Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSGR:2020:177 Raad van Discipline 's-Gravenhage 19-442/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2020:177
Datum uitspraak: 16-11-2020
Datum publicatie: 11-12-2020
Zaaknummer(s): 19-442/DH/DH
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Verzet ingesteld door de deken. Het verzet is gericht tegen het oordeel van de voorzitter dat klaagster ontvankelijk is in een klacht(onderdeel) dat gaat over de kwaliteit van dienstverlening van verweerder aan zijn cliënt, de wederpartij van klaagster. Volgens de deken had klaagster in het klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. De raad heeft als volgt geoordeeld.   De manier waarop de advocaat van de wederpartij zijn werkzaamheden uitvoert of de belangen van zijn cliënt behartigt kan zodanig zijn, bijvoorbeeld ondermaats of onbegrijpelijk, dat de belangen van een wederpartij onnodig of onevenredig worden of kunnen worden geschaad zonder redelijk doel. In zo’n geval kan de wederpartij een eigen, rechtstreeks belang hebben en zal deze wederpartij in zijn klacht ontvankelijk moeten worden verklaard. Met de deken is de raad van oordeel dat klaagster in deze kwestie niet heeft gesteld en dat ook niet is gebleken dat zij rechtstreeks is benadeeld door de gestelde gebrekkige bijstand – wat daar ook van zij – van verweerder aan zijn cliënt. Het oordeel van de voorzitter dat klaagster in klachtonderdeel e ontvankelijk is, is dan ook onjuist en het door de deken ingestelde verzet is gegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 16 november 2020 in de zaak 19-422/DH/DH naar aanleiding van het verzet van

de deken van de orde van advocaten  in het arrondissement Den Haag de deken tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 25 september 2019 op de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 12 januari 2019 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Bij beslissing van 25 september 2019 heeft de voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht in alle onderdelen (a t/m e) kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 25 september 2019 verzonden aan partijen.

1.3    Op 23 oktober 2019 heeft de deken verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Klaagster heeft geen verzet ingesteld tegen de voorzittersbeslissing.

1.4    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 14 september 2020. Daarbij waren de deken en verweerder aanwezig. Klaagster heeft zich afgemeld.

1.5    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift van de deken.

2    VERZET

2.1    Het verzet van de deken ziet uitsluitend op de beslissing over klachtonderdeel e.

2.2    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in.

2.3    De voorzitter heeft klachtonderdeel e ontvankelijk verklaard. Dit oordeel is onjuist. Het klachtonderdeel betreft de kwaliteit van dienstverlening van verweerder aan zijn cliënt, de wederpartij van klaagster. Klaagster heeft geen belang bij dit klachtonderdeel en zij had daarin niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.

2.4    De deken heeft ter onderbouwing van zijn verzet vier punten naar voren gebracht. Ten eerste is voor de ontvankelijkheid van een klacht onder meer van belang dat een klager rechtstreeks wordt getroffen in zijn eigen belang door de gedraging van een advocaat. Daarvan is volgens de deken in deze kwestie geen sprake.

2.5    Ten tweede geniet een advocaat volgens de vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline een ruime mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen in overleg met die cliënt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beknot, tenzij de belangen van de wederpartij nodeloos worden geschaad. Van die situatie is volgens de deken geen sprake.

2.6    Ten derde stelt de deken dat de kernwaarden geheimhouding en partijdigheid onvoldoende worden geëerbiedigd als een klacht over de kwaliteit van de werkzaamheden van de wederpartij ontvankelijk wordt verklaard.

2.7    Ten vierde stelt de deken zich op het standpunt dat het ontvankelijk verklaren van klachtonderdeel e de mogelijkheid openstelt voor oneigenlijk gebruik van het klachtrecht.

3    FEITEN

3.1    Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder – die de belangen van de wederpartij van klaagster behartigt -, voor zover in deze verzetprocedure van belang, het volgende:

e) de dienstverlening van verweerder aan zijn cliënt is gebrekkig.

5    VERWEER

5.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd.

6    BEOORDELING

6.1    De voorzitter heeft bij beoordeling van de klacht terecht tot uitgangspunt genomen dat aan de advocaat van de wederpartij een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid, die mede voortvloeit uit de kernwaarde partijdigheid als bedoeld in artikel 10a Advocatenwet, mag niet ten gunste van een tegenpartij worden beknot, tenzij diens belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Deze vrijheid vindt haar begrenzing in de plicht van de advocaat zich te onthouden van (feitelijke) stellingen waarvan hij de onjuistheid kent of redelijkerwijs kan kennen. De ratio van deze beperking van bedoelde vrijheid van de advocaat is dat de rechter en de wederpartij door de onware feiten niet worden misleid. Daarbij moet wel in het oog worden gehouden dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid van dat feitenmateriaal en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. Daarnaast mag een advocaat zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij van zijn cliënt. Daarbij moet een advocaat in familiekwesties als de onderhavige in het algemeen waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden. Van een advocaat mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedure een grote rol kunnen spelen, met name belangen van kinderen.

6.2    Bij de beoordeling van klachtonderdeel e heeft de voorzitter, eveneens terecht, toegevoegd dat het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat slechts toekomt aan diegene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn eigen belang is of kan worden getroffen.

6.3    De manier waarop de advocaat van de wederpartij zijn werkzaamheden uitvoert of de belangen van zijn cliënt behartigt kan zodanig zijn, bijvoorbeeld ondermaats of onbegrijpelijk, dat de belangen van een wederpartij onnodig of onevenredig worden of kunnen worden geschaad zonder redelijk doel. In zo’n geval kan de wederpartij een eigen, rechtstreeks belang hebben en zal deze wederpartij in zijn klacht ontvankelijk moeten worden verklaard (vgl. Hof van Discipline 14 mei 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:85). 

6.4    Met de deken is de raad van oordeel dat klaagster in deze kwestie niet heeft gesteld en dat ook niet is gebleken dat zij rechtstreeks is benadeeld door de gestelde gebrekkige bijstand – wat daar ook van zij – van verweerder aan zijn cliënt. Het oordeel van de voorzitter dat klaagster in klachtonderdeel e ontvankelijk is, is dan ook onjuist en het door de deken ingestelde verzet is gegrond.

6.5    De raad verklaart, gelet op het voorgaande, klaagster in klachtonderdeel e niet-ontvankelijk. De voorzittersbeslissing blijft voor het overige in stand, omdat daartegen geen verzet is ingesteld.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart het verzet gegrond;

- verklaart klaagster alsnog niet-ontvankelijk in klachtonderdeel e;

- bepaalt dat de voorzittersbeslissing voor het overige in stand blijft.

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. P.O.M. van Boven-de Groot en J.H.M. Nijhuis, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 16 november 2020