Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2020:65 Accountantskamer Zwolle 20/416 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2020:65
Datum uitspraak: 06-11-2020
Datum publicatie: 06-11-2020
Zaaknummer(s): 20/416 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
  • Klacht gegrond met waarschuwing
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Een accountant wordt verweten dat hij de opdracht om de jaarrekening van klagers samen te stellen op oneigenlijke gronden zou hebben teruggegeven. Dit verwijt treft geen doel. Omdat duidelijk was dat klagers niet wilden instemmen met de door de accountant voorgestelde aanpassingen in de jaarcijfers van klagers, bestond voor de accountant een deugdelijke grond om de opdracht terug te geven. Daarbij heeft de accountant ook voldoende zorgvuldig gehandeld. Het verwijt dat de accountant klagers ten onrechte niet heeft geadviseerd om hun organisatiestructuur aan te passen in verband met de groei van hun onderneming faalt ook. Gelet op de aard en de omvang van de aan de accountant verstrekte opdracht mocht ongevraagde advisering vanuit de accountant zelf niet worden verwacht. Wel kan de accountant worden verweten dat in de jaarrekeningen 2015, 2016 en 2017 van klagers geen wettelijke reserves zijn aangehouden in verband met activering van immateriële vaste activa. De klacht is daarom gedeeltelijk gegrond. Waarschuwing.      

ACCOUNTANTS KAMER

 

UITSPRAAK van 6 november 2020 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 25 februari 2020 ontvangen klacht met nummer 20/416 Wtra AK van

1. X1 B.V.

2. X2 B.V.

beide gevestigd te [plaats1]

K L A G E R S

advocaat: mr. B.J.M.P. Cremers te Breda

t e g e n

Y

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E NE

advocaat: mr. R. Bosman te Rotterdam

1.             De procedure

1.1.         De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-          het klaagschrift met bijlagen

-          het verweerschrift met bijlagen

-          de brief van klagers van 14 september 2020 met bijlagen

-          de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.         De klacht is behandeld op de openbare zitting van 25 september 2020. Klagers hebben zich laten vertegenwoordigen door de heer [A] (via Skype) en de heer [B], bijgestaan door hun advocaat. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.  

2.             De feiten

2.1.         Betrokkene is sinds 1991 ingeschreven in het accountantsregister van de Nba. Hij is verbonden aan [accountantskantoor1] te [plaats2] (verder: het accountantskantoor).

2.2.         Klagers hebben op 20 mei 2015 de opdracht aan het accountantskantoor verstrekt om de volgende jaarlijks terugkerende werkzaamheden te verrichten:

-          het verzorgen van de salarisadministratie

-          het samenstellen van de jaarrekening

-          het verzorgen van de aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting.

2.3.         Betrokkene was de eindverantwoordelijke accountant voor deze opdracht. De heer [C] was de betrokken assistent-accountant (verder: de assistent-accountant).

2.4.         De activiteiten van de onderneming van klagers zijn ondergebracht bij klager sub 2 (dochtermaatschappij van klager sub 1). De onroerende zaken van de onderneming zijn ondergebracht bij klager sub 1.

2.5.         Vanaf 2015 is de onderneming van klagers sterk gegroeid. Klagers voldeden in het boekjaar 2018 (geconsolideerd) aan de criteria van een middelgrote vennootschap, waardoor zij vanaf boekjaar 2019 onder de wettelijke controleplicht zouden vallen.

2.6.         Omdat het accountantskantoor niet beschikte over een vergunning om wettelijke controles uit te voeren, hebben klagers in het najaar van 2018 aan [accountantskantoor2] (verder: [accountantskantoor2]) de opdracht gegeven om vanaf boekjaar 2019 genoemde wettelijke controle uit te voeren.

2.7.         De assistent-accountant van betrokkene heeft in oktober 2018 met klagers afgesproken dat op 14 januari 2019 op het kantoor van klagers een start zou worden gemaakt met het samenstellen van de jaarrekening 2018. Klagers hebben deze afspraak op 10 december 2018 afgezegd. Daarbij hebben zij voorgesteld om de afspraak op 22, 23 of 25 januari 2019 te laten plaatsvinden.

2.8.         De afspraak heeft niet op de door klagers voorgestelde data plaatsvonden, omdat het accountantskantoor nog niet over alle benodigde informatie voor de jaarrekening 2018 beschikte. Klagers zijn verzocht deze informatie alsnog aan te leveren.

2.9.         Op 25 januari 2019 hebben klagers aan betrokkene laten weten dat zij vasthouden aan oplevering van de concept-jaarrekening op 1 februari 2019. Klagers benadrukken dat vanwege ‘het groeifinancieringstraject’ niet van dit tijdpad kan worden afgeweken.  

2.10.       Op 28 januari 2019 krijgt de assistent-accountant bericht dat de gevraagde bestanden gereed staan in Onehub. De assistent-accountant heeft daarop gereageerd dat hij de volgende dag kan starten met de jaarstukken en dat hij daarvoor samen met een medewerkster van [accountantskantoor2] naar het kantoor van klagers zou komen.

2.11.       Op 31 januari 2019 hebben klagers betrokkene voorgesteld om de bespreking van de concept-jaarrekening op 5 februari 2019 te laten plaatsvinden.

2.12.       Betrokkene heeft dezelfde dag per e-mail aan klagers bericht dat deze datum niet haalbaar is, omdat de samenstellingswerkzaamheden nog niet waren afgerond. Ook heeft hij meegedeeld dat de jaarrekening 2018 zou afwijken van de interne cijfers van klagers, omdat er op een aantal punten aanpassingen moeten worden gedaan. Deze aanpassingen hebben betrekking op de activering van website-kosten (en daarbij het opnemen van een wettelijke reserve), de voorgestelde herwaardering van onroerend goed naar actuele waarde, en de afschrijving op de incourante voorraad. 

2.13.       Op 1 februari 2019 hebben klagers aan betrokkene laten weten dat zij geen reden zien voor afwijking van de intern opgestelde commerciële balans:

”(…) We gaan de branding kosten niet afschrijven zoals jij beschrijft (...). De herwaardering van de gebouwen heeft de directie (...) bepaald, [bedrijfsnaam] wil deze hogere waardering laten zien in haar balans. (…) Op basis van bovenstaande punten, zien wij geen enkele reden waarom de jaarrekening 2018 af moet wijken van de door ons opgestelde “commerciële balans”. Nogmaals, de jaarrekening 2018 wordt afgerond en gepubliceerd gelijk aan voorafgaande jaren. (…)”

2.14.       Betrokkene heeft in zijn e-mail aan klagers van 5 februari 2019 (nogmaals) toegelicht waarom hij op basis van de door klagers opgestelde interne cijfers geen samenstellingsverklaring kan afgeven. Daarbij heeft hij opgemerkt dat hij de opdracht moet teruggeven als klagers wel een samenstellingsverklaring bij hun concept-jaarrekening wensen.

2.15.       Vervolgens heeft dezelfde dag telefonisch overleg plaatsgevonden tussen betrokkene en klagers.

2.16.       Betrokkene heeft bij brief van 6 februari 2019 de opdracht om de jaarrekening voor klagers samen te stellen teruggegeven in verband met een vertrouwensbreuk tussen hem en klagers.

2.17.       Klagers zijn daarna een overeenkomst van opdracht aangegaan met [accountantskantoor3] (verder: [accountantskantoor3]). Dit accountantskantoor heeft de herstructurering van de onderneming van klagers begeleid en de jaarrekening voor 2018 samengesteld.

3.             De klacht

3.1.         Betrokkene heeft volgens klagers gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Klagers verwijten betrokkene het volgende:

a. de opzegging van de overeenkomst van opdracht op 6 februari 2019 met onmiddellijke ingang is in strijd met de fundamentele beginselen van professionaliteit, integriteit en zorgvuldigheid;

b. betrokkene is als adviseur van klagers tekortgeschoten, omdat hij risico’s in verband met de sterke groei van de onderneming niet heeft gesignaleerd en hij klagers daarover ook niet heeft geadviseerd;

c. betrokkene heeft verzuimd om in de jaarrekeningen 2015, 2016 en 2017 een wettelijke reserve op te nemen in verband met de activering van immateriële vaste activa;

d. betrokkene heeft in 2018 aan klagers ten onrechte geadviseerd om de bedrijfspanden van klagers sub 1 te herwaarderen tegen actuele waarde.

4.             De beoordeling

4.1.         Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en de Nadere voorschriften controle- en overige Standaarden (NV COS).

4.2.         Voorop wordt gesteld dat het in beginsel aan een klager is om feiten en omstandigheden te stellen die tot het oordeel kunnen leiden dat een accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In geval van (gemotiveerde) betwisting is het aan een klager om deze feiten en omstandigheden aannemelijk te maken.

Klachtonderdeel a: het opzeggen van de overeenkomst van opdracht

4.3.         Klagers hebben met betrekking tot dit klachtonderdeel aangevoerd dat betrokkene de overeenkomst op oneigenlijke gronden heeft opgezegd. Volgens klagers was geen sprake van een vertrouwensbreuk en heeft betrokkene met de opzegging geprobeerd om zijn eigen vaktechnische fouten te verhullen. Klagers hebben gesteld dat zij niet hebben geëist dat betrokkene een samenstellingsverklaring zou afgeven bij hun interne cijfers. Zij hebben alleen aangedrongen op een spoedige afwerking van de jaarrekening en hebben tijdens het telefoongesprek van 5 februari 2019 alleen kritische vragen gesteld. De afspraak was dat de jaarrekening uiterlijk op 1 februari 2019 gereed zou zijn en betrokkene heeft zich niet aan deze afspraak gehouden. Verder hebben klagers aangevoerd dat zij door de opzegging plotseling geen accountant meer hadden, terwijl zij een groot belang hadden bij een spoedige afronding van de jaarrekening in verband met afspraken met de bank en andere financiers.

4.4.         De Accountantskamer overweegt dat Standaard 4410 van NV COS (zoals destijds geldend) van toepassing is op de aan betrokkene verstrekte samenstellingsopdracht. In deze Standaard zijn specifieke regels voor het teruggeven van een samenstellingsopdracht opgenomen. Op grond van deze regels moet een accountant die zich ervan bewust wordt dat aanpassingen aan de samengestelde historische financiële informatie zijn vereist zodat deze informatie geen afwijking van materieel belang bevat, de geschikte aanpassingen aan het management voorstellen. Als het management daarna weigert, of het de accountant niet toestaat, de voorgestelde aanpassingen aan te brengen, moet de accountant de opdracht teruggeven. [1]

4.5.         De Accountantskamer acht aannemelijk geworden dat de door betrokkene voorgestelde aanpassingen in de door klagers opgestelde jaarcijfers betrekking hebben op afwijkingen van materieel belang, en dat klagers niet met deze aanpassingen wilden instemmen. Klagers hebben in hun e-mail van 1 februari 2019 duidelijk te kennen gegeven dat zij geen enkele reden voor deze aanpassingen zien. Na de toelichting van betrokkene in zijn e-mail van 5 februari 2019 en het daarna gehouden telefoongesprek zijn klagers niet op dit standpunt teruggekomen. Gezien deze houding van klagers, mede gezien de kritiek van klagers op zijn werkzaamheden in de daaraan voorafgaande maanden, mocht betrokkene ervan uitgaan dat klagers zouden blijven vasthouden aan hun wens dat een samenstellingsverklaring zou worden afgegeven bij hun eigen jaarcijfers zonder aanpassingen. Betrokkene is terecht niet meegegaan in deze wens van klagers, wat door hem op de zitting is omschreven als “de rug recht houden”. Gelet hierop bestond voor betrokkene – in overeenstemming met Standaard 4410 – een deugdelijke grond om de opdracht terug te geven.  

4.6.         Verder wordt overwogen dat een accountant de fundamentele beginselen in acht moet nemen, ook als sprake is van een deugdelijke reden voor het teruggeven van een opdracht. Daarom moet worden beoordeeld of betrokkene zich bij het teruggeven van de opdracht heeft gehouden aan het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

De Accountantskamer is van oordeel dat dit het geval is. Hiervoor is van belang dat betrokkene in zijn e-mail van 5 februari 2019 duidelijk heeft vermeld dat hij de opdracht zou teruggeven als klagers zouden vasthouden aan hun wens dat hij een samenstellingsverklaring zou afgeven bij hun eigen jaarcijfers. Hiermee heeft betrokkene voldoende duidelijk gemaakt wat de gevolgen zouden zijn als klagers niet met de voorgestelde aanpassingen zouden instemmen. Dat betrokkene de volgende dag al heeft besloten om de opdracht terug te geven, betekent niet dat hij dit besluit onvoldoende weloverwogen heeft genomen. Omdat voldoende duidelijk was dat klagers niet met de aanpassingen zouden willen instemmen, hoefde hij niet te wachten met zijn beslissing. Bovendien heeft betrokkene bij zijn besluit om de samenstellingsopdracht terug te geven voldoende oog gehad voor de belangen van klagers. Omdat klagers in verband met een financieringsproject belang hadden bij een snelle samenstelling van de jaarrekening, was het juist in hun belang dat betrokkene zo snel mogelijk duidelijkheid heeft verschaft. Hierdoor konden klagers snel op zoek gaan naar een ander accountantskantoor en is niet onnodig tijd verloren gegaan. Daar komt nog bij dat betrokkene wist, zoals hij ter zitting heeft verklaard, dat klagers al contact hadden gehad met een ander accountantskantoor, wat door klagers op de zitting is erkend. Nadat betrokkene de opdracht had teruggegeven, heeft het nieuwe accountantskantoor de jaarrekening van klagers over 2018 alsnog samengesteld. Gesteld noch gebleken is dat deze jaarrekening te laat gereed is gekomen of dat er met betrekking tot het financieringsproject problemen zijn geweest.  

4.7.         Voor zover dit klachtonderdeel zich ook richt tegen het feit dat de jaarrekening 2018 niet zoals eerdere jaren op 1 februari 2019 gereed was, wordt overwogen dat dit niet alleen aan betrokkene kan worden verweten. Doordat klagers pas op 28 januari 2019 alle gevraagde stukken met het accountantskantoor hebben gedeeld, kon de assistent-accountant niet eerder dan op

29 januari 2019 beginnen met de werkzaamheden voor deze jaarrekening. Daarnaast is op de zitting gebleken dat de onderneming van klagers in 2018 met 88% is gegroeid, waardoor het samenstellen van de jaarrekening over 2018 meer tijd kostte dan voorgaande jaren.

4.8.         Uit het voorgaande volgt dat het klachtonderdeel ongegrond is.

Klachtonderdeel b: tekortschieten als adviseur van de onderneming

4.9.         In verband met dit klachtonderdeel hebben klagers naar voren gebracht dat hun onderneming na 2015 enorm is gegroeid. Volgens klagers had betrokkene moeten signaleren dat vanuit het oogpunt van risicospreiding en aansturing voortzetting van de oude organisatiestructuur onverantwoord was. Ook had hij klagers daarover moeten adviseren. De nieuwe accountant van klagers heeft de herstructurering als een van zijn eerste taken gezien. Door deze nieuwe structuur vallen klagers ook niet langer onder de wettelijke controleplicht. Als betrokkene de risico’s op tijd had gesignaleerd en klagers daarover had geadviseerd, hadden de extra werkzaamheden en kosten in verband met de wettelijke controle over 2019 kunnen worden voorkomen.

4.10.       De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene niet kan worden verweten dat hij klagers niet uit eigen beweging heeft geadviseerd over de structuur van hun onderneming. Betrokkene had daarvoor immers geen opdracht. In de opdrachtbevestiging zijn de overeengekomen werkzaamheden duidelijk omschreven (zie 2.2). Advisering over de structuur van de onderneming valt niet onder deze werkzaamheden. Bovendien heeft betrokkene op de zitting onweersproken verklaard dat hij slechts één keer per jaar contact met klagers had. Tijdens dit contact werd alleen de jaarrekening besproken. In de tussentijd hebben klagers betrokkene nooit om advies gevraagd over hun organisatiestructuur. Gelet op de aard en omvang van een dergelijke opdracht mag ongevraagde advisering vanuit de accountant zelf niet worden verwacht. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel c: het niet opnemen van een wettelijke reserve

4.11.       Klagers hebben ten aanzien van dit klachtonderdeel aangevoerd dat in de jaarrekeningen 2015, 2016 en 2017 geen wettelijke reserves zijn aangehouden, terwijl bepaalde kosten waren geactiveerd als immateriële vaste activa. Volgens klagers zouden de over deze jaren uitbetaalde dividenduitkeringen de balanstest niet hebben doorstaan, als deze reserves wel waren aangehouden. Daarbij hebben klagers erop gewezen dat deze dividenduitkeringen zijn gedaan zonder dat betrokkene een balans- of uitkeringstoets heeft gedaan.

4.12.       Betrokkene heeft erkend dat in de jaarrekeningen over de jaren 2015, 2016 en 2017 geen wettelijke reserves zijn aangehouden, terwijl dat wel had gemoeten in verband met activering van immateriële vaste activa. Gelet hierop is de Accountantskamer van oordeel dat  betrokkene heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Dit klachtonderdeel is in zoverre gegrond.

4.13.       Verder wordt overwogen dat betrokkene niet kan worden verweten dat hij geen balanstest of uitkeringstoets heeft gedaan. Het is de verantwoordelijkheid van het bestuur van klagers dat deze test wordt uitgevoerd. Betrokkene heeft geen opdracht gekregen om deze test uit te voeren of om klagers daarbij te ondersteunen. In zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond.   

Klachtonderdeel d: het advies om panden te herwaarderen tegen actuele waarde

4.14.       Volgens klagers heeft betrokkene aan hen in 2018 de mogelijkheid voorgehouden om de bedrijfspanden te herwaarderen tegen actuele waarde, en geadviseerd om de panden door een taxateur te laten waarderen. Klagers hebben dit advies gevolgd en deze herwaardering meegenomen in de financieringsvoorstellen en –besprekingen. Zij hebben in verband daarmee (taxatie)kosten gemaakt. Klagers hebben gesteld dat zij pas achteraf hebben vernomen dat het herwaarderen van panden in eigen gebruik tegen de actuele verkoopwaarde vanaf 1 januari 2016 niet meer mogelijk is.

4.15.       Betrokkene heeft bestreden dat hij klagers heeft geadviseerd om de bedrijfspanden te herwaarderen tegen actuele waarde. Volgens betrokkene hebben klagers hem in december 2018 gevraagd wat de geschatte waarde van hun totale aandelenpakket was. Daarop heeft betrokkene aan klagers gevraagd wat de bedoeling was en opgemerkt dat er dan taxaties/inschattingen gemaakt zouden moeten worden van onder andere de aanwezige activa en toekomstige investeringen. Hierbij heeft betrokkene verwezen naar twee e-mailberichten van 7 en 10 december 2018, die hij als bijlage bij het verweerschrift heeft gevoegd. Herwaardering van de bedrijfspanden is volgens betrokkene nooit aan de orde geweest.

4.16.       Gelet op deze gemotiveerde betwisting, lag het op de weg van klagers om hun standpunt verder te onderbouwen. Omdat zij dat niet hebben gedaan, is niet aannemelijk geworden dat betrokkene klagers heeft geadviseerd om hun bedrijfspanden te herwaarderen tegen actuele waarde. Het klachtonderdeel is daarom ongegrond.

4.17.       De conclusie is dat de klacht wat betreft klachtonderdeel c. gedeeltelijk gegrond zal worden verklaard. De klacht is voor het overige ongegrond.  

5.             De maatregel

5.1.         Omdat de klacht (gedeeltelijk) gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. De maatregel van waarschuwing is passend en geboden.

Daarbij is in aanmerking genomen dat betrokkene zich onvoldoende aan het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid heeft gehouden door geen wettelijke reserves op te nemen in de jaarrekeningen van klagers over 2015, 2016 en 2017. Aan de andere kant is meegewogen dat betrokkene niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld en dat hij deze fout in de jaarrekeningen zelf heeft geconstateerd en klagers daarvan op de hoogte heeft gesteld.

6.             De beslissing

De Accountantskamer:

·         verklaart het klachtonderdeel c. gedeeltelijk gegrond;

·         verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

·         legt aan betrokkene op de maatregel van

- waarschuwing ;

·         verstaat dat de AFM en de voorzitter van de Nba na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;

·         verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klagers betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klagers vergoedt.

Aldus beslist door mr. A.A.J. Lemain, voorzitter, mr. A.M. van Amsterdam en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper (rechterlijke leden) en E.M. van der Velden AA en A.M.H. Homminga AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.N.M. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 6 november 2020.

_________                                                                                                                     __________

secretaris                                                                                                                          voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.


[1] Paragraaf 34 en 35 Standaard 4410