Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2020:59 Accountantskamer Zwolle 19/1996-1997-1998-1999, 19/2030-2031-2032-2033, 19-2075-2076-2077-2078, 19/2164-2165-2166-2167, 19/2289-2290-2291-2292, 19-2421-2422-2423-2424 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2020:59
Datum uitspraak: 09-10-2020
Datum publicatie: 09-10-2020
Zaaknummer(s): 19/1996-1997-1998-1999, 19/2030-2031-2032-2033, 19-2075-2076-2077-2078, 19/2164-2165-2166-2167, 19/2289-2290-2291-2292, 19-2421-2422-2423-2424 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
  • Klacht niet-ontvankelijk
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Diverse klachten naar aanleiding van verricht onderzoek naar aanleiding van signalen over onregelmatigheden; vervolg op eerdere klachten. Klachtonderdelen d (deels), f, g, j, k en m niet-ontvankelijk; klachtonderdelen a, b, c, d (deels), e, h, i, l, n, o en p ongegrond. Geen misbruik van tuchtrecht. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkenen er ten tijde van het uitvoeren van het persoonsgericht onderzoek van mochten uitgaan dat de accountantsorganisatie onder de uitzondering van artikel 1, derde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus viel.

ACCOUNTANTS KAMER

 

UITSPRAAK op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de zaken met nummers  19/1996, 19/1997, 19/1998, 19/1999, 19/2030, 19/2031, 19/2032, 19/2033, 19/2075, 19/2076, 19/2077, 19/2078, 19/2164, 19/2165, 19/2166, 19/2167, 19/2289, 19/2290, 19/2291, 19/2292, 19/2421, 19/2422, 19/2423 en 19/2424 Wtra AK van 9 oktober 2020 van

MR. X

wonende te [plaats1]

K L A G E R

t e g e n

Y1

kantoorhoudende te [plaats2]

Y2

kantoorhoudende te [plaats3]

Y3

kantoorhoudende te [plaats4]

Y4

kantoorhoudende te [plaats4]

allen registeraccountant

B E T R O K K E N E N

advocaten: mr. F.C.M. van der Velden en mr. W.K. van den Berg, te Amsterdam

1.            De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-        de ongedateerde klaagschriften, ontvangen op 1 november 2019, met bijlagen,

-        de e-mail van klager van 5 november 2019,

-        het klaagschrift van 31 oktober 2019, ontvangen op 1 november 2019, met bijlagen,

-        het klaagschrift van 6 november 2019, ontvangen op 7 november 2019, met bijlagen,

-        het klaagschrift van 13 november 2019, ontvangen op 14 november 2019, met bijlagen,

-        het klaagschrift van 20 november 2019, ontvangen op 22 november 2019, met bijlagen,

-        het klaagschrift van 4 december 2019, ontvangen op 5 december 2019, met bijlagen,

-        het schrijven van klager van 4 december 2019, ontvangen op 6 december 2019,

-        het klaagschrift van 18 december 2019, ontvangen op 20 december 2019, met bijlagen,

-        de brief van betrokkenen van 20 december 2019,

-        het verweerschrift van 3 maart 2020, met bijlagen,

-        de e-mail van betrokkenen van 20 maart 2020,

-        de op 6 en 9 maart 2020 door klager toegezonden nadere producties,

-        de ongedateerde brief van klager, ontvangen op 26 maart 2020,

-        de ongedateerde brief van klager, ontvangen op 27 maart 2020,

-        de brief van klager van 26 maart 2020, ontvangen op 27 maart 2020, met bijlage,

-        de brief van klager van 12 mei 2020, ontvangen op 13 mei 2020, met bijlagen,

-        de brief van klager van 19 mei 2020, ontvangen op 19 mei 2020, met bijlagen,

-        de brief van klager van 17 mei 2020, ontvangen op 20 mei 2020, met bijlage,

-        de brief van klager van 20 mei 2020, ontvangen op 22 mei 2020, met bijlage,

-        de e-mail van klager van 4 juni 2020, met pleitnota als bijlage,

-        de e-mail van betrokkenen van 11 juni 2020,

-        de e-mail van betrokkenen van 16 juni 2020,

-        de op 16 juni 2020 ontvangen pleitnota van betrokkenen,

-        de repliek van 25 juni 2020, ontvangen op 26 juni 2020,

-        de gecorrigeerde versie repliek van 28 juni 2020, ontvangen op 30 juni 2020,

-        de dupliek van 1 juli 2020, ontvangen op 1 juli 2020.

1.2.        Vanwege ziekte van klager is de geplande behandeling ter zitting, op 5 juni 2020, niet doorgegaan. Partijen hebben de Accountantskamer toestemming verleend om een behandeling ter zitting achterwege te laten.

1.3.       De Accountantskamer heeft partijen in de gelegenheid gesteld om in repliek en dupliek schriftelijk op elkaars standpunten te reageren, wat zij hebben gedaan. Hoewel betrokkenen daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, hebben zij geen gebruik gemaakt van het recht voor het laatst (schriftelijk) het woord te voeren.

1.4.       De Accountantskamer heeft het onderzoek vervolgens op 13 juli 2020 gesloten.

2.            De feiten

2.1.        Betrokkene [Y1] (hierna: [Y1]) is sinds [datum] ingeschreven in het accountantsregister van de Nba. Betrokkene [Y2] (hierna: [Y2]) is sinds [datum] ingeschreven in het accountantsregister van de Nba. Betrokkene [Y3] (hierna: [Y3]) is sinds [datum] ingeschreven in het accountantsregister van de Nba. Betrokkene [Y4] (hierna: [Y4]) is sinds [datum] ingeschreven in het accountantsregister van de Nba.

2.2.       Klager was tot omstreeks 2013  werkzaam bij de gemeente [gemeente1], waar hij een tweetal aanstellingen had. Klager was budgethouder voor een aantal projecten. Ook was hij kernteamlid bij [vereniging], een vereniging van gemeentelijke managers op het terrein van participatie, werk en inkomen. Klager was bevoegd om voor een project van [vereniging] uitgaven goed te keuren. De werkzaamheden van klager vielen binnen het terrein van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe) van de gemeente [gemeente1]. Naast zijn werkzaamheden voor de gemeente [gemeente1] was klager (indirect) bestuurder en enig aandeelhouder van het bedrijf [BV1] (hierna: [BV1]).

[BV1] heeft bedragen in rekening gebracht bij derde ondernemingen (ook wel aangeduid als ‘tussenstations’), die deze bedragen hebben doorbelast aan SoZaWe en aan [vereniging]. De facturering vond plaats op instructie van klager. De desbetreffende facturen zijn bij SoZaWe en [vereniging] ter uitbetaling afgetekend en goedgekeurd, ten laste van budgetten waarover klager als budgethouder kon beschikken.

De aanstellingen van klager zijn per 1 augustus 2011 (vervroegd) beëindigd. De gemeente [gemeente1] heeft naar aanleiding van signalen over onregelmatigheden [NV1] (hierna: [NV1]) benaderd om onderzoek te doen. Op 24 april 2013 heeft [NV1] een eerste rapport uitgebracht. Nader onderzoek door betrokkenen heeft geleid tot een tweede rapport, van 17 juli 2015.

Klager is gedagvaard door de gemeente [gemeente1]. Tevens is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen klager. Klager bevindt zich in staat van faillissement.

Klager houdt betrokkenen in belangrijke mate verantwoordelijk voor de toestand waarin hij terecht is gekomen.

2.3.       Klager heeft drie maal eerder klachten tegen betrokkenen ingediend bij de Accountantskamer.

Bij uitspraak van 23 april 2018 (16/2542-16/2545) heeft de Accountantskamer de op 28 oktober 2016 tegen betrokkenen ingediende klachten ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 juni 2019 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven deze uitspraak bevestigd.

Bij uitspraak van 22 maart 2019 (17/2473-17/2476) heeft de Accountantskamer de op 20 november 2017 tegen betrokkenen ingediende klachtonderdelen 1, 2 (deels), 8, 9, 42, 43, 46 en 48 niet-ontvankelijk verklaard en de klachtonderdelen 2 (deels), 3 tot en met 7, 10 tot en met 41, 44, 45, 47 en 49 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 november 2018 (17/2552-17/2554) heeft de Accountantskamer de op 28 november 2017 tegen [Y1], [Y3] en [Y4] ingediende klachten niet-ontvankelijk verklaard.

2.4.       Bij klaagschriften, ontvangen op 1 november 2019, heeft klager een vijftal klachtonderdelen ingediend (zie hierna, bij 3.1; klachtonderdelen a t/m e). Aan deze klaagschriften zijn de nummers 19/1996 tot en met 19/1999 toegekend.

Bij klaagschrift, ontvangen op 7 november 2019, heeft klager een tweetal klachtonderdelen ingediend (zie hierna, bij 3.1; klachtonderdelen f en g). Aan dit klaagschrift zijn de nummers 19/2030 tot en met 19/2033 toegekend.

Bij klaagschrift, ontvangen op 14 november 2019, heeft klager een tweetal klachtonderdelen ingediend (zie hierna, bij 3.1; klachtonderdeel h en i). Aan dit klaagschrift zijn de nummers 19/2075 tot en met 19/2078 toegekend.

Bij klaagschrift, ontvangen op 22 november 2019, heeft klager een viertal klachtonderdelen ingediend (zie hierna, bij 3.1; klachtonderdelen j t/m m). Aan dit klaagschrift zijn de nummers 19/2164 tot en met 19/2167 toegekend.

Bij klaagschrift, ontvangen op 5 december 2019, heeft klager een tweetal klachtonderdelen ingediend (zie hierna, bij 3.1; klachtonderdelen n en o). Aan dit klaagschrift zijn de nummers 19/2289 tot en met 19/2292 toegekend.

Bij klaagschrift, ontvangen op 20 december 2019, heeft klager één klachtonderdeel ingediend (zie hierna, bij 3.1; klachtonderdeel p). Aan dit klaagschrift zijn de nummers 19/2421 tot en met 19/2424 toegekend.

3.            De klacht

3.1.        Betrokkenen hebben volgens klager gehandeld in strijd met de voor hen geldende gedrags- en beroepsregels. Klager verwijt betrokkenen het volgende:

a.           [Y3] heeft tijdens het getuigenverhoor in de strafzaak tegen klager ten onrechte verklaard dat zij niet weet waarom er ten aanzien van 2009-2011 geen regeling was met betrekking tot de mandaten en bevoegdheden van budgethouders en dat zij het “moest doen met de regeling van 2013” ;

b.           [Y3] heeft tijdens het getuigenverhoor in de strafzaak tegen klager ten onrechte verklaard dat zij niet weet wie haar heeft verteld dat de regeling van 2013 bruikbaar was;

c.           betrokkenen hebben ten onrechte geen antwoord gegeven op vragen van klager over de in de klachtonderdelen a en b genoemde verklaringen;

d.           betrokkenen en hun advocaten spelen woordspelletjes door onduidelijkheid te scheppen over wie namens wie spreekt en stellingen inneemt;

e.           [Y1], [Y2] en [Y4] hebben ten onrechte geen afstand genomen van de verklaringen die [Y3] in het getuigenverhoor in de strafzaak tegen klager heeft afgelegd;

f.            betrokkenen hebben twee persoongerichte onderzoeken uitgevoerd naar klager zonder dat zij over een vergunning op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Wpbr) beschikten;

g.           betrokkenen hebben twee persoonsgerichte onderzoeken uitgevoerd, waarbij zij in

              strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) en de Algemene

              Verordening Gegevensbescherming (AVG) zonder toestemming van klager zijn

              persoonlijke gegevens hebben verwerkt;

h.           [Y3] heeft tijdens het getuigenverhoor in de strafzaak tegen klager onjuiste verklaringen afgelegd;

i.            [Y1], [Y2] en [Y4] hebben ten onrechte geen afstand genomen van de verklaringen die [Y3] tijdens het getuigenverhoor in de strafzaak tegen klager heeft afgelegd;

j.            betrokkenen hebben in strijd met de Wbp en de Wpbr bewijsmateriaal, namelijk de gespreksverslagen, verkregen, verwerkt en gebruikt;

k.           betrokkenen hebben de gespreksverslagen ten onrechte niet aan klager verstrekt;

l.            betrokkenen hebben de niet door geïnterviewden ondertekende gespreksverslagen in

              de gevoerde tuchtprocedure ten onrechte aangeduid als verklaringen van de geïnterviewden;

m.         betrokkenen hebben toegestaan dat het concept-rapport van 25 maart 2015 werd gebruikt in de aangifte door de gemeente [gemeente1] tegen klager;

n.           betrokkenen hebben bepaalde incidenten niet gemeld bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) of gemeld op grond van de Nadere Voorschriften Non Compliance with Law and Regulations (hierna: NOCLAR);

o.           betrokkenen hebben geen maatregelen getroffen om herhaling van deze incidenten te voorkomen;

p.           betrokkenen hebben ten onrechte geen antwoord gegeven op vragen die klager in het kader van de lopende tuchtprocedures aan hen gesteld heeft.

4.            De beoordeling

4.1.        Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft, moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en de Nadere voorschriften controle- en overige Standaarden (NV COS).

De weigering van de schriftelijke reactie op het verweerschrift

4.2.1.    Bij brieven van 6 maart 2020 en 9 maart 2020 heeft klager nadere producties aan de Accountantskamer doen toekomen, vergezeld van een uitgebreide schriftelijke reactie op het door betrokkenen ingediende verweerschrift. De Accountantskamer heeft de door klager ingebrachte producties geaccepteerd, maar heeft de in deze brieven neergelegde reacties geweigerd, omdat de procedure voorafgaand aan de zitting op grond van het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van het procesreglement van de Accountantskamer in beginsel beperkt blijft tot één schriftelijke ronde, bestaande uit het klaagschrift en het verweerschrift. Op het tijdstip waarop klager zijn schriftelijke reacties van 6 maart 2020 en 9 maart 2020 inbracht, was het de bedoeling dat de klachten op de zitting van 5 juni 2020 zouden worden behandeld. De voorzitter had op dat moment (nog) niet besloten tot het doen houden van een extra schriftelijke ronde, bestaande uit schriftelijke repliek en dupliek.

4.2.2.    Naar aanleiding van het standpunt van klager dat het weigeren van de schriftelijke reacties van 6 maart 2020 en 9 maart 2020 in strijd zou zijn met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en met artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) overweegt de Accountantskamer als volgt.

Het wettelijk tuchtrecht voor accountants heeft in de eerste plaats tot doel om in het algemeen belang een goede wijze van beroepsuitoefening te bevorderen. Om een beroep op artikel 6 van het EVRM te kunnen doen is vereist dat de procedure betrekking heeft op het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen (de civielrechtelijke poot van artikel 6 EVRM) dan wel op het vaststellen van de gegrondheid van een strafvervolging (de strafrechtelijke poot van artikel 6 EVRM).

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) heeft bij uitspraak van 16 november 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:359) geoordeeld dat gelet op de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en de karakteristieken van het Nederlandse accountantstuchtrecht, geen sprake is van een criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De strafrechtelijke poot van artikel 6 EVRM is daarom niet van toepassing.

De Accountantskamer is van oordeel dat de regeling van de tuchtrechtspraak voor accountants op grond van de Wet tuchtrechtspraak accountants (hierna: Wtra) niet ziet op de vaststelling van de burgerlijke rechten en verplichtingen van de klagende partij in de zin van artikel 6 van het EVRM. Dat klager mogelijk belang heeft bij de beslissing om “zijn” zaak vervolgens aan de civiele rechter voor te kunnen leggen, maakt dat oordeel niet anders, mede omdat met de beoordeling van de zaak door de tuchtrechter een geheel ander doel wordt gediend dan met de boordeling van de zaak door de civiele rechter.

Het beroep van klager op artikel 6 EVRM faalt om die reden.

Ten aanzien van het door klager gedane beroep op artikel 47 van het Handvest overweegt de Accountantskamer dat artikel 51, eerste lid, eerste volzin, van het Handvest bepaalt dat de bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Hieruit volgt dat de bepalingen van het Handvest, waarin artikel 47 van het Handvest, alleen gelden wanneer het recht van de Europese Unie ten uitvoer wordt gebracht.

De Accountantskamer is van oordeel dat de regeling van de tuchtrechtspraak voor accountants op grond van de Wtra niet het recht van de Europese Unie ten uitvoer brengt. Dit betekent dat klager geen beroep toekomt op het bepaalde in artikel 47 van het Handvest.

Het weigeren van de door klager ingebrachte schriftelijke reacties van 6 maart 2020 en 9 maart 2020 is dan ook niet in strijd met artikel 6 EVRM en/of artikel 47 van het Handvest.

4.2.3.    Nadat de zitting van 5 juni 2020 vanwege ziekte van klager geen doorgang kon vinden, hebben partijen toestemming verleend om de behandeling van de klachten ter zitting achterwege te laten. De Accountantskamer heeft partijen daarop in de gelegenheid gesteld om alsnog in repliek en dupliek schriftelijk op elkaars standpunten te reageren. Ook is aan betrokkenen gelegenheid geboden voor een laatste woord. Partijen zijn hiermee in voldoende mate in de gelegenheid gesteld om hun standpunten naar voren te brengen en om op elkaars standpunten te reageren.

Is sprake van misbruik van klachtrecht?

4.3.1.    De Accountantskamer zal eerst beoordelen of klager in zijn nieuwe klachten tegen betrokkene kan worden ontvangen. Betrokkenen menen dat klager misbruik van tuchtrecht maakt door opnieuw klachten tegen hen in te dienen. Zoals het CBb bij uitspraak van 4 april 2018 (16/1293; ECLI:NL:CBB:2018:99), heeft geoordeeld, is het doorgaans wenselijk dat een klager zijn klachten tegen een accountant zoveel mogelijk bundelt, maar een verplichting daartoe is niet opgenomen in de Wtra en deze vloeit ook niet voort uit de beginselen van een behoorlijke (tucht)procesorde of enig ander in dit verband in aanmerking te nemen algemeen rechtsbeginsel. Onder omstandigheden kan er aanleiding zijn om niettemin beperkingen te stellen aan de mogelijkheid om nieuwe klachten in te dienen, bijvoorbeeld omdat een inhoudelijke behandeling in strijd zou komen met enig algemeen rechtsbeginsel zoals die van een behoorlijke (tucht)procesorde, het hieruit voortvloeiende beginsel van ‘ne bis in idem’, of als sprake is van misbruik van klachtrecht.

4.3.2.    Onder bijzondere omstandigheden kan het steeds opnieuw indienen van klachten tegen een accountant weliswaar tot het oordeel leiden dat sprake is van misbruik van klachtrecht, maar hiervan is niet snel sprake. Van misbruik van klachtrecht is met name sprake indien aannemelijk is dat een klager door steeds opnieuw klachten in te dienen niet zozeer het handelen van de accountant ter toetsing wil voorleggen aan de Accountantskamer, maar het herhaaldelijk indienen van klachten vooral bedoeld lijkt te zijn als middel om de accountant hierdoor in persoon, los van de toetsing van door hem geleverde professionele diensten, of financieel te treffen.

4.3.3.    Betrokkenen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de klachten die klager in zijn klaagschriften als hiervoor, onder 2.4, genoemd, naar voren heeft gebracht vooral bedoeld zijn om betrokkenen hierdoor in persoon, los van de toetsing van door hen geleverde professionele diensten, dan wel financieel te treffen. Van misbruik van klachtrecht is dan ook geen sprake, zodat dit primaire verweer van betrokkenen wordt verworpen.

Beoordeling klachtonderdelen

4.4.       De Accountantskamer zal hierna de klachtonderdelen die zijn aangevoerd bespreken. Waar aangegeven, zullen klachtonderdelen tezamen worden behandeld.

Klachtonderdeel a:

[Y3] heeft tijdens het getuigenverhoor in de strafzaak tegen klager ten onrechte verklaard dat zij niet weet waarom er ten aanzien van 2009-2011 geen regeling was met betrekking tot de mandaten en bevoegdheden van budgethouders en dat zij het “moest doen met de regeling van 2013”.

Klachtonderdeel b:

[Y3] heeft tijdens het getuigenverhoor in de strafzaak tegen klager ten onrechte verklaard dat zij niet weet wie haar verteld heeft dat de regeling van 2013 bruikbaar was.

4.5.       Uit het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 1 juli 2019 door de rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam, in het kader van de strafzaak tegen klager, blijkt dat [Y3] in antwoord op een vraag van de rechter-commissaris het volgende heeft verklaard (de vraagstelling door de rechter-commissaris is cursief weergegeven):

Uit uw rapportage blijkt dat u de Regeling Financiën 2013 hebt gebruikt. Deze is dus ingegaan na de periode waarop uw onderzoek zag. Waarom hebt u daar genoegen mee genomen?

Omdat er geen ander document voor handen was. Wij hebben uit interviews vernomen dat de gang van zaken in 2009/2010 niet afweek van de regeling in 2013. Dat hebben wij toegelicht in het rapport. Ik heb gevraagd naar de regeling van 2009 tot 2011, maar mij is verteld dat deze er niet was en dat ik het moest doen met de regeling van 2013. Ik kan mij niet herinneren waarom deze er niet was. U vraagt mij of het gebruikelijk is om te rapporteren waarom het er niet is? Nee.

Wie heeft u bevestigd dat deze bruikbaar was?

Dat kan ik mij niet herinneren.

Klager stelt zich op het standpunt dat uit een brief van [A] (hierna: [A]), gemeentesecretaris van de gemeente [gemeente1], van 12 juli 2018, blijkt dat [Y3] op 1 juli 2019 in strijd met de waarheid heeft verklaard. Hij wijst er in dit verband op dat in de brief van [A] staat dat door de gemeente [gemeente1] voor [accountantskantoor] geen informatie is achtergehouden en dat aan [accountantskantoor] geen onjuiste informatie is verstrekt.

De Accountantskamer is van oordeel dat uit de brief van [A] niet blijkt dat wat [Y3] op 1 juli 2019 verklaard heeft, onjuist was. Dat aan haar verteld is dat de van 2009 tot 2011 geldende regeling er niet was, betekent niet dat destijds (bewust) informatie voor haar is achtergehouden dan wel dat onjuiste informatie aan haar is verstrekt door ambtenaren van de gemeente [gemeente1].

Zelfs indien, zoals klager meent, zou moeten worden aangenomen dat sprake is van twee tegenstrijdige verklaringen, dan volgt uit dat gegeven niet dat [Y3] degene is die in strijd met de waarheid heeft verklaard.

Klager heeft weliswaar gesteld dat [Y3] op 1 juli 2019 in strijd met de waarheid heeft verklaard dat zij niet weet wie haar heeft verteld dat de regeling van 2013 bruikbaar was, maar klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat [Y3] dat wèl wist.

Ten slotte heeft klager aangevoerd dat betrokkenen op last van de rechter-commissaris een overzicht aan het Openbaar Ministerie en de advocaat van klager hebben verstrekt van àlle gespreksverslagen en gespreksnotities die aan het [accountantskantoor] rapport ten grondslag hebben gelegen en dat dat overzicht geen enkel gespreksverslag of -notitie bevat waaruit blijkt dat:

-        [Y3] de gemeente [gemeente1] heeft gevraagd naar de van toepassing zijnde regelgeving 2009-2011 ten aanzien van mandaten en bevoegdheden van budgethouders, maar deze niet van de gemeente [gemeente1] te hebben gekregen;

-        [Y3] door de gemeente [gemeente1] is verteld “dat deze regeling er niet was” en dat zij het “moest doen met de regeling van 2013”;

-        iemand haar verteld heeft dat de regeling 2013 “bruikbaar”was.

Uit het feit dat álle gespreksverslagen en gespeksnotities moesten worden overgelegd en uit geen van die stukken blijkt dat de verklaring die [Y3] ten overstaan van de rechter-commissaris juist is, volgt volgens klager dat [Y3] een valse verklaring heeft afgelegd.

Anders dan klager stelt, is de Accountantskamer van oordeel dat uit het feit dat er geen gespreksverslagen of -notities zijn waaruit blijkt dat [Y3] de waarheid heeft gesproken niet zonder meer volgt dat zij dùs ten overstaan van de rechter-commissaris een onjuiste verklaring heeft afgelegd.

De klachtonderdelen a en b zijn daarom ongegrond.

Klachtonderdeel c:

Betrokkenen hebben ten onrechte geen antwoord gegeven op vragen van klager over de in de klachtonderdelen a en b genoemde verklaringen.

4.6.       De Accountantskamer stelt bij de beoordeling van dit klachtonderdeel voorop dat klager in de maanden september en oktober 2019 een groot aantal e-mails heeft gestuurd aan betrokkenen en aan hun advocaten. Deze e-mails bevatten ondermeer vragen aan betrokkenen. Betrokkenen hebben een niet onaanzienlijk deel van deze vragen, al dan niet via hun advocaten, beantwoord.

De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkenen niet op grond van enig voorschrift verplicht waren om alle vragen, zoals deze door klager waren geformuleerd, te beantwoorden. Klager was immers geen opdrachtgever van betrokkenen. Hierbij komt dat sommige aan betrokkenen gestelde vragen suggestief zijn geformuleerd en dat deze vragen ten dele ook al aan de orde waren gekomen in eerdere procedures.

Klachtonderdeel c is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel d:

Betrokkenen en hun advocaten spelen woordspelletjes door onduidelijkheid te scheppen over wie namens wie spreekt en stellingen inneemt.

4.7.       De Accountantskamer neemt aan dat dit klachtonderdeel blijkens de door klager gegeven toelichting hierop betrekking heeft op correspondentie die afkomstig is van de advocaten van betrokkenen. Voor zover nodig wijst de Accountantskamer er op dat bij de Accountantskamer alleen geklaagd kan worden over gedragingen van accountants en niet over gedragingen van anderen voor wie zij niet vaktechnisch verantwoordelijk zijn. Omdat betrokkenen niet vaktechnisch verantwoordelijk zijn voor gedragingen van hun advocaten, kan hierover niet bij de Accountantskamer worden geklaagd.

Voor zover klager zich er over beklaagt dat betrokkenen woordspelletjes spelen, oordeelt de Accountantskamer dat dit onvoldoende is onderbouwd. Dit klachtonderdeel is daarom in zoverre ongegrond.

Voor zover klager met dit klachtonderdeel doelt op het verweer dat betrokkenen in de derde tuchtprocedure hebben gevoerd naar aanleiding van het standpunt van klager dat sprake was van onjuiste of misleidende verklaringen van betrokkenen, overweegt de Accountantskamer dat dit klachtonderdeel al is beoordeeld in de uitspraak van de Accountantskamer van 22 maart 2019 inzake de klachten met de nummers 17/2473 tot en met 17/2476. De hierop betrekking hebbende klachtonderdelen zijn in rechtsoverwegingen 4.19 en 4.20 van die uitspraak ongegrond verklaard. Het algemeen rechtsbeginsel van ‘ne bis in idem’ staat er aan in de weg om dit in deze procedure opnieuw te beoordelen. Dit klachtonderdeel is daarom in zoverre niet-ontvankelijk.

Klachtonderdeel e:

[Y1], [Y2] en [Y4] hebben ten onrechte geen afstand genomen van de verklaringen die [Y3] in het getuigenverhoor in de strafzaak tegen klager heeft afgelegd.

4.8.       Zoals hiervoor is overwogen, is niet gebleken dat [Y3] onjuiste verklaringen heeft afgelegd in het getuigenverhoor in de strafzaak tegen klager. Reeds daarom hoefden [Y1], [Y2] en [Y4] geen afstand te nemen van de door [Y3] afgelegde verklaringen, nog daargelaten dat niet is aangetoond dat zij bekend waren met deze verklaringen en met de gestelde onjuistheid hiervan.

Klachtonderdeel e is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel f:

Betrokkenen hebben twee persoonsgerichte onderzoeken uitgevoerd naar klager zonder dat zij over een vergunning op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Wpbr) beschikten.

4.9.       De Accountantskamer overweegt ten aanzien van dit klachtonderdeel dat met ingang van 1 januari 2019 een klachttermijn van tien jaar geldt na het moment van de verweten gedraging. Het klachtonderdeel is binnen deze termijn ingediend. Op grond van de overgangswetgeving wordt een klacht(onderdeel) echter niet in behandeling genomen als de oude klachttermijn (die drie of zes jaar was) al vóór 1 januari 2019 was verstreken. Wat betreft de zesjaarstermijn moet worden beoordeeld of de verweten gedragingen van betrokkenen plaatsvonden vóór 1 januari 2013. Ten aanzien van de driejaarstermijn moet worden beoordeeld of klager vóór 1 januari 2016 zodanige feiten heeft geconstateerd of redelijkerwijs heeft kunnen constateren dat hij daarop een vermoeden van (mogelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten kon baseren. Daarbij is niet vereist dat een klager volledig op de hoogte is van de regelgeving voor accountants waarmee het handelen of nalaten (mogelijk) in strijd is.

Dit klachtonderdeel heeft betrekking op onderzoek dat heeft plaatsgevonden in de jaren 2013 tot en met 2015. Klager was vóór 1 januari 2016 met dit onderzoek bekend. De omstandigheid dat klager, naar hij heeft betoogd, eerst in september 2019 een lijst met vergunninghouders op grond van de Wpbr heeft ingezien en dat deze lijst eerst in 2018 door de dienst Justis is gepubliceerd, betekent op zichzelf genomen niet dat klager eerst met ingang van een deze tijdstippen kon vermoeden dat sprake was van (mogelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten. Dat de lijst met vergunninghouders eerst in 2018 door de dienst Justis is gepubliceerd, doet er niet aan af dat deze lijst ook daarvoor al openbaar was in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De Accountantskamer is van oordeel dat klager de informatie die was neergelegd in de lijst met vergunninghouders op grond van de Wpbr ook al vóór 1 januari 2016 eenvoudig had kunnen achterhalen door middel van een verzoek om informatie op grond van de Wob. De Accountantskamer neemt hierbij aan dat klager, die jurist is, geacht moet worden bekend te zijn (geweest) met de mogelijkheid tot het doen van een dergelijk verzoek. Dat hij dit niet heeft gedaan en dat hij eerst in de loop van 2019 onderzoek is gaan verrichten naar vermeend handelen in strijd met de Wpbr, dient voor zijn risico te blijven.

Nu klager dit klachtonderdeel niet binnen drie jaar vóór 1 januari 2019 heeft ingediend, is klachtonderdeel f niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de driejarentermijn.

Klachtonderdeel g:

Betrokkenen hebben twee persoonsgerichte onderzoeken uitgevoerd, waarbij zij in strijd met de Wbp en de AVG zonder toestemming van klager zijn persoonlijke gegevens hebben verwerkt.

Klachtonderdeel j:

Betrokkenen hebben in strijd met de Wbp en de Wpbr bewijsmateriaal, namelijk de gespreksverslagen, verkregen, verwerkt en gebruikt.

4.10.     De Accountantskamer stelt voorop dat ook deze klachtonderdelen betrekking hebben op het onderzoek dat heeft plaatsgevonden in de jaren 2013 tot en met 2015. Aangezien de AVG eerst op 25 mei 2018 in werking is getreden, kan deze verordening niet van belang zijn voor de beoordeling van het handelen van betrokkenen in de jaren 2013 tot en met 2015.

Voor zover klager zich op het standpunt stelt dat betrokkenen in de jaren 2013 tot en met 2015 in strijd met de Wbp en met de Wpbr hebben gehandeld door bewijsmateriaal te verkrijgen, te verwerken en te gebruiken, overweegt de Accountantskamer het volgende. Klager heeft in zijn klaagschrift van 6 november 2019 gesteld dat hij eerst in augustus 2019 heeft kennisgenomen van de regelgeving inzake privacybescherming. De Accountantskamer is van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of klager vóór 1 januari 2016 zodanige feiten heeft geconstateerd of redelijkerwijs heeft kunnen constateren dat hij daarop een vermoeden van (mogelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten kon baseren, niet doorslaggevend is wanneer klager zich daadwerkelijk in de regelgeving inzake privacybescherming heeft verdiept. Klager had zich redelijkerwijs vóór 1 januari 2016 kunnen verdiepen in de Wbp en de Wpbr en hij had zich een mening had kunnen vormen met betrekking tot de vraag of sprake was van handelen van betrokkenen dat mogelijk in strijd was met die wet. Dat klager dit niet heeft gedaan en dat hij eerst in de loop van 2019 onderzoek is gaan verrichten naar vermeend handelen in strijd met de Wbp, dient voor zijn risico te blijven.

Nu klager dit klachtonderdeel niet binnen drie jaar vóór 1 januari 2019 heeft ingediend, zijn de klachtonderdelen g en j niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de driejarentermijn.

Klachtonderdeel h:

[Y3] heeft tijdens het getuigenverhoor in de strafzaak tegen klager onjuiste verklaringen afgelegd.

4.11.     Blijkens de toelichting op dit klachtonderdeel in het klaagschrift van 13 november 2019 ziet dit op verklaringen die [Y3] tijdens het getuigenverhoor op 1 juli 2019, in het kader van de strafzaak tegen klager, tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd over personen met wie zij in het kader van haar onderzoek heeft gesproken en over door haar gemaakte dossiernotities.

Ter onderbouwing van dit klachtonderdeel heeft klager, naar de Accountantskamer begrijpt, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Betrokkenen hebben op last van de rechter-commissaris een overzicht aan het Openbaar Ministerie en de advocaat van klager moeten verstrekken van àlle gespreksverslagen en gespreksnotities die aan het [accountantskantoor] rapport ten grondslag hebben gelegen. [Y3] heeft tijdens het getuigenverhoor verklaard dat een aantal, in het klaagschrift genoemde, personen in het kader van het persoonsgericht onderzoek verklaringen hebben afgelegd. Van deze verklaringen zijn evenwel geen gespreksverslagen of -notities overgelegd. Uit het feit dat aan betrokkenen was opgedragen dat àlle gespreksverslagen en gespreksnotities overgelegd moesten worden, terwijl er geen stukken met betrekking tot de verklaringen van de vorengenoemde personen zijn overgelegd, moet worden afgeleid dat deze personen deze verklaringen niet hebben afgelegd. [Y3] heeft daarover dus ten overstaan van de rechter-commissaris onjuiste verklaringen afgelegd.

Verder heeft klager aangevoerd dat [Y3] met betrekking tot bepaalde in het klaagschrift genoemde personen onjuiste verklaringen heeft afgelegd, omdat deze personen tegenover de rechter-commissaris andere verklaringen hebben afgelegd.

De Accountantskamer overweegt dat het feit dat, zoals klager heeft gesteld, bepaalde stukken niet in de strafzaak zijn overgelegd, op zichzelf genomen niet betekent dat [Y3] onjuiste verklaringen heeft afgelegd, laat staan dat dit opzettelijk of bewust zou zijn gebeurd.

Ook het feit dat andere personen, zoals klager heeft gesteld, inhoudelijk andere verklaringen hebben afgelegd, brengt niet met zich dat het [Y3] is geweest die onjuiste verklaringen heeft afgelegd en dat dit opzettelijk of bewust zou zijn gebeurd.

Klager heeft met wat door hem is aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat dit wel het geval is.

Klachtonderdeel h is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel i:

[Y1], [Y2] en [Y4] hebben ten onrechte geen afstand genomen van de verklaringen die [Y3] tijdens het getuigenverhoor in de strafzaak tegen klager heeft afgelegd.

4.12.     Zoals hiervoor is overwogen, is niet gebleken dat [Y3] onjuiste verklaringen heeft afgelegd in het getuigenverhoor in de strafzaak tegen klager. Reeds daarom hoefden [Y1], [Y2] en [Y4] geen afstand te nemen van de door [Y3] afgelegde verklaringen, nog daargelaten dat niet is aangetoond dat zij bekend waren met deze verklaringen en met de gestelde onjuistheid hiervan.

Klachtonderdeel i is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel k:

Betrokkenen hebben de gespreksverslagen ten onrechte niet aan klager verstrekt.

4.13.     De Accountantskamer is van oordeel dat dit klachtonderdelen al eerder beoordeeld is, in rechtsoverweging 4.65 e.v. van de uitspraak van de Accountantskamer van 23 april 2018, inzake de klachten met de nummers 16/2542 tot en met 16/2545. Het hierop betrekking hebbende klachtonderdeel is in die uitspraak ongegrond verklaard. Het algemeen rechtsbeginsel van ‘ne bis in idem’ staat er aan in de weg om dit in deze procedure opnieuw te beoordelen

Klachtonderdeel k is daarom niet-ontvankelijk.

Klachtonderdeel l:

Betrokkenen hebben de niet door geïnterviewden ondertekende gespreksverslagen in de gevoerde tuchtprocedure ten onrechte aangeduid als verklaringen van de geïnterviewden.

4.14.     Al hoewel aan klager moet worden toegegeven dat het de voorkeur verdient dat verslagen van gesprekken met geïnterviewden door de geïnterviewden worden ondertekend, is er geen rechtsregel die hiertoe verplicht.  Niet aannemelijk is gemaakt dat de door betrokkenen genoteerde verklaringen van geïnterviewden onjuist zijn vastgelegd.

Klachtonderdeel l is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel m:

Betrokkenen hebben toegestaan dat het concept-rapport van 25 maart 2015 werd gebruikt in de aangifte door de gemeente [gemeente1] tegen klager.

4.15.     Aan het in dit klachtonderdeel neergelegde verwijt ligt de veronderstelling ten grondslag dat betrokkenen aan de gemeente [gemeente1] hebben toegestaan om het concept-rapport van 25 maart 2015 met de daarin opgenomen informatie te gebruiken voor het doen van aangifte tegen klager.

De Accountantskamer is van oordeel dat dit klachtonderdeel  al eerder beoordeeld is, in rechtsoverweging 4.68 van de uitspraak van de Accountantskamer van 23 april 2018, inzake de klachten met de nummers 16/2542 tot en met 16/2545. Het hierop betrekking hebbende klachtonderdeel is in die uitspraak ongegrond verklaard. Het algemeen rechtsbeginsel van ‘ne bis in idem’ staat er aan in de weg om dit in deze procedure opnieuw te beoordelen.

Klachtonderdeel m is daarom niet-ontvankelijk.

Klachtonderdeel n:

Betrokkenen hebben bepaalde incidenten niet gemeld bij de AFM of gemeld op grond van de NOCLAR.

4.16      Uit de toelichting op dit klachtonderdeel, in het klaagschrift van 4 december 2019, blijkt dat dit klachtonderdeel betrekking heeft op verschillende incidenten, waarvan klager meent dat deze hebben plaatsgevonden. Zo noemt klager in dit verband:

1.           het in strijd met de waarheid afleggen van een verklaring door [Y3];

2.           het verrichten van persoonsgerichte onderzoeken zonder dat beschikt werd over een vergunning op grond van de Wpbr;

3.           het in strijd met de Wbp uitwisselen en verwerken van persoonsgegevens van klager, zonder dat klager daarvoor toestemming had verleend;

4.           het in strijd met de waarheid rapporteren dat verklaringen verkregen waren van bepaalde personen.

De Accountantskamer stelt voorop dat hiervoor, in de rechtsoverwegingen 4.5 en 4.11, al geoordeeld is dat niet gebleken is dat [Y3] in strijd met de waarheid verklaringen heeft afgelegd. In rechtsoverweging 4.14 is al geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat de door betrokkenen genoteerde verklaringen van geïnterviewden onjuist zijn vastgelegd. Hieruit volgt tevens dat niet gebleken is dat sprake is geweest van incidenten die gemeld hadden moeten worden.

Zoals aangegeven in rechtsoverweging 4.13 is in de uitspraak van de Accountantskamer van 23 april 2018, inzake de klachten met de nummers 16/2542 tot en met 16/2545, al geoordeeld dat het verkrijgen, verwerken en gebruiken van persoonsgegevens van klager niet in strijd was met de Wbp. Van dat oordeel moet hier worden uitgegaan. Hieruit volgt tevens dat niet gebleken is dat sprake is geweest van een incident dat gemeld had moeten worden.

Ten aanzien van het verwijt over het niet als incident melden dat persoonsgerichte onderzoeken werden uitgevoerd zonder dat beschikt werd over een vergunning op grond van de Wpbr, stelt de Accountantskamer voorop dat het klachtonderdeel dat betrekking heeft op uitvoeren van persoonsgerichte onderzoeken zonder dat beschikt werd over een vergunning op grond van de Wpbr, zoals in rechtsoverweging 4.9 is overwogen, niet-ontvankelijk is vanwege overschrijding van de driejarentermijn. Dit brengt op zichzelf genomen nog niet mee dat dit klachtonderdeel, voor zover dat betrekking heeft op het niet melden van een incident, tevens niet-ontvankelijk is. Als moet worden aangenomen dat sprake was van een incident dat gemeld had moeten worden, dan is deze meldingsplicht na 31 december 2015 blijven bestaan. De klacht over de hiervoor onder 2 van deze rechtsoverweging weergeven verweten gedraging is dan ook ontvankelijk.

Ten aanzien van dit verwijt stelt de Accountantskamer voorop dat de opdracht tot het verrichten van een persoonsgericht onderzoek met betrekking tot klager, anders dan klager blijkbaar meent, niet verricht is door [accountantskantoor] als zodanig, maar door [NV1].

Artikel 1, eerste lid, onder f, van de Wpbr bepaalt dat onder ‘recherchebureau’ wordt verstaan:

een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de uitoefening van een beroep of bedrijf met winstoogmerk recherchewerkzaamheden verricht, voor zover die werkzaamheden worden verricht op verzoek van een derde, in verband met een eigen belang van deze derde en betrekking hebben op een of meer bepaalde natuurlijke personen.

In artikel 2, eerste lid, van de Wpbr is bepaald dat het verboden is zonder vergunning van Onze Minister door de instandhouding van een beveiligingsorganisatie of recherchebureau beveiligingswerkzaamheden of recherchewerkzaamheden te verrichten of aan te bieden.

Artikel 1, derde lid, van de Wpbr bepaalt het volgende:

Geen recherchebureau als bedoeld in het eerste lid, onder f, is een organisatie die ter uitvoering van een haar bij wettelijk voorschrift opgedragen taak of in de uitoefening van een beroep dat aan een wettelijk voorschrift is onderworpen, recherchewerkzaamheden verricht.

De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkenen er ten tijde van het uitvoeren van het persoonsgericht onderzoek van mochten uitgaan dat [NV1] onder de uitzondering van artikel 1, derde lid, van de Wpbr viel. In dit verband is van belang dat de vraag of (register)accountants die persoonsgerichte onderzoeken verrichten vergunningplichtig zijn op grond van de Wpbr, uitdrukkelijk aan de orde is gekomen in de brief van de Staatssecretaris van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de voorzitter van de Tweede Kamer, van 16 juni 2019 (TK 2008-2009, 29 279, nr. 93), waar met betrekking tot deze vraag het volgende is aangegeven:

Volgens artikel 1, derde lid van de Wpbr is een organisatie die ter uitvoering van een haar bij wettelijk voorschrift opgedragen taak of in de uitoefening van een beroep dat aan een wettelijk voorschrift is onderworpen, recherchewerkzaamheden verricht geen recherchebureau in de zin van de wet. Op grond van deze bepaling wordt geconcludeerd dat de zgn. forensisch accountant – zijnde een registeraccountant die persoonsgerichte onderzoeken uitvoert – geen particulier onderzoeker is en dus niet onder het regime van de Wpbr valt. De forensische accountant, zijnde een registeraccountant, oefent immers een beroep uit dat aan een wettelijk voorschrift is onderworpen, i.c. de Wet op de registeraccountants (Wra), en bij de constatering van onregelmatigheden een onderzoek uitvoert of laat uitvoeren op grond van de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta).

Onder persoonsgerichte onderzoeken door registeraccountants worden verstaan die onderzoeken waarbij de accountant gegevens verzamelt en analyseert inzake het functioneren, handelen of nalaten van handelen van een natuurlijk of rechtspersoon en daarover rapporteert aan zijn opdrachtgever. Daarnaast komt het voor dat in het kader van de controle van de jaarrekeningen de accountant geconfronteerd wordt met aanwijzingen van fraude op basis waarvan nader onderzoek wordt uitgevoerd. Het normenkader voor (onder meer) het persoonsgericht onderzoek is neergelegd in de Wta, de Wra en – sinds 1 januari 2007 – de Verordening gedragscode (Vgc) en de daarbij behorende beroepsreglementering. De Vgc is ontwikkeld door de publiekrechtelijke beroepsorganisatie NIVRA, die (tevens) zorgt draagt voor de kwaliteitstoetsing van accountants.

Indien echter de forensische accountantswerkzaamheden niet worden verricht door een registeraccountant volgens het regime van de Wra en tevens wel wordt voldaan aan de definitie van particulier recherchebureau volgens de Wpbr is de forensische accountant vergunningplichtig.

Betrokkenen mochten afgaan op het standpunt van beide bewindslieden in hun brief van 16 juni 2009. Zij mochten daarom aannemen dat [NV1] geen recherchebureau was in de zin van artikel 1, eerste lid, onder f van de Wpbr en dat [NV1] niet vergunningplichtig was op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wpbr.

Voorts overweegt de Accountantskamer dat op het handelen van betrokkenen, als registeraccountants, destijds de Verordening Gedragscode (hierna: VGC) van toepassing was. De VGC was een wettelijk voorschrift, dat was vastgesteld op grond van artikel 19, vierde lid, van Wet op de Registeraccountants. Aangezien op betrokkenen een wettelijk voorschrift van toepassing was, vielen zij onder de uitzondering als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wpbr, zodat zij niet als een recherchebureau moesten worden aangemerkt en derhalve ook niet vergunningsplichtig waren in de zin van die wet.

Nu geen sprake was van een vergunningsplicht op grond van de Wpbr, was evenmin sprake van een incident dat gemeld had moeten worden.

Klachtonderdeel n is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel o:

Betrokkenen hebben geen maatregelen getroffen om herhaling van deze incidenten te voorkomen.

4.17      Nu, zoals hiervoor, in rechtsoverweging 4.16, is overwogen, niet gebleken is dat sprake was van incidenten die gemeld hadden moeten worden, hoefden betrokkenen evenmin maatregelen te nemen om herhaling hiervan te voorkomen.

Klachtonderdeel o is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel p:

Betrokkenen hebben ten onrechte geen antwoord gegeven op vragen die klager in het kader van de lopende tuchtprocedures aan hen gesteld heeft.

4.18      Zoals de Accountantskamer, hiervoor in rechtsoverweging 4.6, reeds heeft overwogen, waren betrokkenen niet op grond van enig voorschrift verplicht om alle vragen, zoals deze door klager waren geformuleerd, te beantwoorden. Dat klager (een deel van) zijn vragen heeft gesteld in het kader van lopende tuchtprocedures maakt dit niet anders.

Voor zover het door klager met het in zijn klaagschrift van 4 december 2019 gedane beroep op artikel 6 EVRM en op artikel 47 van het Handvest bedoelt dat deze bepalingen meebrengen dat betrokkenen hiertoe wel verplicht zijn, oordeelt de Accountantskamer, onder verwijzing naar wat hierover is overwogen in rechtsoverweging 4.2.2 van deze uitspraak, dat deze bepalingen hier niet van toepassing zijn.

Klachtonderdeel p is daarom ongegrond.

5.            De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klachtonderdelen d (deels), f,  g, j en k en m niet-ontvankelijk;

·       verklaart de klachtonderelen a,b, c, d (deels), e, h, i, l,  n, o  en p ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.A.J. Lemain, voorzitter, mr. G. van Rijssen en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper (rechterlijke leden) en drs. W.J. Schoonderbeek RA en A.M.H. Homminga AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2020.

_________                                                                                                           __________

secretaris                                                                                                             voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Ingevolge artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift dient de gronden van het beroep te bevatten en te zijn ondertekend.