Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSHE:2020:9 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 19-716/DB/LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2020:9
Datum uitspraak: 03-02-2020
Datum publicatie: 05-02-2020
Zaaknummer(s): 19-716/DB/LI
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Advocaat heeft een van de wederpartij op zijn derdengeldenrekening ontvangen bedrag direct overgemaakt aan zijn cliënte, terwijl niet  vast stond dat zijn cliënte als rechthebbende in de zin van artikel 3 van de statuten stichting derdengelden kon worden beschouwd en door de wederpartij bovendien per email en bij de overschrijving een duidelijk voorbehoud was gemaakt dat het overgeboekte bedrag niet aan de cliënte van de advocaat mocht worden overgemaakt zolang discussie bestond over zijn verplichting tot voortgezette betaling van alimentatie. Gegrond, waarschuwing

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort

‘s-Hertogenbosch

van 3 februari 2020

in de zaak 19-716/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

1          Verloop van de procedure

1.1      Per webformulier van 31 maart 2018 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg een klacht ingediend over verweerder.

1.2      Bij brief aan de raad van 18 oktober 2019 met kenmerk K19-073, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement          de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3      De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 16 december 2019 in aanwezigheid van klager, de partner van klager en verweerder.

1.4      De raad heeft kennis genomen van:

-       de brief van de deken van 18 oktober 2019, met bijlagen;

-       de email van klager aan de raad van 10 oktober 2019 met bijlage.

2          FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1      Klager en zijn ex-echtgenote zijn bij convenant van 30 juni 2010 overeengekomen dat de door klager aan zijn ex-echtgenote te betalen bijdrage in haar levensonderhoud zou eindigen bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van klager te weten 31 maart 2018.

2.2      Klager heeft de betaling van de bijdrage in het levensonderhoud aan zijn ex-echtgenote beëindigd per 31 maart 2018.

2.3      Verweerder heeft klager bij brief van 15 mei 2018 gesommeerd tot betaling van de achterstallige alimentatie over de maanden april en mei 2018. De ex-echtgenote van klager stelde zich op het standpunt dat wegens de onvoorziene omstandigheid dat de pensioengerechtigde leeftijd van klager door de overheid werd verhoogd naar 66 jaar en 4 maanden de verplichting van klager tot betaling van de bij voormeld convenant overeengekomen bijdrage in haar levensonderhoud pas eindigde op 31 juli 2019.

2.4      Klager heeft op 6 juni 2018 een bedrag van € 715,89 (betreffende de maanden april tot en met juni 2018) op de derdengeldrekening van het kantoor van verweerder gestort. Verweerder heeft voormeld bedrag overgemaakt naar de rekening van zijn cliënte met als omschrijving: “voorlopige alimentatie apr., mei en juni ’18 in afwachting rechterlijke uitslag op verzoek vervolgbetaling alimentatie”.

2.5      Verweerder heeft bij brief van 7 juni 2018 de ontvangst van de betaling bevestigd aan klager. Hij schreef onder meer het volgende: ”(……) Met die betaling erkent u dat de partneralimentatie verplichting wordt voortgezet tot aan uw pensioengerechtigde leeftijd. Ik acht het derhalve niet nodig een verzoekschrift in te dienen tot verlenging van de partneralimentatieverplichting (….)”.

2.6      Klager heeft bij brief van 12 juli 2018 aan verweerder terugbetaling van het door hem betaalde bedrag van € 715,89 gevorderd.

2.7      Verweerder heeft namens zijn cliënte op 7 november 2018 bij verzoekschrift verzocht om met ingang van 31 maart 2018 een partnerbijdrage te bepalen van € 238,64, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag. Bij beschikking van 9 april 2019 heeft de rechtbank de bij echtscheidingsconvenant van 30 juni 2010 overeengekomen bijdrage voor levensonderhoud aan de vrouw gewijzigd en met ingang van 31 maart 2018 op nihil bepaald.

3          KLACHT

3.1      De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

1.    verweerder weigert een bedrag van € 715,89 zoals dit op zijn derdengeldenrekening is gestort aan klager te restitueren ondanks:

a)         het verzoek daartoe van de zijde van klager ;

b)         het vonnis van de rechtbank Limburg gedateerd 9 april 2019;

c)         de tekst bij de overschrijving op de derdengeldenrekening en de begeleidende email;

2.   verweerder klager heeft gechanteerd en op kosten gejaagd door niet te handelen;

3.   verweerder onwaarheden heeft verkondigd en klager ongegrond heeft beticht van malversaties.

4          VERWEER

4.1      De cliënte van verweerder stelde zich op het standpunt dat de betaling van klager partneralimentatie betrof en dat deze haar toekwam. Verweerder achtte zich gehouden het ontvangen bedrag door te betalen aan zijn cliënte. Op verweerder rustte geen verplichting dit bedrag onder zich te houden. Klager had het bedrag dan op de derdengeldrekening van de advocaat waar hij toen contact mee had moeten storten.

4.2      Hij ontving na ontvangst van de overboeking van het bedrag van €  715,89 door klager op de derdengeldenrekening van zijn kantoor een mededeling van de financiële administratie van zijn kantoor. Verweerder heeft pas maanden later kennis genomen van de omschrijving bij de overboeking.

4.3      Verweerder heeft in de discussies betreffende de alimentatieverplichting en de pensioenkwestie het standpunt van zijn cliënte verwoord.

5          BEOORDELING

5.1       De klacht heeft betrekking op het optreden van de advocaat van de wederpartij. De raad stelt voorop dat e en advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen. De raad zal de klacht met inachtneming van dit uitgangspunt beoordelen.

Ad onderdeel 1

5.2      Vast staat dat klager op 6 juni 2018 een bedrag van € 715,89 heeft overgeboekt op de derdengeldenrekening van het kantoor van verweerder met als omschrijving   “voorlopige alimentatie apr., mei en juni ’18 in afwachting rechterlijke uitslag op verzoek vervolgbetaling alimentatie”. Daarnaast schreef klager per email van 6 juni 2018 het volgende aan verweerder: “Bijgevoegd de reactie van mijn advocaat over lopende casus. Ik lees hieruit dat ik correct gehandeld heb door de alimentatie per datum pensionering 31-03-2018 te stoppen. Als uw cliënt hier niet mee eens is zal ze een verzoek tot verlenging bij de rechtbank moeten indienen. Hierop afwachtend heb ik al 3 maanden alimentatie gestort op uw stichting derdengelden in de verwachting dat afhankelijk van deze uitspraak óf het ten goede komt aan uw cliënt of dat het teruggestort wordt op mijn rekening.”

5.3      De raad stelt op grond van het bovenstaande vast dat klager zowel in de omschrijving bij de overboeking als in zijn email van 6 juni 2018 aan verweerder een duidelijk voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de bedoeling van diens betaling. Voor zover verweerder, zoals hij ter zitting van de raad ter verweer naar voren heeft gebracht , niet tijdig kennis heeft genomen van de omschrijving bij de overboeking, komt dit voor risico van verweerder en heeft klager hem hierover bovendien per email van 6 juni 2018 geïnformeerd. Dit verweer slaagt derhalve niet.

5.4      De raad stelt vast dat klager het bedrag van € 715,89 niet heeft overgeboekt naar de betaalrekening van het kantoor van verweerder, maar naar de derdengeldenrekening van het kantoor van verweerder. Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van de statuten van de stichting derdengelden is het doel van de stichting derdengelden:

a)    het ontvangen van derdengelden en andere vermogensbestanddelen, ten behoeve van rechthebbenden of degene die zal blijken rechthebbende te zijn;

b)    het tijdelijk beheren van hetgeen de stichting heeft ontvangen, een en ander voor rekening en risico van de rechthebbende of degen die zal blijken rechthebbende te zijn; en

c)    het betalen of overdragen van hetgeen de stichting heeft ontvangen aan de rechthebbende of degene die zal blijken rechthebbende te zijn.

Op grond van het bovenstaande dient een advocaat op de derdengeldenrekening van zijn kantoor ontvangen derdengelden over te maken naar de rechthebbende. Klager heeft hiermee voldaan aan de sommatie van verweerder van 15 mei 2018 om binnen vijf dagen de door klager verschuldigde alimentatie over te maken op de derdengeldenrekening van het kantoor van verweerder. Klager heeft hierbij zowel bij zijn overboeking als in zijn begeleidende email van 6 juni 2018 aan verweerder duidelijk een voorbehoud gemaakt, dat overboeking aan de cliënte van verweerder pas dan mocht geschieden indien middels een gerechtelijke uitspraak vaststond dat de cliënte van verweerder als rechthebbende kon worden beschouwd. Nu voor verweerder duidelijk was, althans duidelijk had behoren te zijn , dat niet vast stond dat zijn cliënte als rechthebbende in de zin van artikel 3 van de statuten stichting derdengelden kon worden beschouwd, stond het verweerder niet vrij het door klager op zijn derdengeldenrekening overgeboekte bedrag aan zijn cliënte over te boeken. Het verweer dat verweerder gehouden was het bedrag aan zijn cliënte als rechthebbende over te boeken slaagt op grond van het bovenstaande niet. Dat zijn cliënte de menig was toegedaan dat het geld haar toekwam betekent niet dat zij als rechthebbende in de zin van voormeld statuut kon worden beschouwd. Het doel van de stichting derdengelden is om op die rekening ontvangen gelden te beheren, totdat vast staat wie de rechthebbende is.

Verweerder heeft, ondanks het door klager bij de omschrijving van de overboeking en in zijn email van 6 juni 2018 duidelijk omschreven voorbehoud, per email van 7 juni 2018 in strijd met het door klager gemaakte voorbehoud geschreven dat hij met die betaling had erkend dat de partneralimentatie verplichting wordt voortgezet tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd. De raad is van oordeel dat verweerder op grond van het bovenstaande tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het eerste onderdeel van de klacht is gegrond.

Ad onderdelen 2 en 3

De onderdelen 2 en 3 hebben betrekking op de door verweerder namens zijn cliënte ingenomen en verwoorde standpunten. Uit de aan de raad overgelegde stukken en het ter zitting verhandelde is niet gebleken dat verweerder daarbij de grens die hem als advocaat van de wederpartij toekwam heeft overschreden. Het tweede en derde onderdeel van de klacht zijn ongegrond.

6          MAATREGEL

6.1      Het valt verweerder tuchtrechtelijk aan te rekenen dat hij een op zijn derdengeldenrekening ontvangen bedrag aan zijn cliënte heeft overgemaakt, zonder dat vast stond dat zij de rechthebbende was en dat hij, ondanks het door klager duidelijke verwoorde voorbehoud aan klager schreef dat hij met zijn betaling had erkend dat zijn alimentatie verplichting voortduurde tot diens pensioengerechtigde leeftijd. Naar het oordeel van de raad is de maatregel waarschuwing passend en geboden.

7          GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1     Omdat de raad de klacht [gedeeltelijk] gegrond verklaart, moet   verweerder op grond van artikel 46e, vijfde lid, Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50 aan hem vergoeden.

7.2     Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) €  50  reiskosten  van klager,

b) € 750  kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c)  € 500  kosten van de Staat.

7.3     Verweerder moet het bedrag van € 50 reiskosten binnen vier weken  nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden betalen aan klager. Klager geeft tijdig zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4     Verweerder moet het bedrag van € 750 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer 19-716/DB/LI.

7.5     Verweerder moet het bedrag van € 500 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer NL 05 INGB 0705 003981 t.n.v. Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder vermelding van “Tuchtrechtelijke kostenveroordeling advocatuur, DGRR” en het zaaknummer 19-716/DB/LI.

BESLISSING

De raad van discipline:

-           verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;

-           verklaart de klachtonderdelen 2 en 3 ongegrond;

-           legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-           veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van EUR 50 aan klager;

-           veroordeelt verweerder] tot betaling van de reiskosten van € 50 aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in [7.3] ;

-           veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 750 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4 ;

-           veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 500 aan de Staat, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.5 ;

Aldus beslist door mr. C.A. M. de Bruijn , voorzitter, mrs. N.M. Lindhout-Schot en A.J.F. van Dok, leden, bijgestaan door mr. I.J.M. Huysmans-van Opstal , als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2020.

Griffier                                                                                      Voorzitter