Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TAHVD:2020:232 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200088

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2020:232
Datum uitspraak: 16-11-2020
Datum publicatie: 24-11-2020
Zaaknummer(s): 200088
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht over de advocaat van de wederpartij. De raad heeft klachtonderdeel a ongegrond verklaard en klachtonderdeel b gegrond zonder een maatregel op te leggen. Het hof vernietigt de gegrondverklaring van klachtonderdeel b van de raad en verklaart klager in dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk. Klager wenste (zo blijkt uit de door hem zelf opgestelde transcriptie van het telefoongesprek tussen hem en verweerster) de door verweerster gevraagde gegevens niet te verstrekken, waardoor verweerster niet worden verweten dat zij het afschrift van haar conclusie van dupliek niet aan klager heeft toegestuurd - zeker niet nu verweerster hem nadrukkelijk op de consequenties heeft gewezen. Daarnaast is klager met het aankruisen van het vinkje op het B-formulier (als gevolg waarvan hij geen kopie van de conclusie zou hebben ontvangen, zo stelt klager) door de procesadvocaat van verweerster niet in zijn belangen geschaad. Het al dan niet aanvinken van “wederpartij geïnformeerd” op het B-formulier had niet tot een ander resultaat geleid. Alsdan heeft hij geen belang bij dit klachtonderdeel, en zal het hof hem op dit punt niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

Van 16 november 2020

in de zaak 200088

naar aanleiding van het wederzijds hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerster

1    DE PROCEDURE BIJ DE RAAD

1.1    Het hof verwijst naar de beslissing van 9 maart 2020 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (verder: de raad), gewezen onder nummer: 19-730/A/A. Deze beslissing is op 9 maart 2020 aan partijen toegezonden. In deze beslissing is klachtonderdeel a) ongegrond verklaard en klachtonderdeel b) gegrond verklaard. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager.

De beslissing van de raad is onder ECLI:NL:TADRAMS:2020:43 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

2    DE PROCEDURE BIJ HET HOF

2.1    Het beroepschrift met bijlagen van klager is op 21 maart 2020 per faxbericht door de griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het beroepschrift met bijlagen van verweerster is op 7 april 2020 per e-mailbericht en op 8 april 2020 per post door de griffie van het hof ontvangen.

2.3    Verder bevat het dossier van het hof:

-    de stukken van de raad;

-    een e-mailbericht met bijlage van klager van 7 januari 2020;

-    de reactie van klager van 10 april 2020 (met ingevoegd een e-mail van hem van 5 september 2019 aan de deken) op het beroepschrift van verweerster;

-    een e-mailbericht van klager van 15 mei 2020.

2.4    Klager heeft kort vóór aanvang van de zitting telefonisch aan de griffie laten weten dat hij niet zal verschijnen omdat hij niet weet of verweerster komt en hij bij haar afwezigheid zijn komst niet zinvol acht. Indien verweerster ter zitting verschijnt verzoekt hij om aanhouding van de zaak.

2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 21 september 2020 waar verweerster is verschenen. Klager is (met bovengenoemd afwezigheidsbericht) niet verschenen. Het is aan partijen om  zelfstandig te bepalen of zij ter zitting zullen verschijnen. Het verzoek van klager om aanhouding wordt dan ook afgewezen omdat hij op de hoogte was van de zitting maar er voor heeft gekozen om niet te verschijnen.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij:

a)    in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 20 door klager geen afschrift te sturen van de conclusie van dupliek die verweerster heeft ingediend;

b)    de rechtbank heeft laten weten dat zij gelijktijdig met het indienen van de conclusie van dupliek een kopie aan de wederpartij (klager) heeft gestuurd terwijl dit niet het geval was.

4    FEITEN

In hoger beroep stelt het hof de volgende feiten vast.

4.1    Klager is verwikkeld in een geschil met de cliënten van verweerster. In dat kader is een procedure aanhangig bij de Rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).

4.2    Op 28 februari 2019 heeft de advocaat van klager zich teruggetrokken, en dit medegedeeld aan de rechtbank en aan verweerster. In het daarbij gebruikte B2-formulier is als toelichting vermeld: ‘Cliënt is geïnformeerd en weet van de gevolgen’ en: ‘Het vriendelijke verzoek verdere correspondentie rechtstreeks aan cliënt te richten’. Op dat moment stond de procedure bij de rechtbank op de rol van 27 maart 2019 voor conclusie van dupliek aan de zijde van de cliënten van verweerster.

4.3    Op 25 maart 2019 hebben klager en verweerster telefonisch contact, waarbij verweerster meldt dat zij een paar dagen later bij de rechtbank een conclusie van dupliek gaat indienen, en dat klager daar geen afschrift van krijgt omdat hij geen advocaat meer heeft. Vervolgens biedt verweerster aan, hem een afschrift toe te sturen en vraag naar zijn adresgegevens maar klager wenst deze niet te verstrekken.

4.4    Verweerster heeft de conclusie van dupliek op 27 maart 2019 ingediend bij de rechtbank, zonder daarvan een afschrift aan klager te sturen. Op het B-formulier waarmee de conclusie van dupliek – door de procesadvocaat van verweerster - is ingediend is een vinkje gezet bij “wederpartij geïnformeerd”.

4.5    Op 22 mei 2019 heeft de rechtbank (eind-)vonnis gewezen.

4.6    Op 11 juni 2019 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

4.7    Op 6 augustus 2019 heeft klager een brief ontvangen van de rechtbank, met als bijlage de conclusie van dupliek. In die brief staat, voor zover relevant, onder meer het volgende:

“Uit het formulier waarmee de conclusie van dupliek is ingediend, volgt dat gedaagden “de wederpartij” hebben geïnformeerd over deze conclusie van dupliek. Dit is conform het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken, waarin is bepaald dat de partij die een conclusie indient, zorgt voor gelijktijdige toezending van een kopie van de conclusie aan de wederpartij. (...)

Voor zover u klaagt dat de conclusie van dupliek niet aan u is doorgestuurd, geldt het volgende. In het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken is bepaald dat een conclusie in enkelvoud bij de rechtbank wordt ingediend, en dat een partij zelf zorgt voor gelijktijdige toezending daarvan aan de wederpartij. In het formulier waarmee de conclusie van dupliek is ingediend, wordt bevestigd dat u als wederpartij bent geïnformeerd. Anders dan u kennelijk veronderstelt, had de rechtbank niet tot taak de ingediende conclusie aan u door te sturen. Een afschrift van de conclusie van dupliek is overigens alsnog bij deze brief gevoegd.”

5    BEOORDELING

5.1    Het hof stelt voorop dat de klacht betrekking heeft op het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager. Volgens vaste rechtspraak van het hof komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden ingeperkt als de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat deze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend. Het optreden van verweerster dient aan de hand van deze maatstaf beoordeeld te worden.

5.2    Het hof stelt verder voorop dat de tuchtrechter het handelen of nalaten van de advocaat over wie geklaagd wordt dient te toetsen aan de norm van artikel 46 Advocatenwet. De gedragsregels voor advocaten vormen daarbij een richtlijn, maar of het niet naleven van een gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt per geval door de tuchtrechter beoordeeld.

5.3    De raad heeft geoordeeld dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door geen afschrift van de conclusie van dupliek aan klager te sturen nu zij dit wel heeft aangeboden aan klager maar dat deze heeft geweigerd haar de daartoe benodigde (adres)gegevens te verstrekken. Klager is in hoger beroep gekomen tegen deze (deel)beslissing van de raad.

5.4    De raad heeft vervolgens geoordeeld dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft doordat haar procesadvocaat op het aan de rechtbank toegezonden B-formulier een vinkje heeft gezet bij “wederpartij geïnformeerd”, waardoor bij de rechtbank de indruk is gewekt dat aan klager een afschrift van de conclusie van dupliek is toegezonden, terwijl dat niet zo was. Gelet op de aard en ernst van deze overtreding, ziet de raad geen aanleiding om een maatregel op te leggen. Verweerster is in hoger beroep gekomen tegen deze (deel)beslissing van de raad.

klachtonderdeel a) toesturen conclusie van dupliek

5.5    In een procedure tussen klager en cliënten van verweerster heeft verweerster (door tussenkomst van haar procesadvocaat) op 27 maart 2019 een conclusie van dupliek ingediend bij de rechtbank. Klager werd op dat moment niet meer bijgestaan door een advocaat.

5.6    Op grond van Gedragsregel 20 dient de advocaat er bij het overleggen van stukken aan de rechter aan wiens oordeel de zaak is onderworpen, rekening mee te houden dat de wederpartij een reactie daarop voldoende zorgvuldig moet kunnen voorbereiden.

5.7    Klager verwijt verweerster dat zij in strijd heeft gehandeld met Gedragsregel 20 door geen afschrift van de conclusie van dupliek toe te sturen aan zijn voormalig advocaat, zoals door hem verzocht in een telefoongesprek met verweerster op 25 maart 2019.

5.8    Klager heeft in hoger beroep een transcriptie overgelegd van genoemd telefoongesprek, voor zover dat ziet op het toesturen van een afschrift van de conclusie van dupliek. Verweerster heeft ter zitting - desgevraagd - verklaard dat deze weergave van dit gedeelte van het gesprek correct is zodat het hof zich zal baseren op deze transcriptie. Uit de transcriptie valt op te maken dat verweerster onderkende dat klager geen advocaat meer had, aan wie zij de conclusie zou kunnen toesturen. Zij heeft vervolgens klager aangeboden om het direct aan hem te doen toekomen: ‘Ik wil het wel naar u sturen, maar dan heb ik wel uw gegevens nodig’. Verweerster heeft klager er daarbij op gewezen dat hij het anders niet zou ontvangen: ‘Ik ga zo meteen een stuk indienen en dat ziet u dan dus niet als u geen advocaat hebt’ en wijst klager er vervolgens op dat (anders dan klager veronderstelde) hij dit niet van de rechtbank toegestuurd zou krijgen: ‘Nou, de rechtbank stuurt het niet naar u’.

5.9    Omdat klager (zo blijkt uit de door hem zelf opgestelde transcriptie) de gevraagde gegevens niet wenst te verstrekken, kan verweerster niet worden verweten dat zij het afschrift niet aan klager heeft toegestuurd - zeker niet nu verweerster hem nadrukkelijk op de consequenties heeft gewezen.

5.10    De mogelijke (wat halfslachtige) wijziging van de opstelling door klager (zo daar al sprake van is) op een later moment in het telefoongesprek maakt dat niet anders, zeker niet nu hij niet alsnog ondubbelzinnig en zonder terughoudendheid de benodigde gegevens verstrekt. Het hof interpreteert deze opstelling van klager ook in breder verband, en wel zijn zeer vijandige en beledigende houding tegenover verweerster zoals blijkt uit zijn e-mails naar de deken van 24 juni 2019 en 15 augustus 2019, door hem eerder ingediende klachten tegen verweerster en de van hem afkomstige whatsapp-berichten (bijlagen 4 en 5 en 7 t/m 9 bij de e-mail van 4 januari 2020 van verweerster aan haar gemachtigde).

5.11    Het verwijt van klager dat verweerster ten onrechte heeft geweigerd om de conclusie van dupliek te sturen naar het kantoor van zijn voormalige advocaat, treft geen doel. Het verzoek daartoe is niet afgestemd met bedoelde advocaat en bovendien zodanig onbepaald (klager zegt:  ‘Ik denk dat het daar dan terecht komt’)  dat verweerster er voor heeft kunnen kiezen om dit voorstel af te wijzen – zeker nu zij na de terugtreding door deze voormalige advocaat niet wist hoe de verhouding tussen hem en klager was. Het hof wijst in dit verband op het verzoek van de voormalige advocaat aan de rechtbank om na zijn terugtreding verdere correspondentie direct naar klager te sturen. Het hof leidt hieruit af dat de voormalige advocaat (anders dan klager, zonder nadere onderbouwing, stelt) niet bereid was om als postadres te fungeren.

5.12    De bij de raad ingenomen stelling van klager dat verweerster ten onrechte heeft geweigerd om de conclusie van dupliek te sturen naar een e-mailadres van klager behoeft geen behandeling omdat klager deze stelling in hoger beroep niet meer heeft ingenomen en derhalve (naar het hof begrijpt) heeft laten varen – nog daargelaten dat het een e-mailadres was dat vijf jaar lang niet meer was gebruikt door verweerster zodat zij gerede twijfel kon koesteren of haar stukken aldus in goede orde zouden aankomen.

5.13    Gelet op voorgaande is het hof (met de raad) van oordeel dat dit klachtonderdeel  ongegrond is. Het hoger beroep van klager zal worden afgewezen.

klachtonderdeel b) vinkje op B-formulier

5.14    Klager verwijt verweerster verder dat zij de rechtbank heeft laten weten dat zij gelijktijdig met het indienen van de conclusie van dupliek een kopie aan de wederpartij (klager) heeft gestuurd terwijl dit niet het geval was, waardoor hij schade heeft geleden.

5.15    De raad heeft geoordeeld dat dit klachtonderdeel gegrond is omdat door het aankruisen van het vinkje op het aan de rechtbank toegezonden B-formulier bij “wederpartij geïnformeerd” bij de rechtbank ten onrechte de indruk is gewekt dat aan de wederpartij een afschrift van de conclusie van dupliek was toegestuurd. De rechtbank is aldus onjuist geïnformeerd, en het is de verantwoordelijkheid van verweerster erop toe te zien dat haar procesadvocaat het B-formulier dat bij de rechtbank wordt ingediend correct invult. Door dit na te laten heeft verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar jegens klager gehandeld.

5.16    Het hof komt tot een ander oordeel, op grond van het volgende.

5.17    Net als de raad stelt het hof vast dat niet is gebleken dat klager door het niet (althans niet tijdig) ontvangen van de conclusie van dupliek in zijn belangen is geschaad. Alsdan is klager met het aankruisen van genoemd vinkje op het B-formulier (als gevolg waarvan hij geen kopie zou hebben ontvangen, zo stelt klager) evenmin in zijn belangen geschaad. De rechtbank was bovendien al op de hoogte van het terugtrekken van zijn vorige advocaat, en heeft zelfs gewezen op de mogelijkheid om een andere advocaat te nemen (zoals klager ter zitting van de raad heeft verteld). Van deze mogelijkheid heeft hij (kennelijk) geen gebruik gemaakt. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat  klager nadelige gevolgen heeft ondervonden van het op deze wijze invullen van het B-formulier. Alsdan heeft hij geen belang bij dit klachtonderdeel, en zal het hof hem op dit punt niet-ontvankelijk verklaren.

5.18    Hetgeen klager in hoger beroep naar voren heeft gebracht (zijn stelling dat hij voornemens was om verwijzing naar een andere rechtbank te vragen, en een getuigenaanbod te doen) leidt niet tot een ander oordeel. Immers, klager was op de hoogte van het indienen van de conclusie van dupliek op 27 maart 2019 (door de telefonische mededeling van verweerster twee dagen daarvóór). Hij had zoals gezegd ook een andere advocaat kunnen inschakelen, gebruikmakend van de daartoe door de rechtbank geboden mogelijkheid en had (ongeacht de inhoud van de conclusie) aan zijn gestelde voornemen uitvoering kunnen geven – zo daar al ruimte toe was in bedoelde procedure na dupliek. Door dit alles (naar het hof begrijpt, bewust) na te laten heeft hij zichzelf in de positie gebracht die hij verweerster ten onrechte verwijt. Het al dan niet aanvinken van “wederpartij geïnformeerd” op het B-formulier had niet tot een ander resultaat geleid.

5.19    Het hof merkt overigens op dat verweerster (voor mogelijk onjuist handelen bij het indienen van het B-formulier en overige administratieve handelingen) terecht verwijst naar de door haar ingeschakelde procesadvocaat. Verweerster heeft (onweersproken) gesteld dat zij met deze procesadvocaat voorafgaand aan het indienen van de conclusie heeft overlegd, en dat deze procesadvocaat op de hoogte was van de opstelling van klager en het terugtrekken van zijn advocaat. Indien en voor zover bedoeld vinkje al ten onrechte is gezet op het B-formulier, valt deze administratieve handeling verweerster in tuchtrechtelijke zin niet aan te rekenen. Onder de geschetste bijzondere omstandigheden mocht zij er op vertrouwen dat de door haar ingeschakelde (gespecialiseerde en ervaren) procesadvocaat op de juiste wijze de van verweerster afkomstige stukken aan de rechtbank zou doen toekomen. Alsdan kon van haar niet verwacht worden dat zij deze (administratieve) werkzaamheden tot in detail zou controleren. Zoals verweerster zelf al naar voren brengt staat dit overigens los van haar eventuele civielrechtelijke verantwoordelijkheid.

5.20    Het hof herhaalt bij dit klachtonderdeel, dat het niet beschikken over de conclusie van dupliek  (nog daargelaten dat klager daarvan geen schade heeft ondervonden) verweerster niet kan worden tegengeworpen. Zoals hiervóór overwogen is klager niet ingegaan op haar spontane aanbod om hem een afschrift sturen terwijl hij evenmin heeft gereageerd op haar waarschuwing dat hij dit niet van de rechtbank zou ontvangen. Onder deze omstandigheden kan klager het slechts zichzelf aanrekenen dat hij niet (tijdig) over de conclusie van dupliek beschikte.

5.21    Gelet op voorgaande is het hof van oordeel dat klager op dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk is vanwege gebrek aan belang, zodat het hoger beroep van verweerster slaagt.

slotsom

Het hoger beroep van klager zal worden afgewezen, het hoger beroep van verweerster zal worden toegewezen en de uitspraak van de raad zal (in zoverre)  worden vernietigd.

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- vernietigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 9 maart 2020, gewezen onder nummer 19-730/A/A met uitzondering van de ongegrondverklaring van klachtonderdeel a)

en opnieuw rechtdoende:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in klachtonderdeel b).

Aldus gewezen door mr. A.M. van Amsterdam, voorzitter, mrs. M.P.C.J. van Bavel en H.J.P. Robers, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Hoorn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2020 .

griffier    voorzitter            

De beslissing is verzonden op 16 november 2020.