Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRAMS:2020:215 Raad van Discipline Amsterdam 20-180/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2020:215
Datum uitspraak: 05-10-2020
Datum publicatie: 12-10-2020
Zaaknummer(s): 20-180/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht over uitlatingen die verweerder heeft gedaan in het kader van een over hem ingediende tuchtklacht ongegrond. De raad stelt voorop dat hij er begrip voor heeft dat klager de gewraakte uitlatingen als grievend heeft ervaren. De raad kent evenwel groot gewicht toe aan de omstandigheden waaronder verweerder die uitspraken heeft gedaan. Die maken dat de raad van oordeel is dat dat gedrag verweerder niet tuchtrechtelijk te verwijten valt.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 5 oktober 2020

in de zaak 20-180/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 11 augustus 2019 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 9 maart 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2019-992579 van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld via een videoconferentie op 7 september 2020. Daarbij was klager aanwezig. Verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4 en I tot en met III. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mails (met bijlagen) van verweerder aan de raad van 21 en 25 april en 2 mei 2020, de e-mail van de deken aan klager van 21 april 2020 en de e-mails (met bijlage) van klager aan de raad van 19 juni en 24 augustus 2020.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klager is jarenlang verwikkeld geweest in verschillende procedures met zijn ex-echtgenote (hierna: de vrouw). Verweerder was tot 1 juni 2018 advocaat en is de huidige partner van de vrouw.

2.3    Bij beslissing van 17 januari 2017 heeft de raad naar aanleiding van een door klager over verweerder ingediende klacht aan verweerder een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van vier maanden opgelegd. Verweerder heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.

2.4    Op 2 juni 2017 heeft bij het Hof van Discipline de mondelinge behandeling van het hoger beroep plaatsgevonden. Klager was daarbij niet aanwezig, verweerder wel, samen met de vrouw. Van de behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. In dat proces-verbaal staat, voor zover relevant:

“Verweerder

Het tillen van de fiscus en het opmaken van valse stukken. (…) Hij heeft fraude gepleegd om inkomsten zo laag mogelijk te houden om te voorkomen dat hij alimentatie moest betalen. (…) In de strafzaak heeft hij ook verstek laten gaan. Hij wil geen vragen beantwoorden.

Verweerder

Hij betaalt alimentatie vanaf 2014 niet meer.

Verweerder

We hebben gevraagd om sleutels van het huis. Klager is hard weggereden. Ik ben achter hem aangegaan. Hij kon mij niet zien.”

2.5    De griffie van het Hof van Discipline heeft het proces-verbaal op 24 juni 2019 aan partijen toegestuurd.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij op de zitting van het Hof van Discipline van 2 juni 2017 verschillende onjuistheden heeft verkondigd, die bovendien onnodig grievend zijn.

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

Ontvankelijkheid

5.1    Verweerder heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat de klacht niet-ontvankelijk is op grond van het ne bis in idem-beginsel dan wel omdat sprake is van misbruik van klachtrecht.

5.2    De raad gaat aan dit verweer voorbij. Er is immers nog geen onherroepelijke tuchtrechtelijke eindbeslissing genomen over de gedragingen van verweerder waarop de onderhavige klacht ziet, te weten de vermeende uitlatingen van verweerder op de zitting van het Hof van Discipline op 2 juni 2017. Van schending van het beginsel van ne bis in idem is daarom geen sprake. Ook van misbruik van klachtrecht is naar het oordeel van de raad geen sprake. De klacht is dan ook ontvankelijk.

Inhoudelijke beoordeling

5.3    De raad stelt voorop dat hij er begrip voor heeft dat klager de gewraakte uitlatingen (zoals weergegeven in 2.4 van deze beslissing) als grievend heeft ervaren. De raad kent evenwel groot gewicht toe aan de omstandigheden waaronder verweerder die uitspraken heeft gedaan. Die maken dat de raad van oordeel is dat dat gedrag verweerder niet tuchtrechtelijk te verwijten valt. Uitgangspunt is dat verweerder een grote vrijheid heeft om zijn verweer tegen een klacht, met inbegrip van de daarbij gebezigde bewoordingen, in te richten zoals het hem goeddunkt. Verweerder heeft de uitlatingen gedaan in een tuchtprocedure in hoger beroep waarbij aan hem in eerste aanleg een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van vier maanden was opgelegd. In deze situatie komt naar het oordeel van de raad aan verweerder meer ruimte toe om zich ter verdediging tegen de (zeker niet eerste en enige) klacht van klager scherp uit te drukken, temeer nu de toon van de verwijten van klager ook bij voortduring scherp en aanvallend is geweest. Wel dient verweerder zich te onthouden van uitspraken die onbetamelijk zijn. De gewraakte uitlatingen vinden hun weerslag in een door de griffier van het Hof van Discipline opgemaakt proces-verbaal waarvan partijen naar eigen zeggen pas twee jaar na het opmaken daarvan kennis hebben kunnen nemen, zodat de juistheid van de uitspraken niet goed meer is vast te stellen. In de gegeven situatie is de raad van oordeel dat de uitlatingen van verweerder op de zitting van het Hof van Discipline niet tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn. Dat de uitlatingen onjuist zijn en dat verweerder dat wist of redelijkerwijs had kunnen weten heeft klager onvoldoende onderbouwd. De klacht is ongegrond.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.H. Dubois, voorzitter, mrs. S. van Andel en M.W. Schüller, leden, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2020.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op 5 oktober 2020

mededelingen van de griffier ter informatie:

Verzending

Deze beslissing is in afschrift gelijktijdig verzonden.