uw moeder (…) die op 27 maart 2015 door [de verzekeraar] aan ons kantoor is uitbesteed. Aangezien uw moeder ernstig ziek was, bent u als haar zaakwaarnemer opgetreden. Het dossier is aanvankelijk in behandeling genomen door [mr. S van S] van onze vestiging in Den Haag(…) Na zijn uitvallen wegens arbeidsongeschiktheid is het dossier overgenomen door [mr. Van O]. Haar eindadvies dateert van 18 april 2016. In dat advies komt zij – in navolging van [mr. S van S] – tot de conclusie dat er onvoldoende juridische aanknopingspunten zijn voor een aanspraak op schadevergoeding (…) Het dossier is daarop gesloten;

    -   het klachtenbureau van [de verzekeraar] heeft ons in juli 2016 gevraagd om het dossier met spoed op te sturen zodat zij u goed van dienst kunnen zijn met uw klachten (…) en verzoek om een second opinion. (…)

daaropvolgend is op 27 juli 2016 (overigens uitsluitend) het advies van 18 april 2016 aan het klachtenbureau van [de verzekeraar] gemaild. Dat is gebeurd met mijn toestemming.

-   u heeft vervolgens van het klachtenbureau van [de verzekeraar] vernomen dat het advies van 18 april 2016 door ons kantoor aan [de verzekeraar] was toegezonden. U heeft daarop in augustus 2016 met mij telefonisch contact opgenomen. U liet mij toen weten dat u met [mr. Van O] had afgesproken dat het advies niet naar [de verzekeraar] zou gaan. Ik was met die afspraak niet bekend. Ik heb u toen laten weten dit zeer te betreuren, maar dat het helaas niet meer ongedaan kan worden gemaakt. (…)

    -  op 7 september 2016 heeft het klachtenbureau van [de verzekeraar] ons verzocht om het dossier in verband met de second opinion op te sturen naar [mr. R] (…). Dat is toen gebeurd. (…)   

Los van het feit dat uw moeder cliënte van ons kantoor was en niet u, heb ik gemeend in haar belang te handelen, zodat het klachtenbureau van [de verzekeraar] de klachten en het verzoek om een second opinion adequaat in behandeling zou kunnen nemen. Dat is ook gebeurd. Met de afspraak met [mr. Van O] om het advies niet aan [de verzekeraar] te zullen toezenden, was ik niet bekend. (…)”

4.17    In een e-mail van 7 november 2018 heeft SAR aan verweerder geschreven dat zij op 27 juli 2016 alleen het advies van mr. Van O heeft ontvangen en dat in een bevestiging naar klager toe abusievelijk het woord dossier is gebruikt.

5    BEOORDELING

De beslissing van de raad    

    5.1    Samengevat weergegeven heeft de raad overwogen dat het kantoor van verweerder klager heeft geaccepteerd als cliënt en dat klager dit zo heeft kunnen en mogen begrijpen. De raad heeft daartoe overwogen dat het advies van 18 april 2016 na het overlijden van klagers moeder aan klager is uitgebracht, dat in het advies een duidelijk onderscheid is gemaakt tussen klager en zijn moeder en dat klager is geadviseerd over zijn rechtspositie ten opzichte van de zorgverlener (5.2 raad)

Met betrekking tot klachtonderdeel a) heeft de raad overwogen dat de geheimhoudingsplicht van de advocaat jegens de cliënt voorgaat op de verplichtingen van de advocaat jegens de (rechtsbijstand)verzekeraar en dat het aan de verzekerde cliënt is om te bepalen welke invulling hij wil geven aan de polisverplichtingen jegens de verzekeraar. Gelet hierop stond het verweerder niet vrij om zonder overleg met en toestemming van klager het advies van mr. Van O aan de verzekeraar te verstrekken. Te minder nu klager met mr. Van O had afgesproken dat haar advies niet aan de verzekeraar zou worden verstrekt. Klachtonderdeel a) is daarom gegrond (5.7 raad).

Voorts heeft de raad overwogen dat verweerder heeft geweigerd zijn handelen ongedaan te maken (bijvoorbeeld door het advies terug te trekken), wat wel van verweerder verwacht mocht worden. Klachtonderdeel b) is daarom ook gegrond (5.8 raad).

Ten aanzien van klachtonderdeel c) heeft de raad overwogen dat het verweerder evenmin vrijstond om zonder overleg met en toestemming van klager het dossier aan mr. R te verstrekken. De raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat het verzoek om het dossier door te sturen afkomstig was van de verzekeraar en niet van mr. R zelf. Klachtonderdeel c) is daarom ook gegrond (5.10 raad).

Standpunt verweerder

    5.2    Samengevat heeft verweerder het volgende aangevoerd. Klager was geen cliënt en verweerder was niet de behandelend advocaat. In het kader van de belangenbehartiging moest bepaalde informatie uit het dossier ter kennis van derden worden gebracht. Verweerder heeft klager daarbij zo goed mogelijk van dienst willen zijn. Bovendien dient het, mede gelet op de in de polisvoorwaarden neergelegde geschillenregeling, ervoor te worden gehouden dat klager toestemming had verleend voor het verstrekken van (delen van) het dossier aan de overigens los van de verzekeraar staande SAR en aan mr. R, dit in verband met klachten en het geven van een second opinion. Klager is niet in zijn belang geschaad, want de dekking onder de verzekering is voortgezet. Intrekking van het advies leek verweerder niet mogelijk, aangezien dat advies door een andere advocaat, mr. Van O, was uitgebracht en mr. Van O nog steeds achter de inhoud van dat advies stond. Na de uitspraak van de raad heeft verweerder alsnog aan SAR laten weten het advies van mr. Van O. terug te trekken. Verder is het niet in strijd met de geheimhoudingsplicht om een dossier aan een advocaat te verstrekken die zich meldt als opvolgend advocaat of als advocaat die is ingeschakeld in het kader van een second opinion. Bovendien heeft de raad ten onrechte niet in zijn oordeel betrokken dat mr. R eveneens een geheimhoudingsplicht heeft. De opgelegde maatregel is te zwaar. Verweerder is niet eerder tuchtrechtelijk veroordeeld, hij heeft steeds te goeder trouw gehandeld en hij meende oprecht klager te faciliteren bij het verkrijgen van een second opinion.

        Standpunt klager

5.3    Klager heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. De geheimhoudingsplicht van de advocaat mag slechts in zeer uitzonderlijke gevallen worden doorbroken. Dergelijke gevallen doen zich hier niet voor. Verweerder was contactpersoon voor SAR en wist als geen ander dat zonder toestemming van de cliënt geen stukken aan derden mogen worden verstrekt. Ook niet indien de advocaat onder een rechtsbijstandsverzekering de cliënt bijstaat. Dat blijkt ook uit jurisprudentie van de raad uit 2014, waarover veel gepubliceerd is. Verweerder weet heel goed dat klager cliënt is geworden, na het overlijden van zijn moeder. Verweerder heeft zelf

mr. Van O. als advocaat van klager toegewezen. Het dossier is niet door SAR opgevraagd naar aanleiding van een second opinion, maar naar aanleiding van een conflict dat klager met SAR had omtrent zijn verzoek om een advocaat naar eigen keuze. Als het negatieve advies van mr. Van O niet aan SAR was gestuurd, had de geschillenregeling niet gevolgd hoeven te worden en had klager niet eerst hoeven aan te tonen dat het advies van mr. Van O onjuist was. Verweerder had klager kunnen helpen door aan SAR de gang van zaken uit te leggen, maar hij heeft dat geweigerd. Vervolgens heeft verweerder ook weer zonder toestemming van klager het dossier aan mr. R verstrekt. De opgelegde maatregel is te licht.

    Oordeel hof

5.4    Met de raad is het hof van oordeel dat tussen mr. Van O en klager een advocaat-cliënt relatie heeft bestaan. Dat volgt reeds uit het op 18 april 2016 door

mr. Van O aan klager uitgebrachte advies. Het hof verwijst verder naar de overwegingen van de raad op dit punt (5.2 raad). De geheimhoudingsplicht van mr. Van O geldt ook voor verweerder als kantoorgenoot van mr. Van O en blijft na beëindiging van de beroepsuitoefening of de betrekking waarin de werkzaamheden zijn verricht voortbestaan (artikel 11a lid 1 respectievelijk lid 2 Advocatenwet).

5.5    Het hof stelt voorop dat de plicht tot geheimhouding behoort tot de kernwaarden van de advocatuur en dat doorbreking daarvan door de advocaat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde kan komen. Daarbij valt te denken aan een directe dreiging van ernstig, toekomstig gevaar voor de advocaat zelf of een betrokkene dat zonder het doorbreken van het beroepsgeheim niet kan worden afgewend. Het hof benadrukt dat een advocaat ingeval hij doorbreking van de geheimhoudingsplicht overweegt, daarover voorafgaand met de deken overleg dient te plegen en diens advies dient in te winnen (zie ook HvD 3 mei 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:22).

Deze geheimhoudingsplicht gaat vóór op de verplichtingen van een advocaat jegens een derde, zoals een verzekeraar die de advocaat voor zijn rechtsbijstand betaalt. Het is aan de verzekerde cliënt om te bepalen welke invulling hij wil geven aan de polisverplichtingen jegens de verzekeraar en niet aan de advocaat.

5.6    De door verweerder aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen geen doorbreking van zijn geheimhoudingsplicht. Toen SAR in juli 2016 om toezending van het dossier verzocht, had verweerder contact met klager moeten opnemen en aan hem om toestemming tot verstrekking van de door SAR gevraagde informatie moeten vragen. Dat wordt niet anders indien het verzoek van SAR verband zou hebben gehouden met een af te geven second opinion, nog daargelaten dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat toen het geval was. Evenmin is relevant dat verweerder, zoals hij heeft betoogd, in de veronderstelling verkeerde dat klager instemde met toezending aan SAR van de gevraagde informatie en dat het in het belang van klager was om die stukken aan SAR te verstrekken. Waar het om gaat is dat verweerder dat niet bij klager heeft geverifieerd. Evenmin zijn feiten of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan verweerder er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat klager akkoord ging met het verstrekken aan SAR van de door haar gevraagde informatie. Eerder is sprake van het tegendeel, gelet op het feit dat verweerder bekend was met, althans bekend verondersteld mag worden met het tussen klager en SAR bestaande verschil van mening, waarvan verweerder slechts enkele weken voor het verzoek van SAR op de hoogte was gesteld (zie 4.9) en met de e-mail van mr. Van O aan SAR van

21 april 2016 (zie 4.7), waarvan de inhoud moeilijk is te rijmen met het wel door mr. Van O aan klager verstrekte advies van 18 april 2016. Ten slotte is niet van belang of klager (uiteindelijk) dekking onder rechtsbijstandsverzekering heeft behouden noch dat SAR ten opzichte van de verzekeraar mogelijk een onafhankelijke positie inneemt, zoals verweerder heeft betoogd. Dit zijn immers evenmin uitzonderlijke feiten of omstandigheden die doorbreking van de geheimhoudingsplicht rechtvaardigen. Bij deze stand van zaken is niet van belang of verweerder enkel het advies van mr. Van O van 18 april 2016 aan SAR heeft toegezonden of (meer stukken uit) het dossier.

    Klachtonderdeel a) is terecht door de raad gegrond verklaard.

5.7    Nadat verweerder door klager ervan op de hoogte was gesteld dat het advies van 18 april 2016 van mr. Van O zonder zijn toestemming en zelfs in strijd met een tussen klager en mr. Van O gemaakte afspraak aan SAR was verstrekt, had verweerder naar het oordeel van het hof actie moeten nemen om te pogen (de gevolgen van) zijn onjuiste handelwijze zoveel mogelijk ongedaan te maken. Verweerder had bijvoorbeeld aan SAR kunnen berichten dat hij de gevraagde informatie ten onrechte aan SAR had verstrekt en SAR kunnen verzoeken die informatie terug te sturen en als niet verzonden te beschouwen. Wat SAR vervolgens met dat verzoek zou hebben gedaan is voor de beoordeling van de handelwijze van verweerder niet van belang. Het hof volgt verweerder niet in zijn stelling dat hij het advies van een andere advocaat, die nog steeds achter de inhoud van dat advies staat, niet kan intrekken. Daar gaat het niet om. Wel om het zo goed mogelijk redresseren van een onjuiste handelwijze. Door dat na te laten heeft verweerder opnieuw onvoldoende oog gehad voor de belangen van klager. Dat wordt niet anders met het in juni 2019, naar aanleiding van de beslissing van de raad, alsnog mededelen aan SAR dat verweerder het advies van mr. Van O terugtrekt. Verweerder had dat in 2016 moeten doen toen klager bij verweerder protesteerde tegen de verstrekking aan SAR van genoemd advies.

Ook klachtonderdeel b) is terecht door de raad gegrond verklaard.

5.8    Het wekt verbazing dat verweerder nog geen twee maanden nadat hij door klager erop was aangesproken dat hij zonder diens toestemming informatie uit het dossier aan SAR had verstrekt, het dossier doorstuurde aan mr. R zonder bij klager te verifiëren of klager daarmee instemde. Daarmee handelde verweerder opnieuw in strijd met zijn geheimhoudingsplicht. Het verweer dat het gebruikelijk is om het dossier toe te zenden aan een advocaat die zich meldt als opvolgend advocaat of advocaat die een second opinion moet uitbrengen, stuit reeds af op het feit dat het verzoek om toezending van het dossier niet van mr. R zelf afkomstig was. Dat mr. R zelf ook een geheimhoudingsplicht heeft levert geen grond op voor doorbreking van de geheimhoudingsplicht van verweerder. Dat kan onder omstandigheden anders zijn, maar niet onder de omstandigheden van dit geval (geen contact met klager over toezending aan mr. R, verzoek niet van mr. R zelf afkomstig).

Ook klachtonderdeel c) is terecht door de raad gegrond verklaard.

5.9    Het hof is het ook eens met de door de raad opgelegde maatregel. Het hof wil wel aannemen dat verweerder heeft willen faciliteren en ook neemt het hof in aanmerking dat verweerder geen tuchtrechtelijk verleden heeft, maar evenals de raad rekent het hof verweerder zwaar aan dat hij zijn geheimhoudingsplicht twee keer kort achter elkaar en jegens dezelfde cliënt heeft geschonden en heeft geweigerd de gevolgen van zijn onjuiste handelwijze zo goed mogelijk te redresseren. Aldus heeft verweerder herhaaldelijk onvoldoende oog gehad voor de belangen van klager. Gelet op zijn processuele houding bij zowel de raad als het hof is ook de indruk ontstaan, dat verweerder niet inziet dat zijn handelwijze onjuist was. Die indruk is op het laatst enigszins weggenomen door de mededeling van verweerder ter zitting van het hof dat hij de gang van zaken betreurt en dat zijn kantoor maatregelen heeft getroffen opdat geen stukken meer naar een rechtsbijstandsverzekeraar worden gestuurd zonder toestemming van de verzekerde cliënt.

    Klager heeft aangevoerd dat de opgelegde maatregel juist te licht is. Voor zover klager daarmee bedoeld heeft in hoger beroep te komen tegen dat onderdeel van de beslissing van de raad, kan klager daarin niet worden ontvangen, aangezien hij dat beroep niet binnen de beroepstermijn van 30 dagen heeft ingesteld.

5.10    Omdat het hof de beslissing van de raad met daarin een proceskostenveroordeling bekrachtigt, moet verweerder de proceskosten van de procedure bij de raad ook voldoen. Per 1 maart 2020 zijn nieuwe afspraken tussen de Staat en de Nederlandse Orde van Advocaten gemaakt over de wijze waarop deze proceskosten moeten worden betaald. De raad heeft hier nog geen rekening mee kunnen houden. Daarom bekrachtigt het hof de proceskostenveroordeling zoals de raad die aan verweerder heeft opgelegd maar bepaalt daarbij, in verband met de nieuwe afspraak, dat verweerder het bedrag van € 1.250,- binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, zal overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer van de raad.

5.11    Omdat ook het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten in hoger beroep:

a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

    b) € 750,- kosten van de Staat

5.12    Verweerder moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 1.500,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-    bekrachtigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 13 mei 2019 met nummer 19-098/A/NH, behalve voor wat betreft de wijze van betaling en bepaalt dat deze proceskostenveroordeling van € 1.250,- in zijn geheel aan de Nederlandse Orde van Advocaten wordt betaald, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van € 1.500,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Aldus gewezen door mr. T. Zuidema, voorzitter, mrs. A.A.H. Zegers, M.A. Wabeke,

R.N.E. Visser en E.W. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2020.

griffier    voorzitter                           

De beslissing is verzonden op 3 april 2020.