Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRARL:2020:101 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-622

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2020:101
Datum uitspraak: 06-01-2020
Datum publicatie: 15-05-2020
Zaaknummer(s): 19-622
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Bij het opstellen van zijn second opinion heeft verweerder zorgvuldig gehandeld door klaagster daarbij te betrekken, haar thuis te bezoeken en haar dossier te bestuderen. Voor deze werkzaamheden heeft verweerder een declaratie aan klaagster gestuurd. Het verwijt van klaagster dat deze declaratie pittig hoog was, is echter onvoldoende door klaagster onderbouwd en mist daardoor feitelijke grondslag. Dat verweerder zijn oordeel over de haalbaarheid van procedures tegen de buren van klaagster en het Kadaster ten onrechte heeft gebaseerd op verjaring en daarbij klakkeloos het eerste advies van mr. E heeft overgenomen kan de voorzitter, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, niet vaststellen. Klaagster heeft daartoe onvoldoende gesteld. Kennelijk ongegrond. 

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline

in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 6 januari 2020

in de zaak 19-622

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

tegen

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland van 13 september 2019 met kenmerk 2019 KNN084/955449, door de raad digitaal ontvangen op diezelfde datum, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    Klaagster is eigenaresse van het perceel [adres V nummer] 177 te [plaats]. Dit perceel is sinds 1889 in bezit van haar familie en had destijds een grootte van 18 are en 20 centiare.

1.2    De rechtsvoorganger van de huidige buren van klaagster van perceel [adres V nummer] 179 is de heer K. Hij is in 1982 op de [adres V nummer] 179 in 1982 komen wonen en heeft een strook grond, gelegen tussen de percelen 177 en 179 en de sloten, in bezit genomen.

1.3    Het Kadaster Zwolle (hierna: het Kadaster) heeft in 1983 de kadastrale grootte van het perceel [adres V nummer] 177 gewijzigd in 16 are en 60 centiare, zonder medeweten van de eigenaren van dat perceel c.q. klaagster.

1.4    Bij vonnis van 14 januari 1987 en bij arrest van 31 januari 1989 heeft de rechter geoordeeld over  het verschil van inzicht tussen klaagster met de toenmalige buurman van perceel 179  over de grootte van hun percelen. Het daarop door klaagster gevraagde cassatie advies luidde negatief.

1.5    Op enig later moment heeft klaagster advocaat mr. Van E geconsulteerd om de eigendom van de strook tussen de percelen [adres V nummer] 177 en de nieuwe eigenaren van [adres V nummer] 179 als de hare te laten vaststellen en de perceelgrootte van perceel [adres V nummer] 177 naar aanleiding daarvan door het Kadaster te laten herstellen. Op basis van een gevonden nieuw document, een koopovereenkomst uit 1885, kon zij bewijzen dat de toenmalige eigenaar van perceel [adres V nummer] 177, de heer P, destijds grond van perceel [adres V nummer] 179 heeft gekocht. Mr. Van E heeft klaagster bij brief van 28 maart 2019 laten weten geen mogelijkheden voor een procedure te zien vanwege verjaring van haar vordering en heeft klaagster geadviseerd om de kwestie te laten rusten.

1.6    Bij brief van 4 april 2019 heeft verweerder aan klaagster het volgende geschreven:

“Mr. [Van E] bezorgde mij een omvangrijk dossier over uw geschil met het kadaster. Naar ik begrijp, kunt u zich moeilijk verenigen met het aan u gegeven advies van mr. [Van E]. Uit de correspondentie maak ik op dat u behoefte heeft aan een second opinion over de juridische kansen en mogelijkheden in het dossier.

Ik zal deze second opinion graag vormen en met u delen in de vorm van een rapportage. Het door mij daarbij te hanteren uurtarief bedraagt € 200,- te vermeerderen met kantoorkosten (7,5%) en BTW.

Zodra  u mij opdraagt het dossier te beoordelen, zal ik me ertoe zetten.”

Bij brief van 8 april 2019 heeft klaagster aan verweerder haar toestemming voor het geven van een second opinion gegeven.

1.7    In het kader van zijn onderzoek heeft verweerder klaagster op 25 april 2019 thuis bezocht en daarna het door mr. Van E ter beschikking gestelde dossier bestudeerd.

1.8    Bij brief van 29 april 2019 heeft verweerder aan klaagster zijn oordeel gegeven, gelijkluidend aan het advies van mr. Van E, dat procedures tegen het Kadaster en/of de huidige eigenaren/buren van [adres V nummer] 179 geen positief resultaat zullen opleveren vanwege verjaring. En afsluitend:

“Hoewel de uitkomst voor u erg onbevredigend is, kan ik tot geen andere conclusie komen dan dat mr. [Van E] u juist heeft geadviseerd. Hij heeft aan zijn advies bovendien de juiste gevolgen verbonden door geen zinledige werkzaamheden voor u te verrichten. Ik spreek de hoop uit dat u zich kunt neerleggen bij de huidige situatie, opdat u met plezier kunt blijven wonen op uw prachtige locatie.”

1.9    Bij brief van 13 juni 2019 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven en in afwijking van de aanbiedingsbrief van de deken, volgens de klachtbrief van klaagster in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    in zijn brief van 29 april 2019 zijn oordeel over de haalbaarheid van procedures tegen de buren van klaagster en het Kadaster ten onrechte te baseren op verjaring en het eerste advies van mr. Van E aan klaagster klakkeloos over te nemen zonder een eigen advies te geven;

b)    te weigeren om het probleem van klaagster met het Kadaster aan te pakken en toch een pittige rekening aan klaagster te sturen;

c)    bij de overdracht van het dossier door mr. Van E aan hem in verband met de second opinion informatie te delen over de persoon van klaagster - ‘klaagster moet je korthouden’- als ook over de inhoud van de zaak, waardoor verweerder niet onafhankelijk van mr. Van E meer kon adviseren.

3    VERWEER

Voor zover relevant komt het gemotiveerde verweer van verweerder bij de bespreking van de klacht aan de orde.

4    BEOORDELING

4.1    De voorzitter stelt vast dat het in deze zaak een klacht tegen de eigen advocaat betreft. De tuchtrechter toetst de kwaliteit van de dienstverlening door de eigen advocaat in volle omvang. Daarbij wordt rekening gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft bij de manier waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes hij bij de behandeling kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat daarbij heeft is niet onbeperkt. Deze vrijheid wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld. Volgens deze eisen dient zijn werk te voldoen aan de binnen de beroepsgroep geldende professionele standaard. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

Ad klachtonderdelen a) en b)

4.2    Deze klachtonderdelen zien op de kwaliteit van de dienstverlening door verweerder en zullen worden beoordeeld aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf.

4.3    Naar het oordeel van de voorzitter kan, gelet op het klachtdossier en de gemotiveerde betwisting van verweerder van de hem gemaakte verwijten, niet worden vastgesteld dat verweerder klaagster niet naar behoren heeft bijgestaan. Blijkens de tussen hen gemaakte afspraken heeft verweerder van klaagster alleen de opdracht gekregen om een second opinion te geven over haar geschil met de eigenaren van [adres V nummer] 179 en het Kadaster over een stuk grond dat volgens klaagster bij haar perceel [adres V nummer] 177 hoorde. Een verdergaande opdracht kan daar niet uit worden afgeleid.

4.4    Bij het opstellen van zijn second opinion heeft verweerder zorgvuldig gehandeld door klaagster daarbij te betrekken, haar thuis te bezoeken en haar dossier te bestuderen. Voor deze werkzaamheden heeft verweerder een declaratie aan klaagster gestuurd. Het verwijt van klaagster dat deze declaratie pittig hoog was, is echter onvoldoende door klaagster onderbouwd en mist daardoor feitelijke grondslag.

4.5    Dat verweerder zijn oordeel over de haalbaarheid van procedures tegen de buren van klaagster en het Kadaster ten onrechte heeft gebaseerd op verjaring en daarbij klakkeloos het eerste advies van mr. E heeft overgenomen kan de voorzitter, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, niet vaststellen. Klaagster heeft daartoe onvoldoende gesteld. Als uitgangspunt geldt dat een advocaat, die bij een second opinion tot de conclusie komt dat er onvoldoende kans van slagen bestaat, de vrijheid heeft om zijn cliënt op basis van zijn eigen onderzoek negatief te adviseren. Dat is wat verweerder heeft gedaan en gelet op zijn vereiste deskundigheid, ook zo heeft moeten doen in de onderhavige kwestie. Dat klaagster met dat zijn second opinion niet tevreden was, kan verweerder dan ook niet tuchtrechtelijk worden verweten.

4.6    Aldus is van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder jegens klaagster geen sprake geweest, zodat de voorzitter klachtonderdelen a) en b) kennelijk ongegrond zal verklaren.

Ad klachtonderdeel c)

4.7    Het verwijt van klaagster dat verweerder bij de dossieroverdracht met mr. Van E onvriendelijke informatie over klaagster en over de inhoud van de zaak heeft gedeeld waardoor verweerder niet onafhankelijk zijn advies kon geven, is door verweerder betwist. Volgens hem is dat niet gebeurd, en heeft hij op basis van zijn eigen onafhankelijk onderzoek een deskundig advies aan klaagster gegeven. Gelet hierop is de juistheid van genoemde stelling van  klaagster en daarmee de gegrondheid van dit klachtonderdeel niet komen vast te staan.

4.8    Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzitter ook klachtonderdeel c) kennelijk ongegrond zal verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht in alle klachtonderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.R. Creutzberg, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. M.M .Goldhoorn als griffier op 6 januari 2020.

griffier                      voorzitter

Verzonden 6 januari 2020