Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRAMS:2020:88 Raad van Discipline Amsterdam 20-050/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2020:88
Datum uitspraak: 06-04-2020
Datum publicatie: 14-04-2020
Zaaknummer(s): 20-050/A/A
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
  • Waarschuwing
  • Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie: Deels gegronde klacht over de eigen advocaat. Het valt verweerder tuchtrechtelijk te verwijten dat hij geen nader onderzoek naar de feiten heeft gedaan. Verder is niet duidelijk wanneer en op welke wijze hij klaagster op de hoogte heeft gesteld van het vonnis van de kantonrechter. Waarschuwing en kostenveroordeling.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 6 april 2020

in de zaak 20-050/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over: 

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1.    Op 17 september 2018 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2.    Op 24 januari 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 703641 van de deken ontvangen.

1.3.    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 3 maart 2020. Daarbij waren klaagster en haar gemachtigde en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 26.

2    FEITEN

2.1     Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klaagster verleent zorg aan haar echtgenoot die een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt. Hiervoor ontvangt zij een vergoeding. In 2015 heeft zij deze zorg gedeeltelijk aan R, handelend onder de naam Ambulante Zorg R (hierna: R) uitbesteed.    

2.3.    Verweerder heeft klaagster in 2017 bijgestaan in een procedure tegen R bij de kantonrechter. Bij dagvaarding van 6 juni 2017 heeft hij gevorderd dat R wordt veroordeeld tot betaling van € 12.978,00. Aan deze vordering was ten grondslag gelegd dat klaagster met R had afgesproken dat zij de administratie van de echtgenoot van klaagster zou verzorgen en dat R ten onrechte het eerdergenoemde bedrag aan zichzelf heeft uitgekeerd.

2.4.     R heeft, in reactie op de dagvaarding, bij brief van 1 juli 2017 aan de kantonrechter onder meer het volgende meegedeeld:

“De klacht die [klaagster] uit, is onterecht en malicieus. Onterecht, omdat [R] aantoonbaar (zie bijgesloten zorgovereenkomst en werkurenbriefjes over betrokken maanden (…) zorg aan haar man heeft verleend heeft en malicieus, omdat de reden van het verbreken van bedoelde zorgovereenkomst geheel en al terug te voeren is op haar geldzucht.”

2.5.     Op 13 februari 2018 heeft een comparitiezitting bij de kantonrechter plaatsgevonden. Ter zitting heeft R een zorgovereenkomst tussen haar en klaagster overgelegd. Bij vonnis van 14 maart 2018 heeft de kantonrechter de vordering van klaagster afgewezen en klaagster veroordeeld in de proceskosten. In dit vonnis is - kort gezegd - overwogen dat de gemachtigde van klaagster tijdens de comparitie de vordering van klaagster heeft ingetrokken, dat R niet heeft ingestemd met doorhaling van de procedure en dat klaagster wordt aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder is nooit bereikbaar geweest.

b)    Verweerder heeft de zaak van klaagster tegen R op de zitting van 13 februari 2018 ingetrokken.

c)    Klaagster heeft het vonnis van 14 maart 2018 pas na het verstrijken van de beroepstermijn van verweerder ontvangen.

d)    Verweerder heeft een bedrag van € 2.300,- in rekening gebracht.

4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

5.1    De raad stelt voorop dat  bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt rekening moet worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij of zij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn of haar werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Voorts heeft te gelden dat de advocaat belangrijke afspraken, gezamenlijk genomen beslissingen, zoals niet in appel gaan, en soms ook een gegeven advies of informatie, schriftelijk dient vast te leggen. Indien de advocaat dit verzuimt, komt het bewijsrisico daaromtrent op de advocaat te rusten.

Klachtonderdeel a)

5.2    Verweerder heeft weersproken dat hij voor klaagster nooit bereikbaar is geweest en heeft ter onderbouwing e-mails tussen hem en de toenmalige vertrouwenspersoon/gemachtigde van klaagster (hierna: G) overgelegd. Uit deze e-mails komt naar voren dat verweerder en G in de periode van 13 september 2016 tot en met 25 oktober 2016 en op 15 en 16 februari 2017 regelmatig met elkaar hebben gecommuniceerd over het maken van een afspraak in verband met klaagsters zaak. Hiertegenover is de niet onderbouwde klacht van klaagster onvoldoende voor de conclusie dat sprake is geweest van verwijtbaar handelen van verweerder. Ook overigens zijn in het klachtdossier geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder onvoldoende bereikbaar is geweest voor klaagster. Klachtonderdeel a) is ongegrond.

Klachtonderdeel b)

5.3    Verweerder heeft ter zitting van de raad verklaard dat hij eerst op de zitting van 13 februari 2018 op de hoogte is geraakt van een zorgovereenkomst tussen klaagster en R. Hierdoor was de inhoud van de ingediende dagvaarding niet meer juist, omdat hieraan ten grondslag was gelegd dat R de administratie deed. Daarom heeft hij klaagster geadviseerd de zaak in te trekken en dat een nieuwe dagvaarding zou kunnen worden uitgebracht, aldus verweerder. De raad volgt verweerder niet in zijn standpunt dat hij niet eerder dan de zitting van 13 februari 2018 kon weten dat sprake was van een zorgovereenkomst. Van belang hierbij is de brief van R van 1 juli 2017 waarin zij aan de kantonrechter schrijft dat zij een zorgovereenkomst en werkbriefjes bijvoegt. Het betoog van verweerder ter zitting van de raad dat deze stukken bij deze brief ontbraken, kan verweerder niet baten. Niet valt in te zien waarom hij deze niet heeft opgevraagd bij de kantonrechter of bij R, dan wel bij klaagster daarover navraag heeft gedaan. De brief van R had voor verweerder aanleiding moeten vormen aan de inhoud van zijn dagvaarding te twijfelen en het had op zijn weg gelegen om al voor de zitting nader onderzoek te doen naar het al dan niet bestaan van een zorgovereenkomst. Door een nader onderzoek naar de feiten na te laten, heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel b) is gegrond.

Klachtonderdeel c)

5.4    Partijen verschillen van mening over de datum en de wijze waarop verweerder klaagster op de hoogte heeft gesteld van het vonnis van de kantonrechter van 14 maart 2018. Klaagster stelt dat zij dit vonnis niet van verweerder heeft ontvangen en pas na aandringen in juni 2018 op zijn kantoor heeft opgehaald. Volgens de schriftelijke reactie van verweerder heeft hij het vonnis op 14 maart 2018 telefonisch met klaagster besproken en op dezelfde dag per post aan klaagster gestuurd. Ter zitting van de raad heeft verweerder verklaard dat hij het vonnis bij een zorgcentrum aan klaagster heeft afgegeven. Klaagster heeft dit betwist.  

5.5    Mede gelet op de niet eenduidige verklaring van verweerder, kan de raad niet vaststellen wanneer en op welke wijze hij klaagster over het vonnis heeft geïnformeerd. Nu verweerder niet schriftelijk heeft vastgelegd wanneer en op welke wijze hij klaagster over het vonnis heeft geïnformeerd, komt het bewijsrisico daarover op hem te rusten. Verweerder heeft het bewijs, dat hij het vonnis voor het verstrijken van de beroepstermijn aan klaagsters heeft verstrekt, niet geleverd en hij heeft ook geen bewijsaanbod gedaan. De raad moet het er dan ook voor houden dat verweerder het vonnis niet (tijdig) aan klaagster heeft gegeven. Klachtonderdeel c) is gegrond. Daarbij verdient opmerking dat een hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter, vanwege het intrekken van de vordering weinig zinvol wordt geacht.

Klachtonderdeel d)

5.6    De raad begrijpt dit klachtonderdeel aldus dat klaagster zich niet kan verenigen met de hoogte van het door verweerder voor zijn werkzaamheden in rekening gebrachte bedrag. De raad stelt voorop dat de tuchtrechter geen declaratiegeschillen beoordeelt, maar wel waakt tegen excessief declareren. De klacht houdt niet in dat er sprake is van excessief declareren, waarvan de raad ook overigens niet is gebleken. Klachtonderdeel d) is ongegrond.

6    MAATREGEL

6.1    Gelet op wat in 5.3 en 5.5 is overwogen acht de raad onder de gegeven omstandigheden  de maatregel van een waarschuwing passend en geboden.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

b) € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart klachtonderdelen b) en c) gegrond;

-    verklaart klachtonderdelen a) en d) ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

Aldus beslist door mr. C. Kraak, voorzitter, mrs. P. van Lingen en H.B. de Regt, leden, bijgestaan door mr. G. Panday als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2020.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 6 april 2020

mededelingen van de griffier ter informatie:

Verzending

Deze beslissing is in afschrift gelijktijdig verzonden.