Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRAMS:2020:54 Raad van Discipline Amsterdam 20-068/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2020:54
Datum uitspraak: 16-03-2020
Datum publicatie: 26-03-2020
Zaaknummer(s): 20-068/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij deels kennelijk niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een rechtstreeks belang en deels kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam

van  16 maart 2020

in de zaak 20-068/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:  

verweerder

gemachtigde: mr. M. Kupperman

advocaat te Amsterdam

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 22 januari 2020 met kenmerk 911402, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Verweerder heeft namens zijn cliënte, stichting Stichting Administratiekantoor EBI (hierna: EBI), op 30 augustus 2018 zeven vennootschappen en vier natuurlijke personen, waaronder klager, gedagvaard voor de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank). EBI verwijt (onder meer) klager dat hij onrechtmatig heeft samengespannen met, althans heeft geprofiteerd van de misdragingen van de heer Van der E die ten laste van (de met) EBI (verbonden fondsen en uiteindelijk beleggers) in zijn hoedanigheid van enig bestuurder van EBI in de periode van januari 2016 tot en met maart 2018 gelden tot een bedrag van in totaal (ongeveer) € 2.000.000,- onrechtmatig heeft onttrokken aan het vermogen van EBI en deze gelden heeft aangewend om samen met anderen zakelijke projecten te financieren.

1.2    EBI -kort gezegd- gevorderd een verklaring voor recht dat klager onrechtmatig jegens EBI heeft gehandeld en hem te veroordelen tot afgifte van (kopieën van) bepaalde bescheiden. In de dagvaarding staat onder meer het volgende:

“5.114 [Klager] is aansprakelijk voor de door Stichting EBI geleden schade op grond van externe bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 6:162 jo 2:11 BW en groepsaansprakelijkheid ex artikel 6:166 BW.

5.115 (…) is er sprake van onbehoorlijk bestuur bij [Q Beheer B.V.]. [Klager] was ten tijde van de onrechtmatige handelingen bestuurder van [Q Beheer B.V.] en is dat op dit moment nog steeds.

5.116 Als omschreven heeft [Q Beheer B.V.] op zijn minst een bedrag van EUR 1.537.000 ontvangen. [Klager] moet als bestuurder van [Q Beheer B.V.] hier weet van hebben gehad. (…)

5.117 Ook [klager] is op grond van externe bestuurdersaansprakelijkheid gehouden tot vergoeding van de door Stichting EBI als gevolg van de onrechtmatige handelingen geleden schade. (…)

5.118 Tot slot is [klager] aansprakelijk op grond van groepsaansprakelijkheid ex artikel 6:166 BW. (…)

5.120 Alle gedaagden (waaronder [klager] hebben samengespannen om de Onttrekkingen te bewerkstelligen en om de gelden verkregen uit de Onttrekkingen tot op heden vermist te houden. (…)

5.121 De Onttrekkingen zijn verder zoals reeds uiteengezet onrechtmatig. [Klager] heeft deelgenomen aan dit optreden in groepsverband als (indirect) bestuurder van diverse vennootschappen. [Klager] heeft op deze wijze geprofiteerd van de Onttrekkingen en heeft zich nooit onttrokken van de groep. [Klager] is dan ook aansprakelijk jegens Stichting EBI voor alle door Stichting EBI geleden schade vanwege de in groepsverband verrichte onrechtmatige Onttrekkingen.”

1.3    Op 30 maart 2019 en 1 april 2019 heeft EBI ten laste van alle in 1.1 genoemde gedaagden conservatoir derdenbeslag doen leggen. Bij brief van 30 april 2019 heeft verweerder de advocaat van de gedaagden onder meer meegedeeld dat EBI van een aantal van de gedaagden onjuiste en/of onvolledige derdenverklaringen heeft ontvangen en de gedaagden gesommeerd uiterlijk 8 mei 2019 aangepaste derdenverklaringen te overleggen.

1.4    Op 13 mei 2019 heeft Q Beheer B.V. bij de deken een klacht ingediend over verweerder. Q Beheer B.V. is op 14 mei 2019 in staat van faillissement verklaard. De curatoren van Q Beheer B.V. hebben aangegeven de klacht niet te willen voortzetten. Klager, bestuurder van Q Beheer B.V., heeft de deken daarop meegedeeld dat hij de klacht op eigen naam wenst voort te zetten.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft niet alleen de vier partijen die betrokken zijn bij een “Akte van Hoofdelijkheid” doen dagvaarden, maar hij heeft zonder enige grondslag of fatsoenlijk bewijs zeven extra partijen gedagvaard en is aldus een ordinaire “fishing expedition” gestart.

b)    Verweerder maakt misbruik van recht en er is sprake van machtsmisbruik.

c)    Verweerder maakt bewust een bedrijf kapot.

d)    Verweerder heeft tientallen keren onwaarheden en leugens verkondigd.

e)    Verweerder heeft stelselmatig stellingen geponeerd alsof hij naast advocaat ook rechter is.

f)    Verweerder zoekt redenen om uren te kunnen schrijven op rekening van zijn cliënte en uiteindelijk Q Beheer B.V.

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING

4.1    De klacht heeft betrekking op het handelen en/of nalaten van verweerder als advocaat van de wederpartij van klager. Uitgangspunt is dat een advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdeel a)

4.2    Klager verwijt verweerder dat hij namens EBI zeven extra partijen heeft doen dagvaarden zonder enige grondslag en zonder bewijs en dat sprake is van een “fishing expedition”.

4.3    De voorzitter overweegt als volgt. Het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat komt niet aan eenieder toe, maar slechts aan diegene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn belang is of kan worden getroffen. Klager kan dus alleen klagen over gedragingen die hemzelf rechtstreeks aangaan. Voor zover dit klachtonderdeel ziet op andere gedaagden dan klager zelf is dit klachtonderdeel kennelijk niet-ontvankelijk. Voor zover dit klachtonderdeel ziet op klager geldt het volgende. Verweerder heeft in de dagvaarding, onder punt 5.114 tot en met punt 5.121, toegelicht waarom hij klager heeft doen dagvaarden. Het is verder aan de civiele rechter en niet aan de tuchtrechter om daarover te oordelen. Dat het dagvaarden van klager op voorhand kennelijk onjuist is, is niet gebleken. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdelen b), c) en f)

4.4    Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.5    In klachtonderdeel b) verwijt klager verweerder dat hij misbruik van recht maakt en dat er sprake is van machtsmisbruik. Uit de toelichting op dit klachtonderdeel blijkt dat dit verwijt ziet op het door verweerder namens EBI ten laste van een andere gedaagde partij gelegd executoriaal beslag. Zoals hiervoor reeds is overwogen kan klager alleen klagen over gedragingen die hemzelf rechtstreeks aangaan. Klachtonderdeel b) is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Overigens is het aan de civiele rechter en niet aan de tuchtrechter om te oordelen over de rechtmatigheid van het beslag.

4.6    Ook klachtonderdelen c) en f) zijn kennelijk niet-ontvankelijk. Uit de toelichting op deze klachtonderdelen blijkt dat de verwijten die klager verweerder in deze klachtonderdelen maakt zien op Q Beheer B.V. Klager kan niet over schending van de belangen van Q Beheer B.V. klagen.

Klachtonderdelen d) en e)

4.7    Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.8    Uit de toelichting bij deze klachtonderdelen volgt dat klager verweerder verwijt dat hij heeft gesteld dat het gros van de derdenverklaringen van de gedaagde partijen onjuistheden bevatten. Volgens klager is dit niet waar en is deze beschuldiging ongefundeerd.

4.9    De voorzitter overweegt dat voor zover deze klachtonderdelen zien op de derdenverklaringen van andere gedaagden dan klager de klachtonderdelen niet-ontvankelijk zijn. Voor zover de klachtonderdelen zien op de door klager ingevulde derdenverklaring geldt dat verweerder de juistheid van die verklaring in het belang van zijn cliënte mocht betwisten. Het is aan de civiele rechter en niet aan de tuchtrechter om daarover te oordelen. Dat de brief van verweerder van 30 april 2019 overigens onjuistheden bevat, heeft klager niet onderbouwd. Klachtonderdelen d) en e) zijn voor het overige kennelijk ongegrond.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

- klachtonderdeel a), voor zover dit klachtonderdeel ziet op andere gedaagden dan klager, klachtonderdeel b), klachtonderdeel c), klachtonderdelen d) en e) voor zover deze klachtonderdelen zien op andere gedaagden dan klager, en klachtonderdeel f), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk

- klachtonderdelen a), d) en e), voor zover deze klachtonderdelen betrekking hebben op klager, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.H. Dubois, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2020.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op 16 maart 2020