Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TAHVD:2020:117 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 190105H

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2020:117
Datum uitspraak: 22-06-2020
Datum publicatie: 23-06-2020
Zaaknummer(s): 190105H
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Herziening
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Herzieningsverzoek advocaat. Verzoekster heeft in het kader van artikel 1.2 Herzieningsprotocol geen feiten aangevoerd die voor de beslissing van het hof hebben plaatsgevonden en destijds niet bekend konden zijn bij verzoekster. Dat verzoekster het niet eens is met de feitenvaststelling door het hof doet daar niet aan af. Ook heeft verzoekster onvoldoende aangevoerd voor een geslaagd beroep op art. 1.2 sub b Herzieningsprotocol (geen eerlijk proces). Dat het hof gemotiveerd een bewijsaanbod van verzoekster heeft gepasseerd is onvoldoende voor de conclusie dat een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden. Dat de tuchtrechters vooringenomen en ‘kritiekloos’ de zaak hebben behandeld is eveneens niet aannemelijk gemaakt. Verzoekster heeft geen zwaarwegende omstandigheden aangevoerd die de vrees rechtvaardigen dat mogelijk sprake is van partijdigheid. Voor zover verzoekster heeft aangevoerd dat zij geen eerlijk proces bij de raad heeft gehad, geldt dat zij daarvoor herziening bij de raad had kunnen vragen. Herzieningsverzoek niet-ontvankelijk.

BESLISSING                       

van 22 juni 2020

in de zaak 190105H

naar aanleiding van het verzoek tot herziening van:

verzoekster

1    DE BESLISSING WAARVAN HERZIENING WORDT VERZOCHT

1.1    Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (verder: de raad) van 18 maart 2019, gewezen onder nummer 18-797/A/NH. Daarin is van de klacht van [naam klaagster hoofzaak] (verder: klaagster) de onderdelen a), b), c), d) en f) gegrond verklaard. Klaagster is niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel e). Aan verzoekster is de maatregel van schorsing voor de duur van vier weken opgelegd. De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRAMS:2019:63. Verder heeft de raad een herstelbeslissing gewezen waarin de ingangsdatum van de schorsing is bepaald. Deze herstelbeslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRAMS:2019:68.

1.2    Verzoekster heeft tegen de beslissing van de raad beroep ingesteld bij het Hof van Discipline (verder: het hof). Dit heeft geleid tot de beslissing van 18 oktober 2019, gewezen onder nummer 190105, waarin de beslissing van de raad van 18 maart 2019 is vernietigd voor zover daarin de maatregel van schorsing voor de duur van vier weken is opgelegd. Het hof heeft de maatregel van schorsing voor de duur van zes maanden opgelegd. De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TAHVD:2019:185.

2    HET VERZOEK TOT HERZIENING

2.1    Verzoekster heeft per brief van 17 januari 2020 verzocht om herziening van die beslissing van het hof. Tevens heeft het hof op 3 april 2020 aanvullende stukken ontvangen van verzoekster. De griffie van het hof heeft klaagster in deze zaak (190105) in de gelegenheid gesteld te reageren op het herzieningsverzoek. Klaagster in de zaak met kenmerk 190105 wordt in de onderhavige beslissing verder aangeduid als klaagster. Verzoekster en klaagster worden hierna verder aangeduid als partijen.

2.2    De griffie van het hof heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling tijdens de openbare zitting van 20 april 2020, waar het hof de ontvankelijkheid van het herzieningsverzoek zou behandelen (ex artikel 1 van het herzieningsprotocol).

2.3    De griffie van het hof heeft partijen vervolgens op 2 april 2020 bericht dat de zittingen op basis van de door het kabinet genomen maatregelen in verband met de bestrijding van het Coronavirus tot 1 juni 2020 geen doorgang vinden.

2.4    Op 1 mei 2020 zijn partijen door de griffie van het hof geïnformeerd dat de zaak schriftelijk wordt afgedaan en dat de samenstelling van de kamer bestaat uit de voorzitter en leden die deze beslissing wijzen. Daarbij is bericht dat verzoekster nog de gelegenheid krijgt nadere stukken in te dienen, waarna klaagster de gelegenheid krijgt daarop te reageren. Verzoekster heeft per e-mail met bijlage van 13 mei 2020 nadere stukken ingediend, waarna klaagster daarop heeft gereageerd per e-mail met bijlage van 29 mei 2020.

2.5    Partijen is op 2 juni 2020 bericht dat het onderzoek is gesloten en dat vandaag in deze zaak uitspraak wordt gedaan.

3    BEOORDELING

Het herzieningsverzoek van verzoekster en de reactie van klaagster

3.1    Verzoekster heeft om herziening verzocht en daartoe de volgende onderdelen aangevoerd:

1. Er is sprake van schending van de waarheidsplicht door klaagster (art. 21 Rv). Er is door de advocaten van klaagster onjuiste informatie aan de rechter verstrekt in de civiele procedure, waardoor de tuchtrechter ook van verkeerde feiten is uitgegaan bij de beoordeling van de klacht.

2. Klaagster heeft zich onthouden van haar bewijslast. De bewijslast voor de gegrondverklaring van de klacht ligt in beginsel bij klaagster. Het hof is kritiekloos meegegaan in een juridische kwalificatie zonder wettelijke grondslag en heeft zich vooringenomen getoond. In dit verband geldt de norm van zorgvuldigheid, die volgt uit de gedragsregels voor de advocatuur, ook voor klaagster.

3. Het aangeboden getuigenverhoor van de cliënt van verweerster is geweigerd. Door het getuigenverhoor te weigeren is verzoekster gehinderd in haar verdediging. De cliënt van verzoekster had bij het hof kunnen toelichten wat zijn motivatie is van de noodzaak om te procederen en zijn zoon bij zich te houden.

4. De tuchtrechtelijke maatregel is buitenproportioneel en er is geen sprake geweest van een eerlijk proces. De voorzitter en de griffier van de raad hebben met voorkennis de zaak van klaagster tegen verzoekster behandeld, nu zij ook de klacht van de cliënt van verzoekster tegen de advocaten van klaagster hebben behandeld. Het hof is hier ten onrechte aan voorbij gegaan.

Daarbij heeft verzoekster toegelicht dat door het hof wordt miskend dat zij de opdracht van haar cliënt heeft uitgevoerd.

3.2    Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stellingen in het herzieningsverzoek.

De ontvankelijkheid van het herzieningsverzoek

3.3    Het hof stelt voorop dat tegen een beslissing van het hof in de Advocatenwet geen gewoon rechtsmiddel is opengesteld. De Advocatenwet voorziet evenmin in de mogelijkheid tot herziening van een uitspraak van de tuchtrechter.

3.4    Ingevolge artikel 1.2 van het herzieningsprotocol van het hof kan hij bij uitzondering verzoek om herziening ontvankelijk verklaren en in behandeling nemen. Van zo’n uitzondering kan sprake zijn als:

a. feiten of omstandigheden aan het licht komen die:

– hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

– bij de verzoeker vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn;

– het ernstige vermoeden rechtvaardigen dat het hof tot een andere beslissing zou zijn gekomen als deze vóór de uitspraak bij het hof bekend zouden zijn geweest. Aan alle drie deze vereisten moet zijn voldaan.

b. in de procedure bij het hof geen sprake is geweest van een eerlijk proces doordat een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden.

3.5    Het hof zal verzoekster niet-ontvankelijk verklaren in haar herzieningsverzoek en motiveert dit als volgt.

3.6    Voor zover verzoekster zich beroept op de grond uit sub a van artikel 1.2 herzieningsprotocol (later bekend geworden feiten), oordeelt het hof dat verzoekster geen feiten heeft aangevoerd die vóór de beslissing van het hof hebben plaatsgevonden en bij verzoekster voor die beslissing niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Dat verzoekster het niet eens is met de feitenvaststelling en de motivering in de beslissing doet in dit verband niet ter zake, omdat die stellingen een verkapt beroep inhouden – dat niet openstaat tegen de beslissing van het hof. Een beroep op sub a van artikel 1.2 herzieningsprotocol slaagt dan ook niet.

3.7    Binnen het kader van de grond uit sub b van artikel 1.2 herzieningsprotocol (geen eerlijk proces) heeft verzoekster allereerst aangevoerd dat zij is gehinderd in haar verdediging door de weigering van het hof een getuigenverhoor te gelasten.

Dit betoog faalt. Dat het hof op inhoudelijke gronden een bewijsaanbod passeert, maakt nog niet dat een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden waardoor verzoekster een eerlijk proces is onthouden.

Ten tweede heeft verzoekster zich in verband met sub b op het standpunt gesteld dat het hof kritiekloos is meegegaan in een juridische kwalificatie zonder dat daarvoor wettelijke grondslag aanwezig was en dat het hof zich vooringenomen heeft getoond. Vooropgesteld wordt dat elke tuchtrechter uit hoofde van zijn aanstelling vermoed wordt onpartijdig te zijn. Dit is alleen anders als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de tuchtrechter in kwestie vooringenomen is tegen verzoekster, althans dat de vrees daarvoor bij verzoekster objectief gerechtvaardigd is. De enkele en niet nader onderbouwde stelling dat het hof “kritiekloos is meegegaan in een juridische kwalificatie zonder wettelijke grondslag”, is daartoe bepaald onvoldoende.

Tot slot heeft verzoekster aangevoerd dat zij geen eerlijk proces heeft gehad in de procedure bij de raad. Ook dit onderdeel slaagt niet, omdat verzoekster hiervoor herziening van de beslissing bij de raad had kunnen vragen. De herzieningsprocedure bij het hof is enkel bedoeld voor herzieningen van beslissingen van het hof (en niet van de raad).

3.8    Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat geen uitzondering aanwezig is die de behandeling van het herzieningsverzoek rechtvaardigt en zal verzoekster niet-ontvankelijk verklaren in haar herzieningsverzoek.

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar herzieningsverzoek.

Aldus gewezen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. G. Creutzberg en J.M. Atema, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Verwey, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2020.

griffier    voorzitter   

De beslissing is verzonden op 22 juni 2020.