ECLI:NL:TADRARL:2020:229 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-739

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2020:229
Datum uitspraak: 20-10-2020
Datum publicatie: 22-12-2020
Zaaknummer(s): 19-739
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
  • Onvoorwaardelijke schorsing
  • Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie: Verweerder heeft het verweer dat hij namens klager heeft gevoerd in een procedure over de verhoging van partneralimentatie niet, althans niet voldoende feitelijk onderbouwd. Het gevoerde verweer was niet adequaat en de kwaliteit van dienstverlening daarmee ondermaats. Onder verantwoordelijkheid van verweerder is de beslissing van de rechtbank niet onverwijld naar klager gestuurd. Verweerder heeft op dit punt erkend dat hij een fout heeft gemaakt en heeft daarvoor ook zijn excuses gemaakt. Dit neemt niet weg dat verweerder ook in de nasleep van deze fout niet zorgvuldig heeft gehandeld. Het heeft te lang geduurd voordat hij contact opnam met klager en verweerder is niet voortvarend geweest bij het toesturen van het dossier ten behoeve van de opvolgend advocaat die voor klager hoger beroep zou instellen. De kernwaarde deskundigheid is in het geding en daarom is de raad van oordeel dat een onvoorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van acht weken passend is. De raad heeft bij het bepalen van de maatregel in aanmerking genomen dat aan verweerder eerder de maatregel van een deels onvoorwaardelijke schorsing is opgelegd.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem van 20 oktober 2020

in de zaak 19-739/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 12 maart 2019 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 25 oktober 2019 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 19/33 van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 25 oktober 2019. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 11.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Bij beschikking van 10 januari 2017 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken tussen klager en zijn ex-echtgenote (hierna: de vrouw). In de beschikking is het tussen klager en de vrouw overeengekomen echtscheidingsconvenant opgenomen.

2.3    In het op 19 december 2016 ondertekende convenant is onder meer bepaald dat klager tot 1 januari 2020 geen partneralimentatie zou betalen en vanaf die datum tot 1 januari 2028 een bedrag van € 500,- per maand.

2.4    Op 12 februari 2018 heeft de vrouw bij de rechtbank een verzoek ingediend dat strekt tot verhoging van de alimentatie.

2.5    Op 16 februari 2018 heeft klager verweerder om bijstand verzocht in een door de vrouw ingestelde procedure.

2.6    Op 10 april 2018 heeft verweerder, namens klager, een verweerschrift ingediend.

2.7    Bij beschikking van 13 juli 2018 heeft de rechtbank bepaald dat klager met ingang van 13 februari 2018 maandelijks € 4.450,- partneralimentatie aan de vrouw verschuldigd is. De rechtbank heeft in de beschikking onder meer het volgende overwogen over het door verweerder namens klager gevoerde ontvankelijkheidsverweer:

“(…) De man daarentegen geeft enkel aan dat de afspraken onderdeel waren van een groter geheel, een kaartenhuis, zoals hij het noemt. Weliswaar heeft hij ook aangevoerd dat alle daarvoor relevante cijfers en gegevens bij de totstandkoming van het convenant bij de vrouw bekend waren – en daarvan ook het bewijs aangeboden – maar gelet op de specifieke en onderbouwde – door de man niet betwiste – stellingen van de vrouw, had het op de weg van de man gelegen eveneens concreet aan te geven op basis waarvan de vrouw zich destijds had kunnen en moeten realiseren dat de man een veel grotere draagkracht had kunnen hebben en dat laatste heeft de man nagelaten. De rechtbank passeert dan ook het bewijsaanbod van de man en komt tot de conclusie dat de afspraken zijn aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven en dit rechtvaardigt een herbeoordeling van de onderhoudsverplichting van de man. (…)”

Over de draagkracht van klager heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

“(…) Hoewel hij dit in zijn verweerschrift had toegezegd, heeft de man evenwel nagelaten voldoende inzage te geven in zijn financiële positie, laat staan een draagkrachtberekening in het geding te brengen. Gelet daarop volgt de rechtbank het standpunt van de vrouw en gaat zij ervan uit dat de man met het door haar gestelde inkomen (…) in staat is om, naast zijn onderhoudsverplichting voor de kinderen, een bijdrage van € 4.450,00 bruto per maand voor de vrouw te voldoen. (…)”

2.8    Op 17 augustus 2018 is de beschikking aan klager betekend.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

a)    Klager heeft van verweerder geen opdrachtbevestiging ontvangen.

b)    De kwaliteit van dienstverlening was ondermaats.

c)    Verweerder heeft geen adequaat verweer gevoerd.

d)    Verweerder heeft klager de beschikking van 13 juli 2018 niet toegezonden. Klager raakte als gevolg daarvan pas op 17 augustus 2018 via de deurwaarder op de hoogte van een betalingsachterstand die op dat moment al € 31.150,- bedroeg.

e)    Verweerder heeft niet adequaat gereageerd toen klager hem confronteerde met zijn tekortkomingen. Verweerder heeft niet erkend dat hij in verzuim was. Verweerder reageerde traag toen klager hem in september 2018 vroeg om stukken uit het dossier te mogen ontvangen, omdat hij een nieuwe advocaat had.

3.2    De stellingen die klager aan zijn klacht ten grondslag heeft gelegd worden hierna, voor zover van belang, besproken.

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft verweer gevoerd dat hierna, voor zover van belang, zal worden besproken.

5    BEOORDELING

Klachtonderdeel a)

5.1    Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat klager in 2015 om zijn bijstand heeft gevraagd in verband met de echtscheiding. In juni 2015 heeft hij een opdrachtbevestiging naar klager gestuurd, waarin onder meer zijn honorarium en de voor zijn diensten geldende voorwaarden zijn opgenomen. Korte tijd na het eerste contact tussen klager en verweerder kwam overleg tussen klager en de vrouw tot stand, waardoor de bijstand van verweerder niet meer, althans slechts voor administratieve handelingen, nodig was. Verweerder heeft aan klager laten weten dat hij tot nader bericht van klager geen werkzaamheden zou verrichten. Verweerder heeft het dossier van klager niet afgesloten. Zijn werkzaamheden in 2018 heeft hij opgevat als een voortzetting van een eerder geopend dossier.

5.2    De raad is van oordeel dat de keuze van verweerder om de bijstand aan klager in 2018 op te vatten als een eerder geopend dossier niet ongeoorloofd is. Omdat klager dit niet gemotiveerd heeft weersproken, neemt de raad als vaststaand aan dat verweerder in 2015 een opdrachtbevestiging naar klager heeft gestuurd. Klager kon aldus in 2018 bekend worden geacht met het honorarium van verweerder en de voorwaarden waaronder hij zijn werkzaamheden zou verrichten. Dat verweerder in 2018 niet nogmaals een opdrachtbevestiging heeft gestuurd, is niet onbetamelijk. Klachtonderdeel a is ongegrond.

Klachtonderdelen b) en c)

5.3    De raad stelt voorop dat in civiele zaken en dus ook in familierechtzaken als uitgangspunt geldt dat verweren geconcentreerd gevoerd moeten worden en daarnaast dat standpunten feitelijk onderbouwd moeten worden. Verweerder heeft dit naar het oordeel van de raad niet, althans niet adequaat gedaan.

5.4    Uit de beslissing van de rechtbank blijkt dat in het verweerschrift aangekondigde stukken niet zijn overgelegd en dat het primaire ontvankelijkheidsverweer en het inhoudelijke (draagkracht)verweer onvoldoende feitelijk zijn onderbouwd. De verweren zijn op die grond verworpen.

5.5    Dat de verweren niet feitelijk onderbouwd zijn, is aan verweerder verwijtbaar. Als onweersproken staat immers vast dat klager de relevante (financiële) stukken tijdig naar verweerder heeft gestuurd en ook meerdere malen onder de aandacht van verweerder heeft gebracht. Verweerder heeft deze financiële stukken niet of onvoldoende gebruikt en hij heeft de terechte kritische vragen van klager over het te voeren verweer en de onderbouwing daarvan naast zich neergelegd. Bovendien heeft verweerder erkend dat hij niet met klager heeft besproken dat hij geen draagkrachtberekening zou maken, hoewel hij dat aan klager en aan de rechtbank had aangekondigd. Verweerder heeft hiermee jegens klager onzorgvuldig gehandeld en dit is tuchtrechtelijk verwijtbaar . De raad neemt bij zijn oordeel op dit punt in aanmerking dat (onder meer) de door klager al aan verweerder verstrekte financiële stukken in hoger beroep wel zijn overgelegd en er volgens klager toe hebben bijgedragen dat de alimentatie in hoger beroep met terugwerkende kracht op een lager bedrag is vastgesteld. Klachtonderdelen b en c zijn gegrond.

Klachtonderdeel d)

5.6    Klachtonderdeel d is gegrond. Verweerder heeft erkend dat hij op dit punt een fout heeft gemaakt. Verweerder heeft verklaard dat de beschikking door een kantoorgenoot in het dossier is gevoegd en vervolgens aan de aandacht van verweerder is ontsnapt. Verweerder heeft erkend dat deze gang van zaken valt onder zijn verantwoordelijkheid.

5.7    De raad bevestigt dat het inderdaad de verantwoordelijkheid van een advocaat is om stukken, in het bijzonder een rechterlijke beslissing, onverwijld naar de cliënt te sturen. De raad voegt toe dat het bovendien de verantwoordelijkheid is van de advocaat om, bijvoorbeeld via het roljournaal, in de gaten te houden of een beslissing al is uitgesproken. Dit geldt te meer in het geval een rechter op de zitting meer dan een mogelijke uitspraakdatum noemt, zoals de rechter volgens de onweersproken verklaring van klager heeft gedaan. De raad acht de wijze waarop verweerder heeft gehandeld niet zoals dat een behoorlijk handelend advocaat betaamt. Daarbij heeft de raad nog in aanmerking genomen dat het ging om een zaak waarin de belangen van de cliënt van verweerder groot waren.  

Klachtonderdeel e)

5.8    Als onweersproken staat vast dat klager op (vrijdag) 17 augustus 2018 op de hoogte raakte van de beslissing van de rechtbank en vanaf die dag telefonisch en via e-mail heeft geprobeerd om verweerder te spreken te krijgen. Verweerder heeft pas op (donderdag) 23 augustus 2018 per e-mail gereageerd op de gang van zaken rondom de beslissing en het niet toezenden ervan. Dit is naar het oordeel van de raad te laat. De keuze voor e-mail acht de raad bovendien ongelukkig.

5.9    Klager heeft onweersproken gesteld dat hij verweerder in september heeft gevraagd om toezending van het dossier aan de nieuwe advocaat van klager. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij de stukken op 8 oktober 2018 heeft verstuurd. Ook dit is te laat, in het bijzonder gelet op de termijn voor hoger beroep.

5.10    De raad is, alles overwegend, van oordeel dat verweerder niet adequaat heeft gehandeld, nadat hij op de hoogte raakte van de beslissing van 13 juli 2018 en zijn verzuim om klager van deze beslissing op de hoogte te stellen. Dit is onzorgvuldig jegens klager en niet zoals dat een behoorlijk handelend advocaat betaamt en ook klachtonderdeel e is gegrond.

6    MAATREGEL

6.1    Verweerder heeft het verweer dat hij namens klager heeft gevoerd in een procedure over de verhoging van partneralimentatie niet, althans niet voldoende feitelijk onderbouwd. Het gevoerde verweer was niet adequaat en de kwaliteit van dienstverlening daarmee ondermaats. Onder verantwoordelijkheid van verweerder is de beslissing van de rechtbank niet onverwijld naar klager gestuurd. Verweerder heeft op dit punt erkend dat hij een fout heeft gemaakt en heeft daarvoor ook zijn excuses gemaakt. Dit neemt niet weg dat verweerder ook in de nasleep van deze fout niet zorgvuldig heeft gehandeld. Het heeft te lang geduurd voordat hij contact opnam met klager en verweerder is niet voortvarend geweest bij het toesturen van het dossier ten behoeve van de opvolgend advocaat die voor klager hoger beroep zou instellen. De kernwaarde deskundigheid is in het geding en daarom is de raad van oordeel dat een onvoorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van acht weken passend is. De raad heeft bij het bepalen van de maatregel in aanmerking genomen dat aan verweerder eerder de maatregel van een deels onvoorwaardelijke schorsing is opgelegd.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a)    € 25,- aan reiskosten van klager,

b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c)    € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel a ongegrond;

-    verklaart klachtonderdelen b, c, d en e gegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van 8 weken op;

-    bepaalt dat de onvoorwaardelijk schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:

-    de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen,

-    verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat

-    de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. K.H.A. Heenk, voorzitter, mrs. S.M. Bosch-Koopmans en H.H. Tan, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2020.

Griffier                                                Voorzitter

Verzonden d.d. 19 oktober 2020