Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRARL:2020:282 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-114

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2020:282
Datum uitspraak: 19-10-2020
Datum publicatie: 02-02-2021
Zaaknummer(s): 20-114
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict
Beslissingen:
  • Berisping
  • Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie: Verzetbeslissing. Anders dan de voorzitter is de raad van oordeel dat klaagsters hun klaagschrift tijdig hebben ingediend. Het verzet is dan ook gegrond. Klachtonderdelen over het handelen van verweerder acht de raad in strijd met gedragsregel 15. Gegrond. Berisping.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 19 oktober 2020

in de zaak 20-114/AL/MN

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 20 april 2020 op de klacht van:

1. [klaagster sub 1]

2. [klaagster sub 2]

3. [klaagster sub 3]

klaagsters

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 13 maart 2019 hebben klaagsters bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 13 februari 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z841117 MM/SD van de deken ontvangen.

1.3    Bij beslissing van 20 april 2020 heeft de voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing is verzonden aan partijen.

1.4    Op 12 mei 2020 hebben klaagsters verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op diezelfde dag ontvangen.

1.5    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 21 augustus 2020. Daarbij waren de heer [N.], aandeelhouder van (een of meer van) klaagsters, mr. [M.], de gemachtigde van klaagsters en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.6    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd, van het verzetschrift met bijlagen van klaagsters, van de brief met bijlagen van 4 augustus 2020 van mr. [M] en van de ter zitting overgelegde verklaring van de heer [W.] (hierna: [W.]) van 26 augustus 2019.

2    VERZET

2.1    In de voorzittersbeslissing verwijst de voorzitter naar een e-mail van verweerder van 11 oktober 2013 aan de bestuurder van klaagsters. In die e-mail maakt verweerder melding van een e-mail van 8 april 2013 waarin zou zijn gesteld dat verweerder zich heeft schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling jegens klaagsters. De voorzitter heeft geoordeeld dat uit die e-mailcorrespondentie volgt dat klaagsters toen al kennis hadden kunnen nemen of hebben genomen van de gedragingen van verweerder (en dus niet pas eind 2017 zoals klaagster hebben betoogd) waarover zij op 13 maart 2019 bij de deken een klacht hebben ingediend. De voorzitter heeft op grond daarvan geoordeeld dat klaagsters te laat hun klacht hebben ingediend en hij heeft de klacht niet-ontvankelijk verklaard. 

2.2    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klaagsters pas eind 2017, en niet in 2013 zoals door de voorzitter is overwogen, kennis hebben genomen van het handelen van verweerder waarover klaagsters hebben geklaagd. Klaagsters hebben aangevoerd dat de email van 8 april 2013 - die klaagsters bij hun verzetschrift hebben gevoegd en die eerder geen deel uitmaakte van het klachtdossier - slechts betrekking had op het advies dat verweerder aan [W.] c.s. heeft verstrekt inzake zijn rechtspositie ten tijde van zijn ontslag. Daar heeft de onderhavige klacht echter geen betrekking op. De klacht ziet op het advies van verweerder aan [W.] c.s. inzake de beëindiging door [klaagster sub 3] (hierna: [klaagster sub 3]) van de licentieovereenkomst met [klaagster sub 1] en inzake de totstandkoming van de licentieovereenkomst tussen [klaagster sub 3] en [R.] Beheer B.V. (hierna: [R.] Beheer). Klaagsters hebben aangevoerd dat zij pas eind 2017, in de procedure tegen [W.], op de hoogte zijn geraakt van het handelen van verweerder.

2.3    Verweerder heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat klaagsters hun klacht te laat hebben ingediend en dat het verzet overeenkomstig de voorzittersbeslissing ongegrond dient te worden verklaard.

3    FEITEN

3.1    Voor de beoordeling van de klacht en het verzet gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

3.2    Klaagsters maakten onderdeel uit van een groep van vennootschappen. [Klaagster sub 2] was een 50% dochtervennootschap van [klaagster sub 1]. [Klaagster sub 1]. en [klaagster sub 3] hadden dezelfde aandeelhouders die in dezelfde verhouding in beide vennootschappen deelnamen.

3.3    [Klaagster sub 3] was passieve houdster van een octrooi ter zake van de ontwikkeling, productie en distributie van een gestabiliseerd siliciumzuur. [Klaagster sub 1] was ter zake van dit octrooi exclusieve licentienemer van [klaagster sub 3] en [klaagster sub 2] was vanaf 2012 exclusieve sublicentienemer van [klaagster sub 1] Het doel van de groep was om het door [klaagster sub 3] als passieve octrooihoudster gehouden octrooi in achtereenvolgens [klaagster sub 1] en [klaagster sub 2] te exploiteren.

3.4    [W.] was tot 18 februari 2013 bestuurder van [klaagster sub 1] en tot 11 april 2013 bestuurder van [klaagster sub 3].

3.5    Kort na zijn ontslag als bestuurder van [klaagster sub 1] en kort voor zijn ontslag als bestuurder van [klaagster sub 3] heeft [W.] in het geheim onderhandeld met [R.] Beheer. Op 6 april 2013 heeft [W.] in het geheim een licentieovereenkomst met [R.] Beheer gesloten waarbij [klaagster sub 3] de exclusieve licentierechten heeft toegekend aan [R.] Beheer.

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagsters verwijten verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft als advocaat werkzaamheden verricht voor [W.] - bestuurder en aandeelhouder van [klaagster sub 3] - terwijl verweerder op dat moment eveneens advocaat was van klaagsters.

b)    Verweerder heeft [W.] geadviseerd en daarmee de belangen van [S.] c.s. geschaad.

c)    Verweerder heeft [S.] c.s. niet geïnformeerd over zijn werkzaamheden in opdracht van [W.], terwijl verweerder advocaat was van [S.] c.s.

5    VERWEER

5.1    Verweerder heeft tegen de klacht in de kern het volgende verweer gevoerd. Verweerder heeft betoogd dat hij niet de advocaat was van klaagsters. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij [W.] in deze kwestie niet heeft geadviseerd. Hij was niet op de hoogte van het handelen van [W.] met betrekking tot de licentieovereenkomst.

6    BEOORDELING

6.1    De raad heeft allereerst te beoordelen of het verzet gegrond is. In de voorzittersbeslissing is overwogen dat klaagsters hun klacht te laat hebben ingediend. Klaagsters zouden al in 2013 op de hoogte zijn geweest van het handelen van verweerder waarop de klacht betrekking heeft en zij hebben pas in 2019 hun klacht ingediend. Daarbij heeft de voorzitter verwezen naar een e-mail van 8 april 2013. Die e-mail was genoemd in de stukken, maar maakte geen onderdeel uit van het dossier. In het verzetschrift hebben klaagsters aangevoerd dat die email slechts betrekking had op het advies dat verweerder aan [W.] c.s. heeft verstrekt inzake hun rechtspositie ten tijde van hun ontslagen. Daar heeft de onderhavige klacht echter geen betrekking op. Die klacht ziet op het advies van verweerder aan [W.] inzake de beëindiging door [klaagster sub 3] van de licentieovereenkomst met [klaagster sub 1] en inzake de totstandkoming van de licentieovereenkomst tussen [klaagster sub 3] en [R.] Beheer. Klaagsters hebben de e-mail van 8 april 2013 als bijlage bij hun verzetschrift gevoegd. De raad is van oordeel dat klaagsters in voldoende mate aannemelijk hebben gemaakt dat deze e-mail niet zag op het handelen van verweerder waarover in deze zaak wordt geklaagd. Ook overigens is niet gebleken dat klaagsters eerder dan eind 2017 kennis hebben genomen of redelijkerwijs kennis hebben kunnen nemen van het nalaten of handelen van verweerder waarop de klacht betrekking heeft. Anders dan de voorzitter is de raad daarom van oordeel dat klaagsters hun klaagschrift tijdig hebben ingediend. Het verzet is dan ook gegrond.

6.2    Nu het verzet gegrond is zal de raad thans de diverse klachtonderdelen beoordelen.

Ten aanzien van de klachtonderdelen a) en b)

6.3    De klachtonderdelen a) en b) lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

6.4    Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [W.] - de voormalig bestuurder van [klaagster sub 3] en [klaagster sub 1] - in het geheim heeft onderhandeld met [R.] Beheer in een aangelegenheid van klaagsters. Het resultaat van de onderhandelingen was dat de onder 3.3 genoemde exclusieve licentierechten aan [R.] Beheer zijn toegekend. Vervolgens heeft [R.] Beheer samen met [W.] een vennootschap opgericht en deze de verworven licentierechten in sublicentie gegeven. Klaagsters zijn hierdoor zwaar gedupeerd en zij hebben diverse procedures gevoerd tegen [W.] en [R.] Beheer. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 19 april 2016 geoordeeld dat het handelen van [W.] c.s. een onrechtmatige daad jegens klaagsters oplevert en heeft [W.] verboden zijn activiteiten ter zake de exploitatie van het gestabiliseerd siliciumzuur voort te zetten. Klaagsters verwijten verweerder dat hij [W.] bij het bovenomschreven handelen heeft geadviseerd, terwijl hij (ook) nog advocaat van klaagsters was. 

6.5    De eerste vraag die de raad dient te beantwoorden is of verweerder ten tijde van zijn gestelde handelen de advocaat van klaagsters was. De raad beantwoordt die vraag bevestigend.

6.6    Dit blijkt onder meer uit het feit dat verweerder in 2012 en 2013 [klaagster sub 1] vertegenwoordigde in een procedure tegen S. In zowel het tussenvonnis van de rechtbank Utrecht van 5 december 2012 als het eindvonnis van 4 september 2013 is verweerder als gemachtigde van [klaagster sub 1] genoemd. Dat er een opdrachtovereenkomst met [klaagster sub 1] bestond, blijkt ook uit een e-mail van verweerder aan [klaagster sub 1] van 11 oktober 2013 waarin verweerder aanstuurt op het beëindigen van de overeenkomst van opdracht tussen [klaagster sub 1] en het kantoor van [D.].

Ten slotte acht de raad bij de beantwoording van deze vraag van belang dat verweerder in 2010 een participatieovereenkomst heeft opgesteld. Weliswaar heeft verweerder dat in opdracht gedaan van de vennootschap [P.] N.V. en niet van klaagsters, maar verweerder heeft deze overeenkomst wel opgesteld ten behoeve van de partijen bij deze overeenkomst en die partijen waren [klaagster sub 3], [klaagster sub 1] en hun aandeelhouders. De heer [N.] heeft tijdens de zitting ook onweersproken opgemerkt dat hij destijds (mede-)aandeelhouder was in [P.] N.V., dat die vennootschap een tijdelijk vehikel was om de licentie in onder te brengen alvorens de licentie naar [klaagster sub 3] ging en dat [P.] N.V. ten tijde van het ondertekenen van de participatieovereenkomst al was opgeheven. Ook met betrekking tot het sluiten van die overeenkomst in 2010 verrichtte verweerder dus werkzaamheden voor klaagsters.

Gelet op het bovenstaande is de raad van oordeel dat is gebleken dat verweerder de advocaat was van [klaagster sub 1]. Gelet op de sterke verbondenheid tussen de drie klaagsters, zoals hierboven is omschreven, is de raad van oordeel dat dat evengoed geldt voor de andere twee klaagsters.

6.7    De volgende vraag die de raad dient te beantwoorden, is of verweerder [W.] heeft geadviseerd, zoals hem door klaagsters wordt verweten. De raad overweegt daarover het volgende.

6.8    In de procedure van klaagsters tegen [W.] c.s. bij de rechtbank Midden-Nederland is namens [W.] meermalen en in verschillende processtukken (onder andere de conclusie van antwoord in conventie van 1 november 2017 en de conclusie van dupliek in conventie van 18 april 2018) betoogd dat [W.] c.s. zich bij de overdracht van de licentierechten aan [R.] Beheer heeft laten adviseren door verweerder. Door [W.] c.s. is in die procedure onder meer gesteld dat verweerder [W.] adviseerde om als bestuurder van [klaagster sub 3] de licentieovereenkomst met [klaagster sub 1] te beëindigen en een nieuwe licentieovereenkomst te sluiten met [R.] en dat er vervolgens ook is gehandeld overeenkomstig dat advies.

Klaagsters hebben vervolgens verweerder hierover om opheldering gevraagd. Verweerder heeft daarop geantwoord dat het hem niet vrij staat om klaagsters daarover te informeren.

6.9    Voorts heeft verweerder in deze klachtprocedure een verklaring van [W.] ingebracht. De raad stelt vast dat [W.] in die verklaring bevestigt dat hij door verweerder (juridisch) is geadviseerd. [W.] verklaart onder meer, voor zover relevant, het volgende:

“Er diende zich een kans aan om met [R.] Beheer B.V. als nieuwe investeerder verder te gaan (…). Ik heb in het belang van de vennootschap [klaagster sub 3] en al haar aandeelhouders (…) de beslissing genomen om de licentierechten over te dragen aan [R.] Beheer B.V. Omdat ik juridisch niet onderlegd ben en geen fouten wilde maken, heb ik mij gewend tot mr. [D.]. Mr. [D.] zei mij om te handelen als bestuurder overeenkomstig de statuten.”

6.10    De raad is gelet op deze stukken van oordeel dat vast is komen te staan dat verweerder  - in de periode dat hij advocaat van klaagsters was – algemene adviezen heeft gegeven aan de toenmalige bestuurder van klaagsters. De raad kan niet met een voldoende mate van zekerheid vaststellen - zoals wel door klaagsters is betoogd - dat het verdergaande of inhoudelijke adviezen betroffen. Wel is gebleken dat de adviezen betrekking hadden op de beëindiging van de licentieovereenkomst tussen [klaagster sub 3] en [klaagster sub 1] en dat die strekten tot de totstandkoming van een licentieovereenkomst tussen [klaagster sub 3] en [R.] Beheer. De beëindiging van de licentieovereenkomst met [klaagster sub 1] en in directe samenhang daarmee de totstandkoming van de licentieovereenkomst met [R.] Beheer waren in strijd met de belangen van [klaagster sub 1] en [klaagster sub 2] Verweerder moet als advocaat van klaagsters hebben geweten dat het handelen van [W.] nadelig voor zijn cliënten was.

Bij dit oordeel heeft de raad meegewogen dat verweerder niet heeft gesteld (en ook overigens niet is gebleken) dat hij dacht dat [W.] als bestuurder namens klaagsters om advies kwam vragen. Verweerder heeft hierover slechts verklaard dat hij niet de advocaat van klaagsters was en W. over deze materie geen advies heeft gegeven.

6.11    Naar vaste jurisprudentie van het hof dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke norm, daarbij, ter invulling van deze norm, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

6.12    Regel 15 van de Gedragsregel 2018 bepaalt dat gelet op zijn gehoudenheid aan met name de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid het een advocaat niet is toegestaan tegelijkertijd voor meer dan één partij op te treden in een zaak waarin deze partijen een tegengesteld belang hebben of tegen een cliënt of een voormalige cliënt op te treden.

6.13    De raad is van oordeel dat verweerder – onder andere - in strijd met het bepaalde met deze gedragsregels tuchtrechtelijk verwijtbaar jegens klaagsters heeft gehandeld. Klachtonderdelen a) en b) worden dan ook gegrond verklaard.

Klachtonderdeel c)

6.14    Gelet op de klachtbrief begrijpt de raad dat dit klachtonderdeel (enkel) ziet op de weigering van verweerder om de vraag van [klaagster sub 3] en [klaagster sub 1] te beantwoorden of hij [W.] c.s. had geadviseerd over het opzeggen van de licentie. Deze vraag heeft verweerder per mail van 10 januari 2018 beantwoord met de zin: “Het staat mij niet vrij om u te informeren.”.

6.15    De raad is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder met deze weigering in 2018 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Op dat moment, in 2018, had hij mogelijk (ook) een geheimhoudingsplicht jegens [W.] c.s. In zoverre is niet onbegrijpelijk, en evenmin tuchtrechtelijk verwijtbaar, dat verweerder zich niet vrij achtte de vraag te beantwoorden. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.

7    MAATREGEL

7.1    De raad is van oordeel dat verweerder een tuchtrechtelijk vergrijp heeft begaan. Verweerder heeft daarmee de kernwaarden partijdigheid en integriteit geschonden. In het nadeel van verweerder houdt de raad er rekening mee dat er geen blijk van heeft gegeven inzicht te hebben in het onjuiste van zijn handelwijze. In het voordeel van verweerder houdt de raad er rekening mee dat het oude feiten betreffen en dat hij niet eerder door de tuchtrechter een sanctie opgelegd heeft gekregen. Gelet op alle feiten en omstandigheden legt de raad verweerder de maatregel op van een berisping.

8    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

8.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagsters betaalde griffierecht van € 50,- aan hun vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagsters geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

8.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 50,- aan reiskosten van klaagsters,

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

8.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagsters. Klaagsters geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

8.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart het verzet gegrond;

-    verklaart de klachtonderdelen a) en b) gegrond;

-    verklaart klachtonderdeel c) ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagsters;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagsters, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 8.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 8.4.

Aldus beslist door mr. A.R. Creutzberg, voorzitter, mrs. P.J.F.M. de Kerf en H.J. Voors, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2020.

Griffier                                                              Voorzitter

Verzonden d.d. 19 oktober 2020