Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRAMS:2020:243 Raad van Discipline Amsterdam 20-726/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2020:243
Datum uitspraak: 02-11-2020
Datum publicatie: 20-11-2020
Zaaknummer(s): 20-726/A/A
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Het stond verweerder vrij de zaak van klager niet aan te nemen. Klacht kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam

van 2 november 2020

in de zaak 20-726/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 22 september 2020 met kenmerk 2019-1022952/EJH/SH, door de raad ontvangen op 22 september 2020, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager is reeds tientallen jaren verwikkeld in een juridische strijd met diverse personen en instanties, waarbij volgens klager sprake is van fraude, aan welke juridische strijd een – volgens klager valselijk opgemaakte – kadastertekening uit 1974 ten grondslag ligt. In dit kader heeft klager verweerder benaderd voor bijstand. 

1.2    Op 30 september 2019 heeft klager een e-mail gestuurd aan verweerder, met onder meer de volgende inhoud:

“Het is mijn plicht u als strafrechtadvocaat (…) de klachtbrief “aangifte” van 28 augustus 2019 aan de gemeente Sittard-Geleen te laten doen toekomen.

Hierin heb ik duidelijk omschreven wat de Zuid-Limburgse Vriendenrepubliek vóór wat hóórt wat op haar geweten heeft en ik te danken heb aan de Hoofdofficieren van Justitie. Welke vanaf 1982 respectievelijk 1974 tot heden (45 jaar) de valsheid in geschriften en diefstallen gepleegd door de ambtenaren van de gemeente Sittard en het kadaster te Roermond aan hun laars hebben gelapt.

Als strafrechtadvocaat komt u dagelijks met politie, justitie en het openbaar ministerie OM in aanraking, en verzoek u na het bestuderen van voornoemde klachtbrief “aangifte” mij alsnog rechtshulp te verlenen of mij naar de juiste rechterlijke instantie te verwijzen?”

1.3    Op 1 oktober 2019 heeft verweerder een e-mail gestuurd aan klager, met onder meer de volgende inhoud:

“Aangezien ik voor mijn werkzaamheden een financiële vergoeding pleeg te vragen en geen bijstand op basis van een toevoeging (gefinancierde rechtsbijstand oor de Staat) verleen, ben ik genoodzaakt u een depot van € 12.500,-- te verzoeken. Ik verzoek u dit depot te voldoen op rekening (…).

De kosten van mijn bijstand bedragen € 500,-- per uur + 7% kantoorkosten, te vermeerderen met BTW. Bijgaand zend ik u de algemene voorwaarden van mijn kantoor en vertrouw u hiermee akkoord.

Voor de goede orde breng ik onder uw aandacht dat ik geen vast totaalbedrag voor mijn bijstand pleeg overeen te komen.”

1.4    Op 11 oktober 2019 heeft klager een e-mail gestuurd aan verweerder, met onder meer de volgende inhoud:

“Bij deze deel ik u mede dat ik de Hoge Raad op 8 oktober 2019 heb medegedeeld dat u mijn advocaat bent. Het depotbedrag van € 12.500,-- zal ik zo spoedig mogelijk overmaken als de Belastingdienst en ING-bank die al mijn gelden in beslag hebben genomen zal worden opgeheven.

Thans kan ik een maand lang geen gelden overmaken en tijdens het jarenlang procederen al vaker is voorgekomen.

Wellicht kan u hieraan ook een einde maken zodat ik u komende week het depotbedrag kan overmaken.”

1.5    Op 14 oktober 2019 heeft verweerder een e-mail gestuurd aan klager, met onder meer de volgende inhoud:

 “Helaas kan ik geen einde maken aan de door u genoemde beslagen. Voor zover ik uit uw berichten kan opmaken is een cassatiezaak bij de Hoge Raad niet aan de orde.”

1.6    Op 14 oktober 2019, later op de dag, heeft klager een e-mail gestuurd aan verweerder, met onder meer de volgende inhoud:

“Het gaat hoofdzakelijk over het plegen van valsheid in geschriften en diefstallen door de ambtenaren van de gemeente Sittard in 1982. Dit is de as van het kwaad! Welke in 1982 de valse kadaster situatietekening van 1974 hebben ontworpen een z.g. valse ambtelijke grensopmeting die nooit heeft plaatsgevonden. Door deze valse situatietekening heeft de gemeente Sittard de grond, funderingen en muren van het ouderlijk woonzakenpand van mijn echtgenote/vakvrouw (…) ontvreemd en volgens het Burgerlijk Wetboek volstrekt onmogelijk was.

In 1983 heeft de gemeente Sittard de valse kadaster situatietekening 1974 aan het kadaster in Roermond doorgevoerd en vervolgens aan de notarissen die hiermee valse aktes voor de naast-gelegen buren (…) hebben opgemaakt. Dat betekent de gemeente Sittard de dieven waren en de naastgelegen buren de helers zijn. Daar komt nog bij dat de gemeente Sittard in 1982 ook nog met voorbedachten rade 2 belangrijke bouwdossiers heeft verdonkeremaand en de verbouwingen op onze eigendommen waren gebouwd.

De civiele rechters en bestuursrechters hebben mij door bovengenoemde valse processtukken bij het kantongerecht in Sittard, arrondissementsrechtbank te Maastricht, rechtbank Limburg Roermond, gerechtshof Den Bosch en Raad van State veroordeeld wegens bouwen op andermans eigendom en een volkomen leugen was. (…)

De civiele- en bestuursrechters zullen zich thans bij de strafrechters Hoge Raad moeten verantwoorden en iedere staatsburger in Nederland recht op heeft. Want ik kan onomstotelijk bewijzen wat ik als ondernemer in 1976 en 1981 tot aan de gedwongen uithuiszetting en bedrijfssluiting d.d. 20 september 1989, volgens het Burgerlijk Wetboek en Bouwverordening op de grondeigendom van mijn vakvrouw (…) steen voor steen heb gesloopt en verbouwd. Dit recht kan mij niemand ontnemen omdat ik binnen de gestelde termijn van drie jaar (1992) DE STAAT hiervoor reeds aansprakelijk had gesteld. Tevens dat deze eigendommen nooit en te nimmer kunnen verjaren. De strafrechter zal ter plaatse in het kerkdorp Limbricht dienen te gaan bezichtigen om het bewijsrecht te kunnen vaststellen en vervolgens een uitspraak te doen. De andere zaken die ik in de brief van 28 augustus 2019 heb omschreven hebben ook allemaal met valsheid in geschriften, diefstallen en fraude te maken.

Hiervoor is een strafrechtadvocaat onmisbaar om de zeer ernstige delicten bij de Hoge Raad en het openbaar ministerie OM in Den Haag aan de orde te stellen. De Europese rechter is ook nog een optie als DE STAAT DER NEDERLANDEN niemand wil vervolgen.”

1.7    Op 14 oktober 2019, later op de dag, heeft verweerder een e-mail gestuurd aan klager, met onder meer de volgende inhoud:

“Dank u zeer voor uw toelichting vervat in onderstaande e-mail. Aangezien de Hoge Raad onbevoegd is een oordeel te geven over civiele- en bestuursrechters is iedere juridische actie bij voorbaat kansloos. Ik kan u dus niet bijstaan.”

1.8    Op 20 oktober 2019 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij heeft geweigerd strafrechtshulp te verlenen voor zeer ernstige ambtsmisdrijven, rechterlijke dwaling en mishandelingen met dood door schuld.

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Verweerder voert (kort gezegd) aan dat hij als advocaat niet verplicht is – tegen zijn wil – rechtsbijstand te verlenen.

4    BEOORDELING

4.1    Uitgangspunt bij de beoordeling is dat er voor advocaten in het algemeen geen rechtsplicht bestaat om een ieder die daar om verzoekt rechtsbijstand te verlenen. De voorzitter overweegt dat het verweerder derhalve vrijstond de zaak van klager niet aan te nemen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is de voorzitter in dit kader niet gebleken. Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. P.M. Wamsteker, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. P.J. Verdam als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2020.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 2 november 2020 

mededelingen van de griffier ter informatie:

Deze beslissing is gelijktijdig in afschrift verzonden.