Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2020:55 Accountantskamer Zwolle 20/865 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2020:55
Datum uitspraak: 14-09-2020
Datum publicatie: 14-09-2020
Zaaknummer(s): 20/865 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
  • klacht kennelijk niet-ontvankelijk
  • klacht kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. De meeste klachtonderdelen zien op gedragingen waarover de Accountantskamer en het CBb al een inhoudelijk oordeel hebben gegeven en zijn daarom niet-ontvankelijk (beginsel van ne bis in idem). Twee klachtonderdelen zijn niet-ontvankelijk omdat ze niet binnen de driejaarstermijn zijn ingediend. Eén klachtonderdeel is ongegrond. Niet gebleken is dat betrokkene druk op klager heeft uitgeoefend om geen klacht in te dienen.    

ACCOUNTANTS KAMER

 

UITSPRAAK van 14 september 2020 van de voorzitter op grond van artikel 39 lid 1 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 28 april 2020 ontvangen klacht met nummer  20/865 Wtra AK van

X B.V.

gevestigd te [plaats1]

K L A G E R

gemachtigde: [A]

t e g e n

Y

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. H.E. van Berckel-Dekker te Eindhoven

1.             De procedure

1.1.         De voorzitter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-          het klaagschrift met bijlagen

-          het verweerschrift met bijlagen

2.             De beoordeling

2.1.         Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Klager verwijt betrokkene het volgende:

  1. De begin- en eindsaldo’s van de BTW in de jaarrapporten 2011-2012 sluiten niet op elkaar aan en de specificatie omzetbelasting ontbreekt;
  2. Onorthodoxe BTW-verwerking in Exact met aparte grootboekrekeningen en fictieve banktransacties;
  3. Excessieve facturatie;
  4. Onjuiste salarisverwerking doordat betrokkene niet de juiste instellingen heeft doorgevoerd in Loket.nl;
  5. Onjuiste begeleiding van zijn collega [B] en geen toezicht houden;
  6. Ongepaste informatieverstrekking. Op basis van foutieve jaarrapporten is gecommuniceerd met de belastingdienst, zijn onjuiste VPB-aangiftes gedaan en is geadviseerd de bedrijfsvoering te staken;
  7. Informatie achtergehouden;
  8. Oneigenlijke druk uitgeoefend op klager om geen klacht in te dienen;
  9. Geen adequate maatregelen genomen om de situatie recht te zetten.

2.2.        Betrokkene heeft betoogd dat het klaagschrift niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. In de eerste plaats zijn alle klachtonderdelen al eerder naar voren gebracht en beoordeeld door zowel de Accountantskamer als het CBb. Het beginsel van ne bis in idem staat dan aan een herhaaldelijke inhoudelijke beoordeling in de weg. In de tweede plaats stelt betrokkene dat geen van de klachtonderdelen is ingediend binnen de drie- en zesjaarstermijn.

2.3.        De voorzitter van de Accountantskamer overweegt als volgt.

2.4.        Hoewel de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) niet voorschrijft dat klachten tegen een accountant zoveel mogelijk in één klaagschrift naar voren worden gebracht, kunnen zich in een concreet geval specifieke omstandigheden voordoen waarin een opvolgende klacht niet kan worden ingediend, omdat het beginsel van ne bis in idem zich daartegen verzet. Van zo’n situatie is sprake als een klacht is ingediend over gedragingen die reeds eerder voorwerp waren van inhoudelijke beoordeling door de tuchtrechter en waarover met inachtneming van tuchtrechtelijke normen een eindbeslissing is gegeven.

2.5.        Daarnaast bevat de Wtra bepalingen [1] over de termijn waarbinnen een klaagschrift moet worden ingediend. Samengevat komen die bepalingen op het volgende neer. De Accountantskamer neemt een klacht niet in behandeling als op 31 december 2018 de drie- en de zesjaarstermijn is verstreken.

2.6.        Op 8 juni 2017 heeft klager een klaagschrift bij de Accountantskamer ingediend in verband met diverse gedragingen door betrokkene.  

Dit klaagschrift bevatte de volgende verwijten aan het adres van betrokkene:

  1. Het achterhouden van specificaties (grootboekrekeningen) inzake de door betrokkene opgeleverde rapporten en correspondentie, waardoor geen sluitende afstemming in Exact gemaakt kon worden;
  2. Het aanpassen van de BTW-verwerking in Exact, waardoor foutieve overzichten werden gegenereerd;
  3. Het doorvoeren van uiteenlopende mutaties in Exact om aansluiting met de jaarrapporten te forceren, hetgeen niet gerealiseerd werd en waardoor de rekeningcourant verhoudingen en standen op diverse grootboekrekeningen onjuist zijn;
  4. Het ongepast adviseren van [A] om zijn eigen woning van zijn naam te halen omdat de belastingdienst deze in beslag zou nemen;
  5. Het keer op keer leveren van foutieve salarisspecificaties op basis waarvan gefactureerd werd;
  6. Het onjuist factureren: de hoeveelheid facturen staat niet in verhouding tot de werkzaamheden van (het kantoor van) betrokkene;
  7. Het onvoldoende toezicht houden op zijn collega [B];
  8. Het herhaaldelijk niet ingaan op het verzoek om stukken te leveren;
  9. Het uitoefenen van druk op klagers om geen klacht in te dienen.

De Accountantskamer heeft op 20 april 2018 uitspraak gedaan (ECLI:NL:TACAKN:2018:21) en geoordeeld dat de klacht ziet op het handelen van betrokkene in de periode oktober 2014 tot en met januari 2015.

De klachtonderdelen 1 tot en met 6 zijn ongegrond verklaard. De klachtonderdelen 7 tot en met 9 zijn buiten behandeling gelaten omdat deze pas op de zitting zijn ingediend.

2.7.        Klager heeft daartegen hoger beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Het CBb heeft op 9 april 2019 uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2019:147).

Het CBb heeft geoordeeld dat de klacht ook ziet op de periode vóór oktober 2014.

Verder heeft het CBb overwogen dat de klachtonderdelen 7 en 9 terecht buiten behandeling zijn gelaten. Dat geldt niet voor klachtonderdeel 8, dat door het CBB in behandeling is genomen en samen met klachtonderdeel 1 besproken.

Klachtonderdeel 1 (en 8) en 5 zijn volgens het CBb ongegrond.

De klachtonderdelen 2, 3 en 4 zijn niet-ontvankelijk verklaard in verband met de driejaarstermijn.

Klachtonderdeel 6 had de Accountantskamer niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Een aantal, pas op zitting geformuleerde klachtonderdelen, zoals het verwijt dat betrokkene druk op klagers heeft uitgeoefend om geen klacht in te dienen, is te laat ingediend en heeft het CBb buiten beschouwing gelaten.

Het CBb heeft het beroep deels gegrond verklaard, heeft de uitspraak van de Accountantskamer in zoverre vernietigd en de betreffende klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel 1: De begin- en eindsaldo’s van de BTW in de jaarrapporten 2011-2012 sluiten niet op elkaar aan en de specificatie omzetbelasting ontbreekt.

2.8.        Betrokkene stelt dat dit klachtonderdeel overeenkomt met klachtonderdeel 3 uit de eerste procedure.

Uit de gedingstukken blijkt dat klachtonderdeel 3 weliswaar minder nadrukkelijk betrekking heeft op de verwerking van de BTW in de jaarrekeningen dan klachtonderdeel 1, maar dat beide klachtonderdelen in de kern zien op het gebruik maken van grootboekrekeningen om aansluiting van de administratie op de jaarcijfers te forceren. De voorzitter is dan ook van oordeel dat sprake is van een gedraging waarover zowel de Accountantskamer als het CBb al een inhoudelijk oordeel hebben gegeven. Dit klachtonderdeel is dan ook niet-ontvankelijk.

Klachtonderdeel 2: Onorthodoxe BTW-verwerking in Exact met aparte grootboekrekeningen en fictieve banktransacties.

2.9.        Volgens betrokkene is dit klachtonderdeel inhoudelijk gelijk aan klachtonderdeel 2 uit de eerste procedure. De  voorzitter stelt vast dat het in beide gevallen gaat om het verwerken van de BTW in Exact. Hieruit volgt dat ook dit klachtonderdeel eerder inhoudelijk is beoordeeld, zodat het niet-ontvankelijk is.

Klachtonderdeel 3: Excessieve facturatie.

2.10.      In klachtonderdeel 6 van de eerste klacht heeft klager betrokkene al een verwijt gemaakt over de hoeveelheid facturen die niet in verhouding zouden staan tot de verrichte werkzaamheden en afspraken. Klachtonderdeel 3 is dan ook geen nieuw klachtonderdeel, zodat het niet-ontvankelijk is.

Klachtonderdeel 4: Onjuiste salarisverwerking doordat betrokkene niet de juiste instellingen heeft doorgevoerd in Loket.nl.

2.11.      Betrokkene stelt dat dit verwijt ook al in de eerste klacht in klantonderdeel 5 is verwoord. De voorzitter stelt vast dat de klachtonderdelen niet geheel gelijkluidend zijn geformuleerd. De strekking is echter wel dezelfde: volgens klager stelde betrokkene onjuiste salarisspecificaties op, die vervolgens door gemachtigde van klager in Exact werden geboekt. Er waren steeds verschillen tussen de gegevens in Exact en Loket.nl, wat problematisch was omdat op basis hiervan werd gefactureerd. De Accountantskamer heeft in de uitspraak van 20 april 2018 overwogen dat niet betrokkene, maar klager c.q. [X] B.V., in ieder geval niet betrokkene, de salarisadministratie bijhield. Dit oordeel is door het CBb bevestigd. Het klachtonderdeel is niet-ontvankelijk.

Klachtonderdeel 5: Betrokkene heeft zijn collega [B] niet juist begeleid en geen toezicht gehouden.

2.12.      Omdat dit verwijt door gemachtigde van klager op de zitting van de Accountantskamer voor het eerst naar voren is gebracht, heeft de Accountantskamer het buiten behandeling gelaten. Het CBb heeft dit oordeel in stand gelaten.

Hieruit volgt dat dit klachtonderdeel inhoudelijk niet door de Accountantskamer of het CBb is beoordeeld. Het beroep van betrokkene op het beginsel van ne is in idem slaagt dan ook niet.

2.13.      Betrokkene heeft subsidiair aangevoerd dat dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk is wegens de overschrijding van de driejaarstermijn.

De voorzitter heeft daartoe te beoordelen of klager vóór 1 januari 2016 het vermoeden had of redelijkerwijs kon hebben dat betrokkene mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar had gehandeld.

Betrokkene heeft een tweetal brieven in het geding gebracht, gedateerd 28 april 2015 en 10 december 2015, gericht aan betrokkene en het kantoor waar hij werkzaam is. Hierin stellen zij dat er grote fouten zijn gemaakt bij de uitvoering van de werkzaamheden voor klagers. In de laatste brief is zeer uitvoerig beschreven wat er volgens klagers allemaal mis is gegaan.

Op basis van het gestelde in deze brieven is de voorzitter van oordeel dat klagers op dat moment al het vermoeden hadden - of konden hebben - dat op de gedragingen van betrokkene tuchtrechtelijk iets aan te merken was. Dat geldt ook ten aanzien van de werkzaamheden van [B], waarvoor betrokkene tuchtrechtelijk verantwoordelijk is.

Dit klachtonderdeel is niet binnen de driejaarstermijn ingediend (die termijn was in ieder geval ex artikel 51 van de Wtra verstreken) en daarmee niet-ontvankelijk.

Klachtonderdeel 6: Ongepaste informatieverstrekking. Op basis van foutieve jaarrapporten is gecommuniceerd met de belastingdienst, zijn onjuiste VPB-aangiftes gedaan en is geadviseerd de bedrijfsvoering te staken.

2.14.      Uit de toelichting bij dit klachtonderdeel begrijpt de voorzitter dat klager op grond van de hem nu ter beschikking staande stukken nu pas kan onderbouwen dat beweringen die betrokkene eerder deed niet juist waren. Klager citeert opmerkingen van betrokkene en zet uiteen wat er in zijn visie niet correct aan is.

Uit de gedingstukken blijkt niet wanneer betrokkene dat gezegd zou hebben en in welke context. Inhoudelijk hebben de opmerkingen (samengevat) betrekking op de verwerking van de BTW in Exact, het gebruik van grootboekrekeningen, mutaties in het bankboek, met als gevolg onjuiste jaarrekeningen en  BTW-aangiften. Verder is aan de orde het overleg met de belastingdienst.

Voor zover het klachtonderdeel ziet op het advies de bedrijfsvoering te staken stelt de voorzitter vast dat dit punt in het eerste klaagschrift al naar voren is gebracht. Het staat weliswaar niet met zoveel woorden in de uitspraak van de Accountantskamer verwoord, maar klager heeft hier melding van gemaakt in zijn klaagschrift, dat door de Accountantskamer is overgenomen als klachtonderdeel 4.

De overige aspecten van dit klachtonderdeel komen terug in diverse andere klachtonderdelen uit het eerste klaagschrift. Zo ziet klachtonderdeel 2 op de verwerking van de BTW in Exact, en klachtonderdeel 3 op de mutaties in Exact en het gebruik van grootboekrekeningen.

Al met al is de voorzitter van oordeel dat de verschillende aspecten van klachtonderdeel 6 al eerder door de Accountantskamer en het CBb inhoudelijk zijn beoordeeld. Dit klachtonderdeel is niet-ontvankelijk.

Klachtonderdeel 7: Betrokkene heeft informatie achtergehouden.

2.15.      Klager heeft dit toegelicht door te stellen dat betrokkene geen inzage heeft gegeven in het dossier en dat hij hiaten in de jaarrekening ongespecificeerd liet.

Volgens betrokkene is dit een herhaling van klachtonderdeel 1 van de eerste klacht. De voorzitter is van oordeel dat klachtonderdeel 1 en 8 in onderlinge samenhang bezien, overeenkomen met het nu gestelde, zodat ook dit onderdeel niet-ontvankelijk is.

Klachtonderdeel 8: Betrokkene heeft oneigenlijke druk uitgeoefend op klager om geen klacht in te dienen.

2.16.      Omdat dit verwijt door gemachtigde van klager pas op de zitting van de Accountantskamer voor het eerst naar voren is gebracht, heeft de Accountantskamer het buiten behandeling gelaten en het CBb heeft dit oordeel in stand gelaten.

Hieruit volgt dat dit klachtonderdeel inhoudelijk niet door de Accountantskamer of het CBb is beoordeeld. Het beroep van betrokkene op het beginsel van ne is in idem slaagt dan ook niet.

2.17.      Uit de gedingstukken blijkt dat klager het e-mailbericht van betrokkene van 17 januari 2017 heeft opgevat als het uitoefenen van oneigenlijke druk om geen klacht in te dienen. Nu dit bericht dateert van na 1 januari 2016 is dit klachtonderdeel ontvankelijk.

2.18.      In dit e-mailbericht schrijft betrokkene als volgt: “In reactie op uw e-mail van 13 januari 2017 waarin u mij verzoekt om specificaties inzake de rekening Betaalde BTW, bericht ik u dat ik niet aan uw verzoek kan voldoen. Het is mij niet toegestaan werkzaamheden voor u te verrichten nu er geen oplossing bereikt is voor de openstaande facturen van ca. € 30.000,-- en u met tuchtklachten dreigt.

Het spijt mij u niet anders te kunnen berichten".

Betrokkene heeft gesteld dat klager op dat moment inmiddels een claim en een klacht tegen [accountantskantoor] en betrokkene had ingediend. Betrokkene is door zijn collega’s van de afdeling Quality Risk Management en Juridische zaken erop gewezen dat hij de bedreiging van het fundamentele beginsel van objectiviteit diende weg te nemen. Het sturen van het e-mailbericht moet dan ook worden gezien als een maatregel om die bedreiging weg te nemen. Uiteindelijk is er voor gekozen de opdracht te beëindigen.

2.19.      Het is vaste rechtspraak van de Accountantskamer en het CBb dat een accountant zich in het belang van een goede uitoefening van het beroep altijd toetsbaar moet opstellen. Een accountant moet zich onthouden van het uitoefenen van druk om geen tuchtklacht tegen hem in te dienen.

De voorzitter is van oordeel dat het e-mailbericht van betrokkene moet worden gezien in de context van de situatie die tussen klager en [accountantskantoor] was ontstaan. Er was discussie over openstaande facturen en klager had al een claim ingediend tegen [accountantskantoor]. Betrokkene heeft niet botweg geweigerd de gevraagde stukken te verstrekken, maar alleen aangegeven dat het hem niet mogelijk was om nog werkzaamheden voor klager te verrichten zolang de lopende discussies niet waren afgerond. Naar het oordeel van de voorzitter heeft hij daarmee niet een drempel opgeworpen om een klacht in te dienen, nu de mogelijkheid om tot overeenstemming te komen nog steeds aanwezig was. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Overigens heeft het CBb in zijn uitspraak geoordeeld dat door betrokkene op verzoeken van klager meermalen stukken zijn verstrekt (zie r.o.9).

Klachtonderdeel 9: Betrokkene heeft geen adequate maatregelen genomen om de situatie recht te zetten.

2.20.      Volgens klager was betrokkene niet bereid zijn fouten te erkennen en te herstellen en heeft nagelaten zijn werkzaamheden door een specialist te laten beoordelen. Hierdoor is klager aan zijn lot overgelaten.

Betrokkene stelt dat dit punt in de klacht van 2017 impliciet aan de orde is gesteld. Hij heeft daar toen op gereageerd door te stellen dat hij geen fouten heeft gemaakt, dat hij klager vaak heeft geholpen door voorkomende verschillen toe te lichten. Betrokkene is door collega’s van [accountantskantoor] gecontroleerd. Zowel de Commissie Klachtbehandeling van [accountantskantoor] als de Accountantskamer heeft vastgesteld dat betrokkene niet verwijtbaar heeft gehandeld.

2.21.      De voorzitter is van oordeel dat dit klachtonderdeel niet eerder inhoudelijk door de Accountantskamer en het CBb is beoordeeld. Weliswaar heeft klager dit klachtonderdeel in zijn hoger beroepschrift uitgewerkt, maar het CBb is daaraan voorbij gegaan. Het beginsel van ne bis in idem staat dan ook niet aan de ontvankelijkheid in de weg.

2.22.      De voorzitter is wel van oordeel dat dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk is op grond van overschrijding van de driejaarstermijn. In de in r.o. 2.13 genoemde brief van 28 april 2015 heeft klager betrokkene er immers al op gewezen dat “bij de uitvoering van de werkzaamheden grove fouten zijn gemaakt” en is verzocht om kosteloze correctie van alle fouten.

2.23.      Alles overziend zal de klacht daarom deels kennelijk niet-ontvankelijk, en deels kennelijk ongegrond worden verklaard.  

3.             De beslissing

De voorzitter van de Accountantskamer:

  • verklaart de klachtonderdelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 9 kennelijk niet-ontvankelijk;
  • verklaart klachtonderdeel 8 kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, in aanwezigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 14 september 2020.

_________                                                                                                                     __________

secretaris                                                                                                                          voorzitter


[1] Artikel 22 jo. 51 Wtra