Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRAMS:2020:61 Raad van Discipline Amsterdam 19-815/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2020:61
Datum uitspraak: 16-03-2020
Datum publicatie: 26-03-2020
Zaaknummer(s): 19-815/A/A
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht over de eigen advocaat in alle onderdelen ongegrond. Het verwijt dat verweerster niet heeft gereageerd op het voorstel van de man en klaagster daardoor de kans is misgelopen de man uit te kopen voor € 100.000,- mist feitelijke grondslag. Verweerster heeft verder conform hetgeen zij met klaagster had afgesproken gehandeld.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 16 maart 2020

in de zaak 19-815/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over: 

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 5 maart 2019 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Bij brief aan de raad van 28 november 2019 met kenmerk 2019-805255, door de raad ontvangen op 29 november 2019, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 10 februari 2020 in aanwezigheid van klaagster, bijgestaan door mevrouw mr. E.E. Sprenkeling, en verweerster. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van de in 1.2 genoemde brief van de deken en de bijlagen 1 tot en met 17.

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1    Klaagster en haar (inmiddels) ex-echtgenoot (hierna: de man) zijn in 2004 gehuwd en hebben samen twee kinderen. In juli 2009 zijn zij feitelijk uit elkaar gegaan. Klaagster en de man hebben jarenlang getracht om tot afspraken te komen over met name de financiële afwikkeling van de echtscheiding, onder meer door middel van mediation. Een kantoorgenote van verweerster, mr. Van D, heeft klaagster in dat kader vanaf 2007 bijgestaan. Op 23 januari 2014 heeft de mediator een echtscheidingsadvies opgesteld.

2.2    Op 24 juli 2016 hebben klaagster en de man een overeenkomst gesloten, waarin onder meer is bepaald dat aan klaagster de echtelijke woning zou worden toebedeeld waarbij klaagster, na verrekening van diverse vorderingen over en weer, de man zou uitkopen voor een bedrag van € 100.000,-.

2.3    Bij per e-mail gestuurde brief van 29 september 2016 heeft de advocaat van de man mr. Van D onder meer geschreven dat zij de man niet kon adviseren het concept-convenant zoals dat er toen lag te ondertekenen en dat het gat € 252.588,- bedroeg. De advocaat van de man heeft in deze brief mr. Van D en klaagster uitgenodigd voor een viergesprek om te proberen in onderling overleg tot een minnelijke regeling te komen.

2.4    Van 10 oktober 2016 tot medio november 2016 heeft verweerster klaagster als advocaat bijgestaan als waarnemer van mr. Van D die met vakantie was.

2.5    Bij e-mail van 13 oktober 2016 heeft verweerster de advocaat van de man meegedeeld dat klaagster haar heeft verzocht een kort geding te starten over de verschuldigde onderhoudskosten nu klaagster geen vooruitgang zag in de onderhandelingen over de afwikkeling van de echtscheiding. Tevens heeft zij de advocaat van de man meegedeeld dat zij, in afwachting van een door de advocaat van de man voor de komende maandag (17 oktober 2016) aangekondigd (nieuw) voorstel voor een minnelijke regeling, voor die datum geen dagvaarding zou uitbrengen.

2.6    Bij per e-mail gestuurde brief van 17 oktober 2016 heeft de advocaat van de man verweerster onder meer geschreven dat indien klaagster de echtelijke woning wenste over te nemen, zij daarvoor een bedrag van € 356.550,- + € 113.500,- aan de man diende te betalen. De advocaat van de man heeft verweerster daarbij meegedeeld dat zij binnen 10 dagen een reactie wenste te ontvangen, bij gebreke waarvan de man een verzoek tot echtscheiding zou indienen.

2.7    Verweerster heeft het voorstel met klaagster besproken en klaagster verzocht bepaalde gegevens aan te leveren. Bij e-mail van 27 oktober 2016 heeft klaagster verweerster meegedeeld dat zij niet meer op zoek gaat naar bonnen en bewijzen omdat het tot niets leidt en verweerster verzocht niets meer te doen.

2.8    Bij e-mail van 28 oktober 2016 heeft verweerster klaagster (en de huidige partner van klaagster) onder meer geschreven:

“Met [klaagster] heb ik besproken op welke manier ik wil reageren op de brief van [de advocaat van de man]:

Vasthouden aan de overeenkomst waarbij [klaagster] [de man] uitkoopt voor 100.000. Er ligt gewoon een getekende overeenkomst.

Geen discussie meer over de onderlinge vorderingen zoals die zijn besproken in de mediation en waarover een advies is gegeven (…)

Evt. onderhandelen over de waarde van het huis en kinderalimentatie om een slepende echtscheidingsprocedure te voorkomen.

Voor de advocaat van [de man] wilde ik op een rij zetten hoe het bedrag van 100.000 tot stand is gekomen om te laten zien dat het heel redelijk is en ik wil aantonen dat [de man] akkoord is gegaan met die vorderingen/verrekeningen. Juist om zo min mogelijk discussies nog te hebben over allerlei afzonderlijke kostenposten. Ik heb [klaagster] gevraagd naar dat overzicht omdat ik dacht dat zij dit ook had en dit eenvoudig naar mij op te sturen was. Het is niet mijn bedoeling om [klaagster] weer nieuwe berekeningen en bewijsstukken te laten verzamelen. Ik begrijp dat [klaagster] daar wel klaar mee is. (…)

Als je kiest voor het alternatief: een echtscheidingsprocedure en een kort geding over de onderhoudskosten, dan betekent dat wel dat je stelt dat er geen overeenkomst is tot uitkoop (…) en dan moet je voor de rechter aantonen hoe hoog de kosten waren, dus met facturen en dergelijke. Ik denk dat je dan nog verder van huis bent.”

2.9    Bij e-mail van 1 november 2016 heeft verweerster klaagster een concept-brief aan de advocaat van de man toegestuurd met het verzoek daarop te reageren. Bij e-mail van dezelfde dag heeft verweerster geschreven nog wat aanmerkingen en aanvullingen te hebben, die zij pas die avond kan doorsturen. Bij e-mail van 3 november 2016 heeft verweerster klaagster nogmaals gevraagd om een reactie.

2.10    Op 11 november 2016 heeft de man een echtscheidingsverzoek met nevenvorderingen bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) ingediend.

2.11    In december 2016 heeft verweerster zich gesteld als advocaat van klaagster. Bij e-mail van 30 december 2016 heeft verweerster klaagster onder meer geschreven:

“Op verzoek van [mr. Van D] heb ik mij gesteld als jouw advocaat in de echtscheidingsprocedure (…) Dit was nodig omdat de termijn voor het indienen van het verweerschrift tegen het echtscheidingsverzoek op 1 januari 2017 verloopt. Ik heb daarbij een uitstel verzocht voor het indienen van het verweerschrift. (…)

Ik hoop dat jij en [mr. Van D] er met de wederpartij uit gaan komen, zo niet dan wil ik voor jou optreden in de procedure bij de rechtbank.”

2.12    Op 22 maart 2017 heeft klaagster verweerster documenten toegestuurd via ‘Dropbox’.

2.13    Op 24 maart 2017 heeft verweerster namens klaagster een verweerschrift echtscheiding tevens houdende zelfstandige verzoeken bij de rechtbank ingediend. Hierin staat, voor zover relevant:

“Bijdrage in de kosten van de kinderen

6. De vrouw is het niet eens met de door de man verzochte bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen omdat haar inkomen lager is dan de man stelt en er niet uitgegaan kan worden van een gelijke verdeling van de zorg. De kosten van de kinderen stelt de vrouw wel net als de man op € 1440 (…)

8. (…) Gezien het ontbreken van draagkracht bij de vrouw dient de man alle kosten van de kinderen op zich te nemen. (…)

Verdeling gemeenschappelijke woning

11. Partijen zijn voor de helft eigenaar van de voormaling gemeenschappelijke woning (…) De vrouw heeft met een bedrag van € 232.900 geïnvesteerd het pand en de man met een bedrag van € 100.000. Op 15 augustus 2016 is het pand getaxeerd op een waarde van € 1.800000 per 1 januari 2017 (…)

13. De vrouw wenst de woning en de hypotheek toebedeeld te krijgen. (…) De vrouw heeft met de man afgesproken dat zij in ieder geval in het huis mag blijven wonen met de kinderen totdat (…) klaar is met de basisschool. (…)

14. De vrouw verzoekt u primair om de man te veroordelen tot medewerking van de verkoop en levering van zijn aandeel in de woning aan haar, waarbij de man als tegenprestatie zal ontvangen een bedrag van € 100.000, conform de tussen partijen gesloten overeenkomst van 24 juli 2016. De man is gehouden tot nakoming van de tussen partijen bestaande overeenkomst.

15. Subsidiair verzoekt de vrouw u om de man te veroordelen tot medewerking van de verkoop en levering van zijn aandeel in de woning aan haar en te bepalen dat daarbij:

1- de waarde van de woning vastgesteld zal worden conform de waardebepaling van 15 augustus 2016;

2- op de overwaarde in mindering worden gebracht de investeringen die partijen in de woning hebben gedaan, berekend volgens de beleggingsleer;

3- het deel van de overwaarde waar de man aanspraak op kan maken verminderd wordt met de hieronder genoemde vorderingen van de vrouw.

16. Meer subsidiair verzoekt de vrouw u om te bepalen dat bij verkoop van de woning aan een derde de waarde van de woning gelijk is aan de verkoopprijs en dat de overwaarde tussen partijen verdeeld wordt (…)

Vorderingen met betrekking tot de kosten van huishouding als bedoeld in artikel 1:84

(…)

19. In de periode december 2004 tot juli 2009 heeft de vrouw € 165.000 uitgegeven aan de kosten van de huishouding, waaronder kosten van de kinderen en woonlasten, en de man € 99.000. Zij verzoekt u om de man te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 36.270. Voor een onderbouwing van dit bedrag verwijst zij naar pagina 11 en 13 van het echtscheidingsadvies.

20. Vanaf 2009 tot heden heeft de man geen bijdrage in de kosten van de kinderen betaald en geen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. (…) Voor de periode juli 2009 tot maart 2014 is de achterstallige bijdrage van de man in de betaling van de kosten van de kinderen berekend op € 99.180, zie pagina 6 van het echtscheidingsadvies. De vrouw verzoekt u om de man te veroordelen tot betaling van de achterstallige bijdrage in de kosten van de huishouding waaronder kosten van de kinderen en haar levensonderhoud, nader door haar te specificeren.”

2.14    Bij e-mail van 13 juli 2017 heeft verweerster klaagster onder meer geschreven:

“Het is in ieder geval nuttig als je vast een overzicht maakt van de kosten die je hebt gehad aan het onderhoud van het huis, zoals we dat laatst besproken hebben.”

2.15    Bij e-mail van 19 september 2017 heeft verweerster klaagster onder meer geschreven:

“Zullen we begin oktober contact hebben over de onderhoudskosten van het huis? Als we die alvast op een rijtje hebben, dan kunnen we die ruim voor de zitting indienen bij de rechtbank. Er zijn ook andere in het verweerschrift genoemde kostenposten, die ik verder wil onderbouwen met bewijsstukken, voor de zitting, laten we daar ook begin oktober contact over hebben.”

2.16    Op 19 oktober 2017 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen klaagster en verweerster. Naar aanleiding van deze bespreking heeft verweerster de (in 2.1 genoemde) mediator gevraagd haar te helpen om aan de hand van de door klaagster verzamelde facturen de namens klaagster ingediende verzoeken te onderbouwen.

2.17    Bij e-mail van 23 november 2017 heeft klaagster verweerster onder meer geschreven:

“wij (een administratief medewerkster en vriendin en ik) zijn (…) druk bezig met alles in kaart brengen;

- de kosten gemaakt voor huis (…)

- grote posten die nog bij het verleden komen die ik toen niet meegenomen heb (…)

We stoppen alles in mappen en onderbouwen met facturen.”

2.18    Bij e-mail van 7 december 2017 heeft de mediator verweerster een overzicht gestuurd van de diverse kosten. Bij e-mail van diezelfde dag heeft verweerster de mediator gevraagd om een overzicht van alle woonlasten waaronder ook de door klaagster betaalde onderhoudskosten van de afgelopen jaren.

2.19    Op 7 december 2017 heeft klaagster verweerster per e-mail met als onderwerp overzicht kosten kinderen onder meer geschreven:

“hierbij de kosten, nu volledig voor de kinderen ook! (…)

Ik kan wat hier instaat onderbouwen met bonnen, of zoals met oppas aannemelijk maken. (…)

- Ik heb voor het huis hier de map met de stukken, alle onderbouwende facturen zitten daar in.”

2.20    Bij e-mail van (zondag) 10 december 2017 heeft verweerster klaagster onder meer geschreven:

“Bijgaand het overzicht van de maandelijkse kosten inclusief de kosten van de kinderen, wat jij mij net stuurde (…) dit ga ik meesturen en pas ik nog aan in de akte. Voor het overzicht van de kosten van [de echtelijke woning] de afgelopen jaren gebruik ik de laatste versie van gisteren (…) waarvan jij zegt dat het klopt.”

2.21    Bij e-mail van 18 december 2017 heeft de mediator klaagster en verweerster meegedeeld dat het monnikenwerk is om het allemaal goed uit te pluizen en te verifiëren.

2.22    Op 21 december 2017 heeft de zitting in de echtscheidingsprocedure bij de rechtbank plaatsgevonden.

2.23    Bij beschikking van 7 maart 2018 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen klaagster en de man uitgesproken en onder meer bepaald dat klaagster en de man binnen vier weken na de datum van de beschikking gezamenlijk een makelaar opdracht moeten geven tot verkoop van de echtelijke woning tegen een door partijen overeen te komen verkoopprijs en dat, als één van hen niet meewerkt, ieder van partijen afzonderlijk bevoegd is tot het geven van een verkoopopdracht. De rechtbank heeft verder, voor zover van belang, overwogen:

“2.8. Onderhoudsbijdragen

(…)

Behoefte minderjarigen

(…)

2.8.9. (…) Ingevolge de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen wordt de behoefte van de minderjarigen bepaald aan de hand van het inkomen dat partijen voorafgaand aan het verbreken van hun samenleving ter beschikking stond. De rechtbank constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat zij gedurende hun samenleving gebruikelijk ruim meer dan € 6.000,- netto per maand te besteden hadden (zijnde het hoogste inkomen dat is genoemd in de tabellen kosten van kinderen). De rechtbank gaat – in lijn met de stellingen van partijen – uit van de tabellen van 2018 en houdt rekening met vier kinderbijslagpunten, gelet op de leeftijd van de minderjarigen in (het grootste deel van) dat jaar. Daarmee correspondeert een tabelbedrag van € 1.440,- per maand in 2018. De rechtbank is van oordeel dat de lijst met kosten van de minderjarigen van de vrouw geen bijzondere kosten bevat die als behoefteverhogend moeten worden aangemerkt. (…) Bovendien is een aantal onderdelen van het kostenlijstje van de vrouw, waaronder de oppaskosten, door de man betwist en heeft de vrouw deze kosten niet nader met bewijsstukken onderbouwd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de behoefte van de minderjarigen – in afwijking van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen – vast te stellen aan de hand van het kostenlijstje, dan wel de behoefte die volgt uit de tabel met bepaalde kosten te verhogen. (…)

2.9. Vermogensrechtelijke afwikkeling

(…)

Echtelijke woning en daaraan verbonden hypotheek

(…)

2.9.10. De vrouw stelt dat zij de woning toebedeeld wenst te krijgen. (…) De vrouw stelt dat partijen op 24 juli 2016 een overeenkomst hebben gesloten, waarbij is afgesproken dat de vrouw de woning toebedeeld zou krijgen, waarbij zij, na verrekening van diverse vorderingen over en weer, de man zou uitkopen voor een bedrag van € 100.000,-. Volgens de vrouw is de man gehouden tot nakoming van deze overeenkomst. De vrouw stelt dat zij met een bedrag van € 232.900,- in het pand heeft geïnvesteerd en de man met een bedrag van € 100.000,- (…)

2.9.11. (…) De man betwist dat hij gehouden kan worden aan de overeenkomst van 24 juli 2016. De man stelt dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de randvoorwaarden bij een eerder voorstel (…) deel waren van deze afspraak en dat hij afging op de mededeling van de vrouw dat de woning ergens tussen de € 1,2 en € 1,4 miljoen waard was, terwijl de woning op 15 augustus 2016 € 1,8 miljoen waard bleek te zijn. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat er wel een geldende afspraak bestaat tussen partijen, dan meent de man dat deze vernietigbaar is op grond van artikel 3:196 BW, omdat hij heeft gedwaald omtrent de waarde van de woning en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. Meer subsidiair doet de man een beroep op dwaling als bedoeld in artikel 6:228 BW. De man stelt dat als hij ermee bekend was geweest dat de waarde van de woning hoger lag, dat de vrouw niet langer wilde meewerken aan co-ouderschap en dat zij kinderalimentatie zou vragen, hij nimmer akkoord was gegaan met een bedrag van € 100.000,-. (…)

2.9.12. De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten met betrekking tot de verdeling van de woning. (…)

2.9.13. Op grond van artikel 3:196 BW is een verdeling vernietigbaar, wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer van de te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. (…)

2.9.14. (…) Uit de e-mail van de vrouw aan de man van 29 mei 2016 blijkt dat partijen ervan uitgingen dat de woning tussen de € 1,2 en € 1,4 miljoen waard was. Bij een waardebepaling van 15 augustus 2016 bleek echter dat de woning een waarde had van € 1,79 miljoen. Blijkens een taxatie van 12 januari 2017 had de woning een waarde van € 1,8 miljoen. Nu de woning – naar valt aan te nemen ook in juli 2016 - € 1,8 miljoen waard was en de hypothecaire geldlening € 745.000,- bedroeg, had de woning een overwaarde van € 1.055.000,-. Ieder van partijen had recht op de helft van deze overwaarde, derhalve € 527.500,-. Hoewel aangenomen kan worden dat onderdeel van de afspraken van partijen was dat de man geen kinder- en partneralimentatie zou betalen en dat de vorderingen van de vrouw van de baan zouden zijn, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de man gezien de hoogte van de overwaarde met de overeenkomst van 24 juli 2016 voor meer dan een vierde deel is benadeeld. (…) Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het beroep van de man op vernietigbaarheid van de overeenkomst (…) moet slagen. Het primaire verzoek van de vrouw, de man te veroordelen tot medewerking aan de verkoop en levering van zijn aandeel in de woning aan haar, waarbij de man als tegenprestatie zal ontvangen een bedrag van € 100.000,-, zal de rechtbank dan ook afwijzen.

2.9.15. De vrouw verzoekt subsidiair – kort weergegeven – de man te veroordelen tot medewerking aan overname door de vrouw van de woning tegen de waarde op 15 augustus 2016, waarbij de investeringen van partijen volgens de beleggingsleer in mindering worden gebracht op de overwaarde en het deel van de man wordt verminderd met de vorderingen van de vrouw. Ook dit verzoek van de vrouw zal de rechtbank afwijzen. Zoals in het voorgaande vermeld geldt ten aanzien van de te hanteren peildatum voor de waardering van de eenvoudige gemeenschappen dat moet worden uitgegaan van de datum van feitelijke verdeling, te weten heden. (…)

2.9.16. Het voorgaande brengt mee dat de woning alsnog verdeeld dient te worden. (…) De vrouw verzoekt meer subsidiair te bepalen dat bij verkoop van de woning aan een derde de waarde gelijk is aan de verkoopprijs en dat de overwaarde tussen partijen wordt verdeeld conform de door haar geformuleerde uitgangspunten. De rechtbank begrijpt dit verzoek aldus dat de vrouw, indien de man niet kan worden gehouden aan de overeenkomst van 24 juli 2016 en zij de woning ook niet kan overnemen tegen de waarde op 15 augustus 2016, verkoop van de woning voorstaat. De man wenst zelf niet de woning over te nemen. (…)

2.9.23. De rechtbank dient te beoordelen met welk bedrag ieder van partijen heeft geïnvesteerd in de echtelijke woning. Beide partijen betwisten de hoogte van de door de andere partij gedane investeringen in de echtelijke woning. De vrouw stelt dat zij met een bedrag van € 223.000,- in het pand heeft geïnvesteerd en de man met een bedrag van € 100.000,-. De man stelt dat hij € 204.091,49 in de woning heeft geïnvesteerd en dat de vrouw haar investeringen in de woning niet heeft bewezen.

2.9.24. Ter onderbouwing van haar investeringen in de woning verwijst de vrouw naar het echtscheidingsadvies en naar een voorstel van haar zijde (…) Daarnaast legt de vrouw een schriftelijke weergave over van afspraken over de woning tijdens het mediationtraject (…) De man stelt dat de vrouw haar investeringen nooit heeft onderbouwd en dat hij hiervan in mediation geen punt maakte, omdat destijds de doelstelling was een globale regeling te treffen waarmee beide partijen zouden kunnen leven. Nu meent de man echter dat de vrouw bewijsstukken dient te overleggen van haar investeringen en betwist hij dat de vrouw heeft geïnvesteerd in de woning met een bedrag van € 223.000,-.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw tegenover de betwisting door de man haar investeringen in de woning onvoldoende heeft onderbouwd. (…) Het had (…) op de weg van de vrouw gelegen de door haar gedane investeringen in de woning aan te tonen met facturen en betaalbewijzen (…) Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat aan de zijde van de vrouw geen rekening gehouden kan worden met investeringen.

2.9.25. Aan de zijde van de man gaat de rechtbank uit van investeringen van € 100.000,- (…)

Kosten huishouding

2.9.27. (…) De vrouw stelt dat zij in de periode december 2004 tot juli 2009 € 165.000,- heeft uitgegeven aan de kosten van de huishouding, waaronder kosten van de minderjarigen en woonlasten, en de man € 99.000,-. Ter onderbouwing hiervan verwijst de vrouw naar het echtscheidingsadvies van [de mediator] dat voortgekomen is uit het mediationtraject van partijen in 2014. (…) De achterstallige bijdrage van de man in de kosten van de minderjarigen kan volgens de vrouw voor de periode juli 2009 tot maart 2014 worden berekend op € 99.180,-. Hiervoor verwijst de vrouw naar het echtscheidingsadvies. (…)

2.9.28. (…) Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de vrouw haar recht niet heeft verwerkt, althans voor een bepaalde periode nog niet heeft verwerkt, dan dient haar vordering volgens de man als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen. De vrouw baseert haar vordering uit de periode december 2004 tot juli 2009 op het niet-bindende advies van [de mediator]. De onderliggende stukken ontbreken (…)

2.9.31. (…) De rechtbank is (…) van oordeel dat de vrouw haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd. (…) De enkele verwijzing naar het echtscheidingsadvies van [de mediator] acht de rechtbank onvoldoende, zeker nu de man de inhoud daarvan gemotiveerd heeft betwist. (…) Gelet op het gebrek aan onderbouwing kan de rechtbank niet vaststellen of en zo ja, in welke mate de vrouw op basis van de inkomens van partijen onevenredig heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding. (…) De rechtbank gaat voorbij aan het verzoek van de vrouw om partijen nader in de gelegenheid te stellen om aan de hand van door partijen te verstrekken volledige inkomensgegevens te berekenen wat de achterstallige bijdrage van de man is in de kosten van de huishouding. Niet valt naar het oordeel van de rechtbank in te zien waarom de vrouw haar vordering niet eerder beter had kunnen onderbouwen. (…)

Eigenaarslasten en onderhoudskosten gezamenlijke woning

2.9.34. (…) Voor de onderhoudskosten die gekwalificeerd kunnen worden als kosten van de huishouding geldt hetgeen is overwogen onder r.o. 2.8.20, te weten – kort gezegd – dat de vrouw haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. (…) Voor de eigenaarslasten en de onderhoudskosten die niet gekwalificeerd kunnen worden als kosten van de huishouding geldt dat de hoogte daarvan niet kan worden vastgesteld, nu de vrouw slechts een overzicht van de kosten heeft overgelegd maar geen facturen van de kosten en ook geen nadere specificatie daarvan.”

2.24    Op 4 april 2018 heeft klaagster bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam een executiegeschil aanhangig gemaakt en gevorderd de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van 7 maart 2018 te schorsen. Bij vonnis van 24 april 2018 heeft de voorzieningenrechter de vordering van klaagster afgewezen. Hiertoe heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen dat voor schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak slechts plaats is, indien de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan en dat dat (onder meer) het geval zal kunnen zijn indien de uitspraak klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag. Hierbij dient het te gaan om een evidente fout van de rechter en van een dergelijke fout is hier volgens de voorzieningenrechter geen sprake omdat het een verkeerde inschatting van verweerster is geweest om de bewijsstukken voor de vergoedingsvordering niet direct in de procedure te brengen en dat voor het rechtzetten van die fout het hoger beroep is bedoeld.

2.25    Op 27 juni 2018 heeft klaagster verweerster aansprakelijk gesteld voor schade die zij heeft geleden als gevolg van het handelen en/of nalaten van verweerster.

2.26    Bij brief van 24 december 2018 heeft mr. S namens klaagster verweerster nogmaals aansprakelijk gesteld voor de door klaagster geleden schade als gevolg van het handelen en/of nalaten van verweerster ten bedrage van € 438.000,-.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij:

a)    niet tijdig heeft gereageerd op een voorstel van de man, waardoor de man een echtscheidingsverzoek heeft ingediend;

b)    namens klaagster in het verweerschrift een vergoeding van € 367.450,- heeft gevorderd, maar deze vordering niet heeft onderbouwd, terwijl klaagster alle documentatie daartoe tijdig aan verweerster had verstrekt, en deze is afgewezen;

c)    heeft nagelaten te verzoeken de echtelijke woning per waarde datum beschikking aan klaagster toe te delen, waardoor de rechtbank niet anders kon beslissen dan dat de woning moest worden verkocht;

d)    de werkelijke kosten van de kinderen niet heeft onderbouwd, waardoor de kosten van de kinderen conform de trema normen zijn vastgesteld.

4    VERWEER

4.1    Verweerster voert verweer dat hierna, voor zover van belang, zal worden weergegeven.

5    BEOORDELING

5.1    De raad stelt voorop dat bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt rekening moet worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt.

Klachtonderdeel a)

5.2    Klaagster verwijt verweerster allereerst dat zij niet heeft gereageerd op een voorstel van de man, met als gevolg dat de man een echtscheidingsverzoek heeft ingediend en klaagster de kans is misgelopen om de man voor het in de overeenkomst van 24 juli 2016 opgenomen bedrag van € 100.000,- uit te kopen. Ter zitting heeft klaagster desgevraagd toegelicht dat zij met dit klachtonderdeel doelt op de brief van de advocaat van de man aan verweerster van 17 oktober 2016 (zie hiervoor, 2.6), waarop verweerster volgens klaagster niet heeft gereageerd.

5.3    De raad overweegt als volgt. Uit het klachtdossier en het verhandelde ter zitting volgt dat verweerster mr. Van D in de periode van 10 oktober 2016 tot medio november 2016 heeft waargenomen in verband met vakantie. Toen deze waarneming begon was al duidelijk dat de man niet langer akkoord ging met het uitkoopbedrag van € 100.000,-. Dat volgt immers uit de brief van de advocaat van de man aan mr. Van D van 29 september 2016 (zie hiervoor, 2.3). Bij e-mail van 13 oktober 2016 heeft verweerster de advocaat van de man bevestigd dat deze op maandag 17 oktober 2016 met een nieuw voorstel zal komen. Dat is ook gebeurd (zie 2.6). In de brief van 17 oktober 2016 heeft de advocaat van de man verweerster meegedeeld dat klaagster de woning kan overnemen voor een bedrag van € 356.550 + € 113.500,-. Verweerster heeft dit voorstel met klaagster besproken. Klaagster heeft verweerster daarop bij e-mail van 27 oktober 2016 (zie 2.7) verzocht om niets meer te doen. Verweerster heeft klaagster bij e-mail van 28 oktober 2016 (zie 2.8) een verduidelijking van het plan van aanpak gegeven en vervolgens een concept-brief aan de advocaat van de man opgesteld, die zij bij e-mail van 1 november 2016 aan klaagster heeft voorgelegd (zie 2.9). Klaagster heeft daarop, na haar aankondiging te zullen reageren in haar e-mail van 1 november 2016 (zie 2.9),niets meer aan verweerster laten horen, waarna mr. Van D de zaak weer heeft opgepakt na haar vakantie en verder heeft onderhandeld met de (advocaat van de) man. Gelet op het voorgaande mist het verwijt dat verweerster niet heeft gereageerd op het voorstel van de man en klaagster daardoor de kans is misgelopen de man voor een bedrag van € 100.000,- uit te kopen feitelijke grondslag. Klachtonderdeel a) is ongegrond.

Klachtonderdeel b)

5.4    In klachtonderdeel b) verwijt klaagster verweerster dat zij in het verweerschrift namens klaagster een bedrag van in totaal € 367.450,- heeft gevorderd, maar dit niet heeft onderbouwd terwijl klaagster alle documentatie daartoe tijdig aan verweerster had verstrekt, waardoor de vorderingen zijn afgewezen.

5.5    De raad overweegt als volgt. In het op 24 maart 2017 bij de rechtbank ingediende verweerschrift (zie 2.13) heeft verweerster namens klaagster een bedrag van € 232.900,- aan investeringen in de woning, een bedrag van € 36.270,- aan kosten van de huishouding en een bedrag van € 99.180,- aan achterstallige bijdrage in de kosten van de huishouding gevorderd. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen omdat deze onvoldoende waren onderbouwd.

5.6    Uit het klachtdossier en het verhandelde ter zitting volgt dat verweerster klaagster in haar e-mail van 28 oktober 2016 (zie 2.8) heeft meegedeeld dat als het tot een echtscheidingsprocedure komt, klaagster met facturen en dergelijke moet aantonen hoe hoog haar kosten zijn geweest. Op 22 maart 2017 heeft klaagster een aantal documenten via ‘Dropbox’ aan verweerster gestuurd ter onderbouwing van de hiervoor in 5.5 genoemde vorderingen. Volgens verweerster waren deze documenten niet bruikbaar. Bij e-mail van 13 juli 2017 (zie 2.14) heeft verweerster klaagster gevraagd om een overzicht van de kosten van het onderhoud aan verweerster te sturen. Klaagster is vervolgens met haar boekhouder aan de slag gegaan. Op 19 september 2017 (zie 2.15) heeft verweerster klaagster voorgesteld om contact te hebben over de onderhoudskosten. Op 19 oktober 2017 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen klaagster en verweerster. Klaagster heeft toen een aantal ordners met facturen aan verweerster laten zien. Volgens klaagster heeft zij deze ordners op het kantoor van verweerster achtergelaten, maar gelet op de betwisting daarvan door verweerster kan de raad dat niet vaststellen. Verweerster heeft vervolgens de mediator die in 2014 het echtscheidingsadvies heeft opgesteld en tevens financieel planner is, verzocht te helpen om aan de hand van de facturen de in 5.5 genoemde vorderingen te onderbouwen. Volgens de mediator was het echter monnikenwerk om aan de hand van de door klaagster verzamelde informatie uit de ordners de vorderingen te onderbouwen. Volgens verweerster heeft zij toen in overleg met klaagster ervoor gekozen om zich te richten op het maken van overzichten van diverse kostenposten, aan de hand waarvan zij aannemelijk wilde maken dat de man met het overeengekomen uitkoopbedrag van € 100.000,- niet benadeeld was, en subsidiair om het verzoek te onderbouwen om de procedure af te splitsen en de vorderingen apart te behandelen in een verdelingsprocedure. Klaagster heeft dit niet betwist. Anders dan klaagster het doet voorkomen was het dus niet zo dat klaagster de voor de onderbouwing van de in 5.5 genoemde vorderingen benodigde bewijsstukken in oktober 2017 kant en klaar bij verweerster had aangeleverd. Dat volgt overigens ook uit de e-mail van klaagster van 23 november 2017 (zie 2.17), waarin zij schrijft dat zij bezig is met een administratief medewerker om alles in kaart te brengen, waaronder de kosten van de woning. Op (vrijdag) 7 december 2017 (zie 2.18) heeft verweerster klaagster, althans de mediator, nogmaals gevraagd om een overzicht van de woonlasten. Op 7 december 2017 in de avond heeft klaagster verweerster een Excel sheet gestuurd met een overzicht van de door haar betaalde kosten van de woning (zie 2.19), en daarbij vermeld dat zij thuis de map met onderbouwende facturen heeft. Verweerster heeft dit overzicht aangepast totdat klaagster daarmee akkoord ging, en heeft het vervolgens bij de rechtbank ingediend (de uiterste datum om stukken in te dienen was 11 december 2017).

5.7    Uit het voorgaande volgt dat verweerster klaagster er meermaals op heeft gewezen dat de vorderingen met bewijsstukken moesten worden onderbouwd. Toen duidelijk werd dat dat niet meer zou gaan lukken omdat het volgens de mediator monnikenwerk was om de vorderingen aan de hand van de door klaagster verzamelde bewijsstukken te onderbouwen, hebben klaagster en verweerster in onderling overleg afgesproken dat verweerster een overzicht van de diverse kostenposten bij de rechtbank zou indienen. Dat heeft zij ook gedaan. Verweerster heeft aldus conform hetgeen zij met klaagster had afgesproken gehandeld. Dat klaagster de voor de onderbouwing van de vorderingen benodigde bewijsstukken wel aan verweerster heeft overhandigd en verweerster deze ten onrechte niet bij de rechtbank heeft ingediend, kan de raad niet vaststellen. Klachtonderdeel b) is ongegrond.

Klachtonderdeel c)

5.8    Klaagster verwijt verweerster in dit klachtonderdeel dat zij heeft nagelaten te verzoeken de echtelijke woning per waarde datum beschikking aan klaagster toe te delen, waardoor de rechtbank niet anders kon beslissen dan dat de woning moest worden verkocht.

5.9    De raad overweegt als volgt. Verweerster heeft ter zitting toegelicht dat zij niet heeft verzocht om toedeling van de woning per waarde datum beschikking, omdat het destijds niet de bedoeling was van klaagster dat zij koste wat kost de woning zou overnemen. Dat was op basis van haar inkomen en vermogen toen onmogelijk, zo volgt uit het echtscheidingsadvies van de mediator van 23 januari 2014. Klaagster heeft dit niet betwist. Gelet hierop valt het verweerster dan ook niet te verwijten dat zij niet heeft verzocht de woning per waarde datum beschikking aan klaagster toe te delen. Klachtonderdeel c) is daarom eveneens ongegrond. De raad overweegt hierbij ten overvloede nog dat het feit dat verweerster niet namens klaagster heeft verzocht de woning per waarde datum beschikking aan klaagster toe te delen niet betekent dat daarmee de weg voor klaagster was afgesloten om de woning over te nemen. Het stond klaagster immers vrij om de woning na de echtscheidingsbeschikking over te nemen tegen de vastgestelde verkoopprijs.

Klachtonderdeel d)

5.10    Klaagster verwijt verweerster tot slot dat zij diverse kostenposten van de kinderen niet heeft onderbouwd, dan wel niet heeft meegenomen in de procedure, waardoor de kosten voor de kinderen aan de hand van de Nibud-tabellen zijn vastgesteld.

5.11    De raad overweegt als volgt. Verweerster heeft onbetwist aangevoerd dat zowel in de voorlopige voorzieningenprocedure die verweerster namens klaagster heeft gevoerd als in het zelfstandig verzoek in de echtscheidingsprocedure is verzocht om de kosten van de kinderen te begroten op € 1.440,- per maand conform de Nibud-tabellen. Volgens verweerster heeft klaagster vlak voor de zitting aangegeven de kosten van de kinderen toch te willen baseren op de daadwerkelijke uitgaven voor de kinderen. Verweerster heeft klaagster daarop gevraagd naar bewijsstukken van alle uitgaven en haar erop gewezen dat de tabelbedragen alleen kunnen worden verhoogd met bijzondere kosten. Volgens verweerster heeft zij van klaagster geen bewijsstukken ontvangen van bijzondere kosten. De oppaskosten heeft verweerster wel opgevoerd, maar daar was geen bewijs van, aldus verweerster.

5.12    Uit het voorgaande volgt dat klaagster op het laatste moment van standpunt is gewijzigd met betrekking tot de kosten van de kinderen. Verweerster heeft namens klaagster een aantal kosten, waaronder oppaskosten, opgevoerd als bijzondere kosten ter verhoging van de behoefte van de kinderen. De rechtbank is hier niet in meegegaan. Volgens de rechtbank bevat de lijst met kosten van de kinderen geen bijzondere kosten die als behoefteverhogend moeten worden aangemerkt. Bij het gezinsinkomen van partijen is het niet ongewoon dat de door de vrouw gestelde bedragen worden uitgegeven aan bijvoorbeeld muziekles en sport.  Deze kosten zijn dan ook verdisconteerd in het tabelbedrag aldus het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft voorts overwogen dat bovendien een aantal van door de man betwiste kosten, waaronder de oppaskosten, niet nader door de vrouw met bewijsstukken zijn onderbouwd. Dat klaagster deze bewijsstukken wel aan verweerster heeft overhandigd en verweerster deze ten onrechte niet bij de rechtbank heeft ingediend, kan de raad niet vaststellen. De raad laat daarbij in het midden of dit tot een andere beslissing van de rechtbank zou hebben geleid. Ook klachtonderdeel d) is ongegrond.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. P.M. Wamsteker, voorzitter, mrs. D. Horeman en E.M.J. van Nieuwenhuizen, leden, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2020.

Griffier    Voorzitter

Mededelingen van de griffier ter informatie:

verzending

Deze beslissing is in afschrift op 16 maart 2020 verzonden.