Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRAMS:2020:112 Raad van Discipline Amsterdam 20-256/A/A 20-257/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2020:112
Datum uitspraak: 11-05-2020
Datum publicatie: 18-05-2020
Zaaknummer(s):
  • 20-256/A/A
  • 20-257/A/A
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Niet is gebleken dat verweerders in hun verweerschrift in strijd met de waarheid hebben verklaard.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam

van  11 mei 2020

in de zaken 20-256/A/A en 20-257/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

gemachtigde: mr. A. Aerts

over:

verweerders

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 7 april 2020 met kenmerk 2019-969219 en 2019-969620, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde dag, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 22. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van klager aan de deken en in cc aan de raad van 16 april 2020.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager heeft bij de deken een klacht ingediend over mr. G. Die klacht is bij beslissing van deze raad van 10 april 2018 ongegrond verklaard. Klager is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan bij het Hof van Discipline. Op 12 november 2018 heeft de zitting bij het Hof van Discipline plaatsgevonden. Op 22 maart 2019 heeft het Hof van Discipline (bij vervroeging) uitspraak gedaan en het hoger beroep ongegrond verklaard.

1.2    Op 14 maart 2019 heeft klager het kantoor van verweerders telefonisch benaderd met het verzoek om juridisch advies in verband met zijn tuchtklacht over mr. G. Hij heeft toen gesproken met de secretaresse van verweerders. De secretaresse van verweerders heeft klager diezelfde dag teruggebeld en hem meegedeeld dat verweerders zijn zaak niet konden aannemen.

1.3    Op 3 april 2019 heeft de gemachtigde van klager namens klager bij de deken een klacht ingediend over verweerders. Bij brief van 19 april 2019 heeft verweerster mede namens verweerder gereageerd op de klacht van klager. In de brief heeft verweerster onder meer geschreven:

“Het enige wat nog relevant is te vermelden, is dat [klager] desgevraagd niet bereid was om zijn verzoek op schrift te stellen ter toelichting en het secretariaat naar een YouTube filmpje (…) verwees dat in relatie tot het verzoek zou staan. Daarop is deze opname bekeken en vervolgens geoordeeld dat de kwestie een bewerkelijke zaak betrof waarvoor het kantoor op dat moment, vanwege een overvolle agenda, geen ruimte had.”

1.4    De raad heeft op 31 mei 2019 het klachtdossier van de in 1.3 genoemde klacht van de deken ontvangen. Op 26 juni 2019 heeft de gemachtigde van klager namens klager bij de deken een nieuwe tuchtklacht over verweerders ingediend. Op verzoek van de deken heeft de raad de behandeling van de eerste klachtzaak aangehouden in afwachting van de ontvangst van het nieuwe klachtdossier. In beide klachtzaken wordt heden uitspraak gedaan.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij in strijd hebben gehandeld met artikel 10a, lid 1 onder d Advocatenwet juncto Gedragsregels 1 en 8 door aperte onwaarheden ten grondslag te leggen aan het schriftelijk verweer op de klacht van klager.

3    VERWEER

3.1    Verweerders hebben tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING

4.1    Klager verwijt verweerders dat zij in de brief aan de deken van 19 april 2019 in strijd met de waarheid hebben verklaard over de inhoud van het telefoongesprek van klager met hun secretaresse. Klager heeft de gevoerde telefoongesprekken met het kantoor van verweerders vastgelegd op audiobestanden. Deze bestanden zijn op 19 juni 2019 beluisterd door een notaris, die daarvan onder ambtseed een proces-verbaal heeft opgemaakt. In die notariële verklaring heeft de notaris onder meer vastgesteld: “In tegenstelling tot wat [verweerders] in hun verweerschrift beweren (…) blijkt niet uit deze telefoongesprekken dat [klager] voor zijn adviesverzoek naar een YouTube filmpje zou hebben verwezen en dus ook niet naar het in hun verweerschrift specifiek genoemde filmpje.

notariële verklaring: op basis van deze telefoongesprekken verklaar ik als notaris dat de bewering van [verweerders] niet waar is.” 

4.2    De voorzitter overweegt als volgt. Verweerders hebben bij hun antwoord op de klacht van klager een e-mail overgelegd die zij na het telefoongesprek met klager op 14 maart 2019 van hun secretariaat hebben ontvangen. In die e-mail staat onder meer het volgende:

“Zojuist heeft [klager] gebeld met ons kantoor. Hij heeft een zaak aangespannen tegen [mr. G] (zie link hieronder duurt 3 minuten).

[link naar een YouTube filmpje]” 

In lijn hiermee hebben verweerders in hun verweerschrift geschreven dat het secretariaat naar een YouTube filmpje verwees dat in relatie tot het verzoek van klager zou staan. Anders dan klager stelt staat in het verweerschrift niet dat klager naar het YouTube filmpje verwees; letterlijk staat er dat klager niet bereid was zijn verzoek op schrift te stellen en dat het secretariaat verwees naar een YouTube filmpje. Dat het secretariaat daar op haar beurt op is gewezen door klager, staat niet in het verweerschrift. Verweerders hebben in het verweerschrift weliswaar verwezen naar een ander YouTube filmpje dan het YouTube filmpje waarnaar het secretariaat had verwezen in de e-mail van 14 maart 2019, maar dat dit meer is dan een kennelijk verschrijving is niet gebleken. Dat verweerders in hun verweerschrift in strijd met de waarheid hebben verklaard is derhalve niet komen vast te staan. De klacht is dan ook kennelijk ongegrond.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klachten, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. C. Kraak, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2020.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op 11 mei 2020 

mededelingen van de griffier ter informatie:

Deze beslissing is gelijktijdig in afschrift verzonden.