Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRARL:2020:277 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-889

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2020:277
Datum uitspraak: 02-11-2020
Datum publicatie: 18-01-2021
Zaaknummer(s): 17-889
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Wat in het algemeen niet betaamt
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Bezwaren van de deken
  • Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van faillissementscurator
Beslissingen: Schrapping
Inhoudsindicatie: Dekenbezwaar. Op basis van de zich in het dossier bevindende stukken staat voor de raad vast dat verweerder als curator de failliete boedel bewust heeft benadeeld door mee te werken aan een verkoop en een doorverkoop van een zich in de failliete boedel bevindend pand waarbij hij zou profiteren van de winst die door de doorverkoop zou worden gemaakt.  Daarnaast staat vast dat verweerder valse declaraties heeft opgemaakt waarop de rekeningnummers van zijn eigen vennootschappen waren vermeld en dat deze valse declaraties in totaal een aanzienlijk bedrag betroffen. Het dekenbezwaar is in zoverre gegrond. Met de in beide gegrond verklaarde klachtonderdelen vastgestelde gedragingen heeft verweerder de kernwaarde integriteit in grove mate, meermaals en gedurende langere tijd geschonden. Schrapping van het tableau.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 2 november 2020

in de zaak 17-889/AL/GLD

naar aanleiding van het dekenbezwaar van:

deken

over

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 26 oktober 2017 heeft de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) tegen verweerder een ambtshalve klacht ingediend onder toezending van het klachtdossier met kenmerk K16/147 van de deken.

1.2    Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 9 april 2018. Daarbij waren aanwezig de deken en verweerder, bijgestaan door mr. I.F. Schouwink, advocaat te Breda. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.3    De raad heeft op 23 juli 2018 een tussenbeslissing gewezen, waarbij het onderzoek is heropend en de deken is opgedragen aanvullend onderzoek te verrichten.

1.4    De deken heeft bij brief van 29 april 2019, met bijlagen, verslag gedaan van het verrichte onderzoek.

1.5    De behandeling van het dekenbezwaar is, nadat deze om diverse redenen een aantal keren is aangehouden, voortgezet op 7 september 2020, in aanwezigheid van de deken. Verweerder en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. De gemachtigde van verweerder heeft haar pleitnota bij brief van 8 juni 2020, met bijlagen, op voorhand aan de raad toegezonden. Op verzoek van verweerder is de zaak achter gesloten deuren behandeld. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.6    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.1 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5. Ook heeft de raad kennisgenomen van de brief, met bijlagen, van de deken van 29 april 2019, het e-mailbericht, met bijlage, van de deken van 15 november 2019, de op voorhand toegezonden pleitnota, met bijlagen, van de gemachtigde van verweerder van 8 juni 2020, alsmede het aanvullend e mailbericht van de gemachtigde van verweerder van 8 juni 2020.

1.7    De raad heeft geen acht geslagen op de bij de ter zitting uitgereikte pleitnota van de deken gevoegde bijlagen. Verweerder en zijn gemachtigde waren niet ter zitting aanwezig, waardoor zij niet de gelegenheid hebben gehad om hierop te reageren. Verweerder hoefde geen rekening te houden met de mogelijkheid dat ter zitting nog nieuwe stukken zouden worden overgelegd. 

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zittingen afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Verweerder is op 5 november 2008 benoemd tot curator in het faillissement van vennootschap J. Vastgoed B.V. (hierna: vennootschap J.). De faillissementsboedel bestond onder meer uit een pand dat  was verhuurd aan vennootschap G. Holding B.V., waarvan makelaar K. de vertegenwoordiger was.

2.3    Verweerder heeft in zijn hoedanigheid van curator het pand verkocht aan de besloten vennootschap N. B.V. (hierna: vennootschap N.), waarvan V. middellijk bestuurder was. Op 18 mei 2009 heeft V. een schriftelijk bod van € 195.000 op het pand gedaan en op 10 juli 2009 is de koopovereenkomst getekend. Op 1 september 2009 zou de levering plaatsvinden.

2.4    Op 25 september 2009 heeft vennootschap T. Vastgoed B.V. (hierna: vennootschap T.), met V. als eigenaar en enig bestuurder, de vennootschap H. Vastgoed B.V. (hierna: vennootschap H.) opgericht. Op dezelfde dag is een deel van de aandelen in vennootschap H. overgedragen aan vennootschap F. Holding B.V., waardoor verweerder, die de aandelen houdt in deze holding, middellijk eigenaar is geworden van 25 procent van de aandelen in vennootschap H. Vennootschap H. is een beleggingsvennootschap waarin verweerder en de heren V., K. en H. ieder voor 25 procent (middellijk) de aandelen houden.

2.5    Bij notariële akte van 30 september 2009 is het pand door verweerder geleverd aan vennootschap T. voor een bedrag van € 195.000. Op dezelfde dag is het pand doorgeleverd aan vennootschap R. Vastgoed B.V. voor een bedrag van € 268.000. V. heeft de winst van deze transactie ingebracht in vennootschap H.

2.6    Op 1 december 2016 heeft op het kantoor waar verweerder op dat moment werkzaam was, een zoeking door de FIOD plaatsgevonden. Aanleiding daarvoor was een verdenking dat verweerder in 2009 als curator op onrechtmatige wijze aan de failliete vennootschap J.  gelden had onttrokken ten gunste van vennootschap H. waarvan hij profijt heeft gehad.

2.7    In dezelfde periode hebben de deken van de zijde van (inmiddels) oud-kantoorgenoten van verweerder bezwaren bereikt tegen het optreden van verweerder. Deze bezwaren betreffen financiële handelingen waardoor het kantoor en ook de cliënten van het kantoor zijn benadeeld. Verweerder zou, aldus de oud-kantoorgenoten, valse facturen hebben opgesteld en deze buiten het kantoor om zelf hebben geïnd. De oud-kantoorgenoten hebben tegen verweerder een civiele procedure aanhangig gemaakt.

2.8    Verweerder heeft zich begin januari 2017 van het tableau laten afvoeren.

2.9    Het Openbaar Ministerie heeft in april 2019 aan verweerder bij strafbeschikking een werkstraf van 120 uur  opgelegd wegens bedrieglijke bankbreuk bij vennootschappen en/of verduistering gepleegd in zijn hoedanigheid van curator ten opzichte van enig goed dat hij als zodanig onder zich heeft. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie bepaald dat verweerder het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 32.510,- diende terug te betalen. Verweerder heeft geen verzet aangetekend tegen de strafbeschikking, die daardoor op 16 april 2019 onherroepelijk is geworden.

2.10    De onder 2.7 vermelde civiele procedure is begin 2020 beëindigd nadat een schikking tussen partijen is getroffen.

3    DEKENBEZWAAR

3.1    Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft als curator in een faillissement de boedel bewust benadeeld door een pand te verkopen aan een bevriende relatie voor een laag bedrag in de wetenschap dat hij dit pand kon doorverkopen tegen een hoger bedrag, en door te delen in de winstopbrengst.

b)    Verweerder heeft grote bedragen onttrokken aan het kantoor waar hij op dat moment werkzaam was door het opmaken van valse declaraties voor cliënten van dat kantoor en die declaraties door zijn eigen vennootschappen buiten het kantoor om te innen.

c)    Verweerder heeft stelselmatig onwaarheden verkondigd over zijn afkomst en familiefortuin en zodoende een beeld van zichzelf geschetst dat niet overeenstemt met de waarheid.

3.2    Tijdens de zitting heeft de voorzitter de deken erop gewezen dat in de met het dekenbezwaar meegezonden stukken en ook in het verslag van de deken van 29 april 2019 wordt vermeld dat verweerder bij DAS ten onrechte uren in rekening zou hebben gebracht, maar dat dit verwijt niet als klachtonderdeel in het dekenbezwaar is geformuleerd. Op de vraag van de voorzitter of de deken het dekenbezwaar met dit klachtonderdeel wenst uit te breiden, heeft de deken bevestigend geantwoord.

3.3    De raad wijst het onder 3.2 vermelde verzoek van de deken tot uitbreiding van het dekenbezwaar af. Hoewel het in rekening brengen van niet gewerkte uren bij DAS in de stukken van de klachtprocedure is vermeld, heeft verweerder in zijn schriftelijke verweer hier niet op gereageerd. Verweerder en zijn gemachtigde hebben besloten de zitting van 7 september 2020 niet bij te wonen, waardoor zij niet hebben kunnen reageren op een dergelijke uitbreiding van het dekenbezwaar. Bij het nemen van deze beslissing hoefden zij naar het oordeel van de raad geen rekening te houden met de mogelijkheid dat het dekenbezwaar ter zitting met een klachtonderdeel zou worden uitgebreid.

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.

Klachtonderdeel a)

4.2    Verweerder heeft ontkend dat hij faillissementsfraude heeft gepleegd. Hij heeft alleen ingestemd met de strafbeschikking vanwege zijn slechte gezondheidssituatie na een ernstig fietsongeluk in 2016. Sinds januari 2017 is hij geen advocaat meer en zijn fysieke toestand is zodanig dat terugkeer in de advocatuur is uitgesloten. Verweerder heeft door in te stemmen met de strafbeschikking geen schuld erkend. Er is geen strafrechter aan te pas gekomen die heeft geoordeeld over de verdenking. Nu tuchtrechtelijk hetzelfde verwijt wordt gemaakt als in de strafprocedure, kan de tuchtrechter geen oordeel van de strafrechter hierover overnemen. Verweerder heeft voorts in zijn verweer naar voren gebracht dat niet hij, maar een kantoorgenote zich heeft beziggehouden met de dagelijkse gang van zaken in het faillissement. Verweerder heeft geen overeenkomst gesloten of toestemming van de rechter-commissaris gevraagd. Wel heeft hij met de koper gecommuniceerd dat geboden kon worden en op welke wijze dit kon worden gedaan. Van een op handen zijnde doorlevering in september 2009 was verweerder in mei en juli 2009, toen de koop werd gesloten, niets bekend. Dit bleek hem pas op het moment van de levering van het pand in september 2009. Hij heeft derhalve de failliete boedel niet bewust benadeeld door als curator het pand te verkopen aan vennootschap N.  Verder heeft verweerder erop gewezen dat hij het woord ‘we’ in zijn e-mails heeft gebruikt, omdat hij dichtbij zijn cliënten stond en dit een voor hem gebruikelijke manier van communiceren was. Verweerder heeft wel erkend dat hij niet juist heeft gehandeld toen hem in september 2009 bleek dat V. zijn door de doorverkoop behaalde winst in vennootschap H. wilde inbrengen. Hij had uit vennootschap H. moeten stappen of aan de bel moeten trekken, aangezien hij als curator in de eerste verkoop van het pand was opgetreden. Hij heeft dit niet gedaan omdat uitstappen financieel op dat moment niet mogelijk was.     

Klachtonderdeel b)

4.3    Verweerder heeft erkend dat hij werkzaamheden buiten het kantoor om bij cliënten in rekening heeft gebracht en tevens dat dit in totaal een fors bedrag betrof. Hij heeft hieraan toegevoegd dat dit met medeweten van het kantoor is gebeurd en dat zijn toenmalige kantoorgenoten niet zijn benadeeld.

Klachtonderdeel c)

4.4    Verweerder heeft erop gewezen dat zijn vader aannemer was, goed heeft verdiend en daardoor verweerder een goede financiële start heeft kunnen geven. Verweerder kan niet worden verweten dat bij zijn kantoorgenoten kennelijk de gedachte is gaan leven dat hij de zoon van een vermogend aannemer met een algemene naamsbekendheid was. Na de begrafenis van de vader van verweerder had een voormalig kantoorgenoot die daarbij aanwezig was, in ieder geval kunnen weten dat deze perceptie onjuist was. Tijdens de begrafenis zijn namelijk de gerealiseerde bouwprojecten van de vader van verweerder besproken en deze betroffen geen projecten van de aannemer met een algemene naamsbekendheid.

5    BEOORDELING

Klachtonderdeel a)

5.1    De raad stelt vast dat het in dit klachtonderdeel gaat om het handelen van verweerder als faillissementscurator. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline blijft het advocatentuchtrecht ook gelden voor een advocaat die in een andere hoedanigheid optreedt. Indien hij zich bij de vervulling van zijn taak in die andere hoedanigheid zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt ondermijnd, zal in het algemeen sprake zijn van een handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt, waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

5.2    Op basis van de zich in het dossier bevinden stukken staat voor de raad vast dat verweerder als curator de failliete boedel bewust heeft benadeeld door mee te werken aan een verkoop en een doorverkoop van een zich in de failliete boedel bevindend pand waarbij hij zou profiteren van de winst die door de doorverkoop zou worden gemaakt. De volgende stukken in het dossier zijn met elkaar in samenhang bezien voor de raad doorslaggevend geweest.

5.3    De e-mail van verweerder van 16 mei 2009 aan V., K. en H.:

“Heren, V. is oprichter, maar we nemen daarna aandelen over. Iedereen dus formulier C invullen, of in elk geval ondertekenen. Graag maandag a.s. retour dan kan ik het afmaken met notaris. V., wil jij (of nader te noemen meester) in een eenvoudige mail (richten aan […] mailadres) bod doen op panden aan […]weg? Bod € 195K kk waarbij je toezegt zelf met curator de boedelbijdrage te regelen? Afnemen per 1 september? Ik geef je tijd om dat hok kwijt te zijn voor we het überhaupt zelf afnemen. Ook mooi. Pas tekstvoorbeeld maar naar believen aan. Tekstvoorbeeld (…)

5.4    De e-mail van 25 augustus 2009 aan verweerder, waarin het volgende is vermeld:

“Ik ben net met […] aan de […]weg geweest. Hij doet een voorstel van € 260.000,- met aanvaarding zsm. Hij kan gelijk betalen. Ik wil meer zien. Ik had € 275.000,- aangegeven. Ik denk dat als we net onder de € 270.000,- doen dat ik hem zover krijg (…).”

5.5    De e-mail van verweerder van 25 augustus 2009 waarin hij als volgt heeft gereageerd:

“Wat mij betreft afwikkelen. Probeer er nog wat bij te krijgen en klaar is het. Als we een dikke 70K pakken is dat gewoon lekker. “

5.6    Verklaring V-001-02 in het proces-verbaal van de FIOD, waarin verweerder onder meer het volgende heeft verklaard:

“Ik vind het gek dat ik het in alle openheid heb gedaan. Ik herinner me nu dat ik aandeel heb gehad in de aankoop en de eerste verkoop van het pand aan de […]weg 18-1/18-2. Hierin heb ik een kwalijke rol als curator vervuld, het is gegaan zoals in de mail staat ondanks dat ik me de mails niet meer kan herinneren. […] kwam bij mij met het verhaal dat hij het pand wilde kopen. Hij vertelde mij op enig moment dat hij het wel met winst zou kunnen verkopen. Hij gaf daarbij aan dat als hij het pand met winst zou verkopen dat ik daar ook een deel van zou krijgen. Hoeveel we ervoor zouden krijgen wisten we toen nog niet. Maar na het tonen van de mails is het weer naar boven gekomen en ik heb er spijt van.”

5.7    Uit de onder 5.3 vermelde e-mail van verweerder van 16 mei 2009 blijkt dat hij het initiatief heeft genomen tot het sluiten van de koopovereenkomst in mei 2009. Tevens blijkt met name uit de zinsnede “Ik geef je de tijd om dat hok kwijt te zijn voordat we het überhaupt zelf afnemen” dat op dat moment door verweerder al rekening werd gehouden met een doorverkoop van het pand na levering voor een hoger bedrag, waardoor de failliete boedel zou worden benadeeld. Uit deze e-mail komt verder naar voren dat verweerder al op dat moment bezig was met de oprichting van vennootschap H., waarin de later door de doorverkoop behaalde winst is ingebracht. Verweerder heeft blijkens het in 5.7 vermelde proces-verbaal tegenover de FIOD verklaard dat hij in de aankoop en de eerste verkoop van het pand een kwalijke rol als curator heeft vervuld. Verweerder kan dan ook niet worden gevolgd in zijn verweer dat hij ten tijde van de verkoop in mei 2009 en de ondertekening van de koopovereenkomst in juli 2009 geen weet heeft gehad van een voorgenomen doorverkoop en dus niet bewust de boedel heeft benadeeld. Verweerder kan evenmin worden gevolgd in zijn verweer dat niet hij, maar een voormalige kantoorgenote in de periode mei – juli 2009 zich bezig heeft gehouden met het sluiten van de koopovereenkomst. Blijkens zijn e-mail van 16 mei 2009 is verweerder wel degelijk actief betrokken geweest bij de verkoop van het pand; verweerder heeft V. uitgenodigd om een bod te doen, hij heeft een voorstel voor de hoogte van dit bod gedaan en tot slot een tekstvoorbeeld voor een dergelijk bod meegestuurd.

5.8    Verweerder heeft ontkend dat het doel van de transacties was om zichzelf te bevoordelen. Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat het gebruik van het woord “we” in zijn e-mails voor hem een gebruikelijke wijze van communiceren is, die ermee te maken heeft dat hij dicht bij zijn cliënten stond, maar dat dit  niet wijst op het behalen van een eigen voordeel. Dit verweer faalt. Het in de onder 5.6 vermelde e-mail van 25 augustus 2009 gebruikte woord “we” in de zinsnede “als we een dikke 70K pakken is dat gewoon lekker” ligt in het verlengde van het gebruik van het woord “we” in e-mail van 16 mei 2009. Tegen die achtergrond staat het voor de raad vast dat het woordgebruik van verweerder niet kan worden opgevat als identificatie met zijn klant, maar als de intentie om via vennootschap H. op enige wijze zelf ook te profiteren van de doorverkoop van het pand in september 2009. Daaraan doet niet af dat met de meerwaarde de inbreng van V. in vennootschap H. is gefinancierd. Immers mede door die inbreng kon vennootschap H. doen waarvoor zij was opgericht, het maken van (belegging)winst ten behoeve van de gezamenlijke aandeelhouders waarvan verweerder er (middellijk) een was.  

5.9    De raad is van oordeel dat deze gedragingen van verweerder bij de vervulling van zijn taak als curator dusdanig ernstig zijn, dat sprake is van een schending van het vertrouwen in de advocatuur. De raad rekent hem dit zwaar aan. Klachtonderdeel a) zal gegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel b)

5.10    De raad stelt vast dat verweerder zowel in de onderhavige klachtprocedure als in de door zijn voormalig kantoor aangespannen civiele procedure heeft erkend dat hij in ieder geval voor één cliënt van het kantoor valse declaraties heeft opgemaakt waarop de rekeningnummers van zijn eigen vennootschappen waren vermeld, waardoor de gelden naar zijn eigen bankrekening zijn overgemaakt in plaats van naar de rekening van het kantoor. Tevens heeft verweerder erkend dat de valse declaraties  in totaal een aanzienlijk bedrag betroffen. Van met het voormalig kantoor van verweerder hierover gemaakte afspraken is de raad niet gebleken.

5.11    Verweerder heeft in zijn verweer nog naar voren gebracht dat zijn voormalige kantoorgenoten niet zijn benadeeld door zijn handelen. Het feit dat een schikking is getroffen waarbij het kantoor mogelijk schadeloos is gesteld, doet echter naar het oordeel van de raad niet af aan de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van de handelwijze van verweerder. Verweerders handelen vormt een grove schending van de kernwaarde (financiële) integriteit. Dat het, zoals verweerder heeft aangevoerd, uitsluitend zijn relatie als advocaat met zijn kantoor betreft, laat onverlet dat de kernwaarde is geschonden waardoor ook het vertrouwen in hem als advocaat is aangetast. Klachtonderdeel b) zal dan ook gegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel c)

5.12    In dit klachtonderdeel wordt verweerder verweten dat hij stelselmatig onwaarheden heeft verkondigd over zijn afkomst en familiefortuin. Verweerder heeft dit betwist. Uit de stukken in het dossier blijkt dat bij diverse kantoorgenoten de gedachte leefde dat verweerder behoorde tot een aannemersfamilie met een algemene naamsbekendheid. Tevens blijkt uit de stukken dat verweerder deze indruk heeft laten voortbestaan, althans niet actief heeft bestreden. Hoewel het hem had gesierd als hij het onjuiste beeld had rechtgezet, valt het verweerder niet tuchtrechtelijk te verwijten dat hij dit heeft nagelaten. Op basis van de overgelegde stukken kan niet worden vastgesteld dat verweerder actief heeft bewerkstelligd, door het doen van mededelingen, dat deze onjuiste indruk is ontstaan. Van een advocaat kan niet worden verwacht dat hij elke onjuiste indruk die omtrent zijn persoon is ontstaan, corrigeert. Mogelijk is dat anders als hij weet of had moeten weten dat personen zich door de onjuiste indruk tot een bepaald handelen of nalaten laten leiden, maar daarvan is niet gebleken. Klachtonderdeel c) zal om die reden ongegrond worden verklaard.

6    MAATREGEL

6.1    Klachtonderdelen a) en b) zijn gegrond. Beide klachtonderdelen raken de in artikel 10a lid 1 sub a en d Advocatenwet vastgelegde kernwaarden, waaronder met name de kernwaarde integriteit. De integriteit van een advocaat is een belangrijke, zo niet de belangrijkste, kernwaarde van de advocatuur. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij die waarde beschermt, zich van die waarde voortdurend bewust is en dat hij zijn handelwijze afstemt op het voorkomen van twijfel daarover. Met de door de raad in beide klachtonderdelen vastgestelde gedragingen heeft verweerder deze integriteit echter in grove mate, meermaals en gedurende langere tijd geschonden. Voor een advocaat die op een dergelijke manier kernwaarden  met voeten treedt, is geen plaats in de advocatuur. De raad is daarom van oordeel dat de meest vergaande maatregel van schrapping van het tableau passend en geboden is.

6.2    Verweerder heeft zich in januari 2017 vrijwillig laten schrappen van het tableau. Dit gegeven staat echter niet aan het opleggen van bovenvermelde maatregel in de weg. Het is immers vaste rechtspraak dat, ook als een advocaat als zodanig heeft gedefungeerd, een klacht tuchtrechtelijk kan worden behandeld en een maatregel kan worden opgelegd indien de verweten gedragingen dateren uit de periode waarin hij nog werkzaam was als advocaat.

7    KOSTENVEROORDELING

7.1    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen tot betaling van € 1.000,- voor de kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten.

7.2    Verweerder moet het bedrag van € 1.000,- binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdelen a) en b) gegrond;

-    verklaart klachtonderdeel c) ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van de schrapping van het tableau op, ingaande op de tweede dag na het onherroepelijk worden van deze beslissing;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2.

Aldus beslist door mr. J.R. Veerman, voorzitter, mrs. W. Korteweg en S.J. de Vries, leden, bijgestaan door mr. W.E. Markus-Burger als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2020.

Griffier                                       Voorzitter

Verzonden d.d. 2 november 2020