Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRAMS:2020:290 Raad van Discipline Amsterdam 20-641/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2020:290
Datum uitspraak: 21-12-2020
Datum publicatie: 28-12-2020
Zaaknummer(s): 20-641/A/A
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht over de eigen advocaat. Niet gebleken dat verweerder de zaak van klager niet naar behoren of onvoldoende voortvarend heeft behandeld. Evenmin gebleken dat verweerder aan de kant van de wederpartij stond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 21 december 2020

in de zaak 20-641/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 11 oktober 2019 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 14 augustus 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 1019293 van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 23 november 2020. Daarbij was verweerder aanwezig. Klager is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5 en I tot en met VI. Ook heeft de raad kennisgenomen van de brieven met bijlagen van verweerder aan de raad van 5 en 9 november 2020 en de e-mail met bijlage van verweerder van 19 november 2020. Tevens heeft de raad kennisgenomen van de brief van klager aan de raad van 10 november 2020.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klager heeft verweerder gevraagd om juridische bijstand in verband met geluidsoverlast die klager en zijn gezin ondervinden in de door hen van de Stichting Woningstichting Eigen Haard (hierna: de verhuurder) gehuurde woning. Op 15 maart 2017 heeft verweerder de opdracht aan klager bevestigd. Verweerder heeft klager op toevoegingsbasis bijgestaan.

2.3    Bij brief van eveneens 15 maart 2017 heeft verweerder de verhuurder onder meer geschreven:

“Cliënten meldden mij dat zij ongeveer 12 jaar huurder zijn van genoemde woning. (…) In de onderbouw hiervan is een garage, waar de bewoners hun auto’s kunnen plaatsen. (…) De door cliënten gehuurde woning ligt pal naast/boven de ingang tot de garage. (…)

Ik begrijp dat er in het jaar 2016 nieuwe toegangsdeuren tot de garage zijn geplaatst:

-    Er is een nieuwe garagedeur geplaatst voor auto’s.

-    Ook is op een andere datum een kleine toegangsdeur voor voetgangers en fietsers tot de garage vervangen.

Beide deuren geven veel geluidsoverlast. (…)

Uit de mij ter beschikking staande stukken maak ik op dat op zich in confesso is dat deze deuren veel overlast geven.

Als ik het goed zie gaat het hierbij om een gebrek in het gehuurde.

Uit deze stukken maak ik ook op dat er al sedert begin van het najaar 2016 meldingen zijn gemaakt en klachten zijn ingediend in verband met de geluidsoverlast die zich ook ’s nachts manifesteert.

Cliënten hebben hier enorm veel last van. (…)

Ook is er een klacht bij uw geschillencommissie ingediend, waarbij deze de klacht op 13 december 2016 gegrond heeft verklaard. Als ik het goed begrijp is diverse keren toegezegd dat de geluidsoverlast verholpen zou worden.

(…)

Op grond van de wettelijke bepalingen bent u gehouden om de gebreken weg te nemen. U schiet wat dat aangaat tekort in de op u rustende verplichtingen.

Ik verzoek u om mij oer omgaande te bevestigen dat de gebreken aan de kleine deur binnen twee weken na heden zo zullen zijn weggenomen dat het openen en sluiten van de deur in de woning van cliënten niet te horen en te voelen is.

De constructie van de garagedeur is complexer, maar het moet mogelijk zijn om ook daar veranderingen aan te brengen, zodat ook daar de overlast binnen 4 weken verholpen en derhalve verdwenen is. Ik verzoek u om ook dit te bevestigen.

Ik deel u nog mede dat cliënten zich alle rechten voorbehouden, zoals onder meer het starten van een kort gedingprocedure om zo nakoming af te dwingen.”

De verhuurder heeft hierop enige aanpassingen aan het gehuurde aangebracht.

2.4    Op 14 april 2017 heeft klager de Huurcommissie verzocht de huurprijs voor zijn woning tijdelijk te verlagen vanwege de nog steeds door hem ondervonden geluidsoverlast.

2.5    Bij brief van 7 november 2017 heeft klager verweerder onder meer gevraagd waarom Eigen Haard hem brieven stuurt terwijl verweerder de advocaat van klager is en waarom verweerder geen kort geding aanhangig heeft gemaakt terwijl klager daar wel om heeft gevraagd.

2.6    Bij e-mail van 8 november 2017 heeft verweerder klager onder meer geschreven:

“In de kern gaat het om toezending van de onderzoeksresultaten van het ingeschakelde bureau. Dat heeft onderzoek verricht in opdracht, c.q. op verzoek van de huurcommissie.

Bij uw procedure bij de huurcommissie ben ik niet betrokken. Dat hoeft ook niet omdat dit in beginsel niet nodig is.

(…)

U vindt dat het te traag gaat en wenst een kort geding. Een kort geding heeft alleen maar zin als er onomstotelijke bewijzen zijn dat de verhuurder tekortschiet. Bij de door u gemelde geluidsoverlast inzake de garagedeur is dat niet zonder meer het geval. Verder heeft de verhuurder laten zien dat men maatregelen neemt om deze te verminderen.

Met andere woorden, zonder meetresultaten staat de uitkomst van een kort geding allerminst vast, en als u een kort geding verliest, dan bent u nog verder van huis en dient u bovendien de proceskosten te dragen van enkele honderden euro’s.”

2.7    Bij e-mail van 29 november 2017 heeft klager verweerder meegedeeld dat hij contact met verweerder zal opnemen na ontvangst van de uitspraak van de Huurcommissie.

2.8    Bij beslissing van 5 januari 2018 heeft de Huurcommissie de huurprijs met ingang van 1 november 2016 verlaagd tot 40% van de op dat moment geldende huurprijs, totdat het gebrek is hersteld.

2.9    Bij beslissing van 21 september 2018 heeft de Huurcommissie op verzoek van de verhuurder de verlaging van de huurprijs met ingang van 1 augustus 2018 opgeheven. De Huurcommissie heeft de verhuurder wel geadviseerd om nogmaals een geluidstest te laten uitvoeren, waarbij over langere tijd en ook ’s nachts het geluidsniveau wordt gemeten.

2.10    Bij e-mail van 28 september 2018 heeft klager verweerder meegedeeld dat de Huurcommissie had geoordeeld dat de huurprijsverlaging kon worden opgeheven omdat het gebrek zou zijn hersteld. Klager was het daar niet mee eens en wilde daarover met verweerder spreken.

2.11    Bij e-mail van 15 oktober 2018 heeft klager verweerder onder meer geschreven:

“Ik wil graag dat de zaak bij een kort geding behandeld wordt, maar U mag natuurlijk kiezen wat goed voor ons is. Een kort geding of bezwaar bij de rechter tegen de uitspraak van 21 september.”

2.12    Begin november 2018 heeft klager zich tot een andere advocaat gewend, mr. L. Mr. L heeft verweerder bij e-mail van 6 november 2018 geschreven dat klager hem had gebeld omdat hij nog niet van verweerder had vernomen en dat klager zich zorgen maakt over de beroepstermijn.

2.13    Verweerder heeft de verhuurder vervolgens medio november 2018 namens klager gedagvaard voor de kantonrechter en gevorderd de verhuurder op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen tot het nemen van maatregelen die ertoe leiden dat de gebreken binnen 4 weken na datum vonnis zijn opgeheven, alsmede de uitspraak van de Huurcommissie van 21 september 2018 te vernietigen. De kantonrechter heeft een comparitie bepaald op 14 mei 2019.

2.14    Op 6 mei 2019 heeft klager zijn commentaar op de conclusie van antwoord van de verhuurder aan de rechtbank toegestuurd, met bijlagen.

2.15    Op de comparitie van 14 mei 2019 hebben klager en de verhuurder een schikking getroffen, die is vastgelegd in een proces-verbaal. De schikking luidt als volgt:

“1. Partijen komen overeen dat deze procedure zal worden aangehouden voor een periode van vier maanden.

2. Eigen Haard zal in die periode opdracht geven om werkzaamheden te laten verrichten aan de roldeur en de garagedeuren. Het doel van deze werkzaamheden is dat de piekbelasting in de woning van [klager] onder de 30 DB zal komen.

3. Nadat de werkzaamheden in opdracht van Eigen Haard zijn uitgevoerd, zal een nieuwe meting plaatsvinden in de woning van [klager], zodat de geluidsbelasting na de werkzaamheden kan worden vastgesteld. [Klager] zegt toe aan deze meting zijn volledige medewerking te verlenen.

4. De verschuldigde huur zal tot het moment dat de geluidsoverlast is verholpen gehandhaafd blijven op een niveau van 40% van de verschuldigde huur, zoals vastgesteld door de Huurcommissie in een voorafgaande procedure.

5. Partijen zullen op 20 september 2019 laten weten bij akte hoe de procedure moet worden voortgezet of kan worden beëindigd.”

2.16    Bij e-mail van 15 augustus 2019 heeft verweerder de verhuurder gevraagd naar de stand van zaken inzake de te nemen maatregelen en de verhuurder verzocht de teveel door klager betaalde huurpenningen aan klager terug te betalen. Bij e-mail van 11 september 2019 heeft de verhuurder verweerder onder meer meegedeeld dat de teveel betaalde huurpenningen aan klager zijn terugbetaald, dat de werkzaamheden inmiddels zijn afgerond en dat de verhuurder opnieuw een geluidsmeting zou willen uitvoeren in de woning van klager.

2.17    Bij e-mail van 16 september 2019 heeft verweerder klager onder meer geschreven:

“Ik ben vandaag gebeld inzake een te verrichten geluidsmeting. Ik adviseer hier medewerking aan te verlenen.

Ik ben echter wel van mening dat het om een 24-uursmeting moet gaan. Is het wat u betreft akkoord dat deze op korte termijn wordt verricht?”

2.18    Bij brief van 19 september 2019 heeft verweerder de kantonrechter gevraagd alsnog vonnis te wijzen, nu de verhuurder de schikking niet is nagekomen en de gebreken niet zijn verholpen.

2.19    Klager heeft op diezelfde datum een brief aan de rechtbank gestuurd met het verzoek om vonnis te wijzen en met het verzoek om geen toestemming aan verweerder te geven om verder te gaan met de zaak.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft de zaak van klager niet naar behoren en onvoldoende voortvarend behandeld.

b)    Verweerder heeft klager tegengewerkt en stond aan de kant van de verhuurder.

c)    Verweerder heeft de zaak niet eerlijk behandeld en klager gediscrimineerd.

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

5.1    De raad stelt voorop dat bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt rekening moet worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt.

5.2    Bovendien is de advocaat gehouden de aan hem toevertrouwde belangen met de nodige voortvarendheid te behartigen en mag van een advocaat verwacht worden dat hij zijn cliënt op de hoogte houdt van zijn werkzaamheden ten behoeve van die cliënt.

Klachtonderdeel a)

5.3    Klager verwijt verweerder in dit klachtonderdeel dat hij de zaak van klager niet naar behoren en onvoldoende voortvarend heeft behandeld. De raad heeft dat op basis van het klachtdossier niet kunnen vaststellen. Klager heeft zich in maart 2017 tot verweerder gewend in verband met de geluidsoverlast die hij en zijn gezin ervoeren in de door hen gehuurde woning. Verweerder heeft de verhuurder namens klager aangeschreven. Toen dat niet tot een oplossing leidde, heeft verweerder klager geadviseerd een procedure bij de Huurcommissie te starten. Dat advies is niet onbegrijpelijk, nu met een procedure bij de Huurcommissie druk op de verhuurder kon worden uitgeoefend om de overlast te verhelpen. Verweerder heeft klager in de procedure bij de Huurcommissie niet bijgestaan. Eind september 2018 heeft klager zich weer tot verweerder gewend omdat de Huurcommissie had geoordeeld dat de huurverlaging kon worden opgeheven omdat het gebrek was hersteld. Klager was het daarmee niet eens. Verweerder heeft daarop, binnen de daarvoor geldende termijn, een bodemprocedure tegen de verhuurder aanhangig gemaakt. Klager wilde weliswaar dat verweerder een kortgedingprocedure aanhangig zou maken, maar volgens verweerder was een bodemprocedure de geëigende weg. Dat had verweerder klager ook al in zijn e-mail aan klager van 8 november 2017 geschreven. Ook dit advies van verweerder is niet onbegrijpelijk. De bodemprocedure is in die zin succesvol geweest dat de kantonrechter op de comparitie 14 mei 2019 heeft vastgesteld dat sprake is van een gebrek. Klager en de verhuurder zijn op de comparitie overeengekomen dat de verhuurder werkzaamheden zal verrichten om de geluidsoverlast te beperken. Medio augustus 2019 heeft verweerder bij de verhuurder geïnformeerd naar de stand van zaken. Bij e-mail van 11 september 2019 heeft de verhuurder verweerder meegedeeld dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd en dat de verhuurder een nieuwe geluidsmeting wil uitvoeren. Verweerder heeft klager daarop geadviseerd mee te werken aan de geluidsmeting. Enkele dagen later heeft klager de opdracht aan verweerder beëindigd.

5.4    Uit het voorgaande blijkt niet dat verweerder de zaak van klager niet naar behoren en/of onvoldoende voortvarend heeft behandeld. Dat verweerder niet op alle e-mailberichten van klager heeft gereageerd valt hem niet tuchtrechtelijk te verwijten, zeker niet gelet op het grote aantal e-mails dat klager aan verweerder heeft gestuurd. Dat verweerder stukken niet aan de rechtbank heeft overgelegd die wel van belang waren, heeft klager onvoldoende onderbouwd. Voor zover klager er ook over klaagt dat verweerder klager niet heeft bijgestaan in een kwestie met de Belastingdienst over teveel ontvangen huurtoeslag als gevolg van de door de Huurcommissie opgelegde huurverlaging geldt dat niet is gebleken dat verweerder de opdracht heeft aanvaard om klager ook in die kwestie bij te staan.

5.5    De conclusie van het voorgaande is dat klachtonderdeel a) ongegrond is.

Klachtonderdelen b) en c)

5.6    Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Klager verwijt verweerder dat hij klager heeft tegengewerkt en aan de kant van de verhuurder stond en dat hij klager heeft gediscrimineerd. Klager heeft dit echter op geen enkele manier feitelijk onderbouwd. Het enkele feit dat verweerder op de comparitie van 14 mei 2019 niet om vonnis heeft gevraagd, is onvoldoende voor de conclusie dat verweerder met de wederpartij heeft samengewerkt. Datzelfde geldt voor het feit dat verweerder klager heeft aangeraden om mee te werken aan de door de verhuurder gewenste geluidsmeting waarom de verhuurder in de e-mail van 11 september 2019 had gevraagd. Dat klager moet meewerken aan een nieuwe geluidsmeting was immers op de comparitie van 14 mei 2019 tussen partijen overeengekomen. Klachtonderdelen b) en c) zijn daarom eveneens ongegrond.

5.7    Voor zover klager er ook over klaagt dat hij twee keer een eigen bijdrage heeft moeten betalen geldt dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat hij slechts één toevoeging voor klager heeft aangevraagd en dat klager slechts één eigen bijdrage heeft moeten betalen.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. E.J. van der Molen, voorzitter, mrs. P. van Lingen en C.C. Oberman, leden, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2020.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op 21 december 2020

mededelingen van de griffier ter informatie:

Verzending

Deze beslissing is in afschrift gelijktijdig verzonden.