Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2020:39 Accountantskamer Zwolle 19/749 tm 19/752 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2020:39
Datum uitspraak: 01-05-2020
Datum publicatie: 01-05-2020
Zaaknummer(s): 19/749 tm 19/752 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
  • Klacht gegrond met waarschuwing
  • Klacht gegrond met tijdelijke doorhaling
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Procedurenummers 19/749-19/752: Klacht over accountants die diverse werkzaamheden hebben verricht voor een onderneming die mobiele units verhuurde ten behoeve van de medische sector en die in 2016 failliet is gegaan. 19 /749: klacht tegen accountant in business (financieel directeur) gedeeltelijk gegrond; oplegging maatregel van waarschuwing; samenloop schending twee fundamentele beginselen. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene, door in te stemmen met het zonder deugdelijke grondslag opnemen van een debiteurenvordering en een schadevergoedingsvordering in verband met het project X in de administratie van de onderneming gehandeld heeft in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, als bedoeld in artikel 2, onder d, van de VGBA. Omdat betrokkene door het ten onrechte opnemen van deze vorderingen in de administratie van de onderneming betrokken was bij informatie die ofwel materieel onjuist ofwel onvolledig ofwel misleidend was, heeft zij tevens gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van integriteit, als bedoeld in artikel 2, onder b, van de VGBA. 19/750:  klacht i.v.m. controlerend accountant; gedeeltelijk gegrond; oplegging maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van één maand. Strijd met vakbekwaamheid en zorgvuldigheid; meerdere tekortkomingen. 19/751: klacht tegen bestuurder accountantskantoor van waaruit de controle verricht werd; klacht ongegrond. Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij niet dossierinhoudelijk betrokken was bij de controle van de jaarrekening van de onderneming. Niet gebleken is dat dit onjuist is. 19/752: klacht tegen samenstellend accountant; klacht ongegrond. In dit geval gold voor betrokkene, als samenstellend accountant van de onderneming, op grond van Standaard 4410.14 geen verplichting om aanvullende informatie op te vragen.    

ACCOUNTANTSKAMER

BESLISSING ex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de zaken met de nummers 19/749, 19/750, 19/751 en 19/752 Wtra AK van 1 mei 2020 van

Mr. J.A. MULDER ,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

[BV1],

K L A G E R ,

kantoorhoudende te Nijmegen,

raadsman: prof. mr. J.W.P.M. van der Velden, kantoorhoudende te Nijmegen,

t e g e n

Y1 ,

registeraccountant,

raadsman: mr. A.C. van Campen, kantoorhoudende te ‘s-Hertogenbosch,

Y2,

Y3,

registeraccountants,

Y4,

accountant-administratieconsulent,

B E T R O K K E N EN ,

raadsman: mr. F.T. Serraris, te Amsterdam.

1.          Het verloop van de procedure

1.1.       De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de aan partijen bekende stukken van het dossier in deze zaak, waaronder:

-          het op 23 april 2019 ingekomen klaagschrift van 19 april 2019 met bijlagen;

-          de op 23 mei 2019 ingekomen brief van 21 mei 2019 van klager;

-          het op 17 juli 2019 ingekomen verweerschrift van [Y1] RA, van 17 juli 2019;

-          het op 17 juli 2019 ingekomen verweerschrift van [Y2] RA, van [Y3] RA en van [Y4] AA, van 17 juli 2019.

1.2.       De Accountantskamer heeft de klacht behandeld op de openbare zitting van 14 februari 2020 waar zijn verschenen: klager mr. J.A. Mulder, bijgestaan door mr. J.W.P.M. van der Velden voornoemd en mr. [A], en betrokkene [Y1] RA, bijgestaan door mr. A.C. van Campen voornoemd, en betrokkenen [Y2] RA, [Y3] RA en [Y4] AA, bijgestaan door mr. F.T. Serraris voornoemd.

1.3.       Klager en betrokkenen hebben op genoemde zitting hun standpunten (aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de Accountantskamer zijn overgelegd) toegelicht en geantwoord op vragen van de Accountantskamer.

2.          De vaststaande feiten

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde op de zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

2.1.      [BV1] was een onderneming die zich bezighield met de verhuur van mobiele kantoorunits. Sinds 2012 hield [BV1] zich met name bezig met de productie en verhuur van mobiele units ten behoeve van de medische sector, waaronder de verhuur van (mobiele) operatiekamers. De mobiele units zijn in de balans verantwoord onder ‘materiële vaste activa’ (hierna: MVA). Enig bestuurder van [BV1] was [B] (hierna: [B]). Vanaf 2012 is de jaaromzet van [B] sterk gestegen.

2.2.1.   [Y1] RA (hierna: [Y1]) is sinds [datum] inschreven in het register van (thans) de Nba. Zij was tot 1 oktober 2014 werkzaam bij accountantskantoor [accountantskantoor1] (hierna: [accountantskantoor1]) te [plaats1]. Zij heeft voor het boekjaar 2012 samenstellingswerkzaamheden verricht voor [BV1] (hierna: [BV1]) te [plaats2]. Zij heeft op 16 april 2013 een samenstellingsverklaring afgegeven bij de jaarrekening 2012 van [BV1].

Vanaf begin 2013 is [Y1] vanuit [accountantskantoor1] enkele dagen per week gedetacheerd bij [BV1]. Met ingang van 1 oktober 2014 is zij als financieel directeur in dienst getreden van [BV1]. In mei 2016 heeft zij een vaststellingsovereenkomst met [BV1] gesloten waarbij haar dienstverband met ingang van 1 augustus 2016 werd beëindigd. Zij heeft sinds het sluiten van de vaststellingsovereenkomst geen werkzaamheden meer verricht voor [BV1].

2.2.2.   [Y3] RA (hierna: [Y3]) is sinds [datum] ingeschreven in het register van (thans) de Nba. Hij was bestuurder van [accountantskantoor1] en werkzaam als accountmanager.

2.2.3.   [Y4] AA (hierna: [Y4]) is sinds [datum] ingeschreven in het register van (thans) de Nba. Hij was werkzaam bij [accountantskantoor1]. Hij heeft voor de boekjaren 2013 en 2014 samenstellingswerkzaamheden verricht voor [BV1]. Op 31 maart 2014 heeft hij een samenstellingsverklaring afgegeven bij de jaarrekening 2013. Op 8 juli 2015 heeft hij een samenstellingsverklaring afgegeven bij de jaarrekening 2014.

2.2.4.   [Y2] RA (hierna: [Y2]) is sinds [datum] ingeschreven in het register van (thans) de Nba. Zij was werkzaam bij [accountantskantoor1]. Zij heeft de controle verricht met betrekking tot de jaarrekening 2015 van [BV1]. Op 30 mei 2016 heeft zij een goedkeurende controleverklaring afgegeven bij de jaarrekening 2015.

2.3.1.   Op 20 juni 2016 heeft [B] aan de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: AVA) gerapporteerd dat sprake was van acute liquiditeitsproblemen bij [BV1].

2.3.2.   Begin augustus 2016 is een opdracht verstrekt aan [bureau1] (hierna: [bureau1]) om onderzoek te doen naar de financiële situatie van [BV1]. [bureau1] heeft op 15 augustus 2016 rapport uitgebracht. [bureau1] heeft geconcludeerd dat een faillissement moeilijk afwendbaar leek en dat ingrijpende maatregelen nodig waren.

2.3.3.   Bij brief van 11 augustus 2016 heeft [Y2] de directie en de Raad van Commissarissen (hierna: RvC) van [BV1] het volgende bericht:

Zoals woensdag 10 augustus jl. met de heer [B] besproken zijn ons feiten bekend geworden met betrekking tot [groep1] en [BV1], die een wezenlijke invloed hebben op het beeld van de jaarrekening 2015 van [groep1] en van [BV1]. Wanneer deze feiten op de datum van de controleverklaring bij de jaarrekening 2015 van [groep1] en van [BV1] bekend zouden zijn geweest, dan zouden deze tot een wijziging van de jaarrekening dan wel een wijziging van de controleverklaring hebben geleid.

Middels deze brief wil ik u derhalve informeren dat wij de controleverklaring die wij op 30 mei 2016 hebben verstrekt bij de jaarrekening 2015 van [groep1] en [BV1] intrekken. Hiermee vervalt tevens de toestemming tot openbaarmaking van de jaarrekening 2015 van [groep1] en van [BV1].

Tot slot wil ik u verzoeken de partijen die reeds een exemplaar van de jaarrekening 2015 van [groep1] en [BV1] hebben ontvangen op de hoogte te stellen dat de controleverklaring die wij op 30 mei 2016 hebben verstrekt bij de jaarrekening 2015 van [groep1]. en BV1] is ingetrokken.

2.3.4.   Op 31 augustus 2016 heeft de RvC het vertrouwen in [B], als bestuurder van [BV1], opgezegd en hem ontslagen.

2.3.5.   Op 8 september 2016 is [BV1] op eigen aangifte failliet verklaard.

3.          De klacht

3.1.       Betrokkenen hebben volgens klager gehandeld in strijd met de voor hen geldende gedrags- en beroepsregels.

3.2.       De verwijten die aan de klachten ten grondslag liggen zullen hieronder per betrokkene worden weergegeven en besproken.

3.3.       Wat door/namens klager bij de mondelinge behandeling als nieuwe standpunten naar voren is gebracht, is door de Accountantskamer niet opgevat als nieuwe klachtonderdelen  (waarvan de inbreng op een dergelijk laat tijdstip overigens ook in strijd zou zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde) maar - voor zover het daartoe kan dienen - als ondersteuning van de betwisting van het gestelde in de door/namens betrokkenen gegeven weerspreking van de klachten.

4.          De gronden van de beslissing

Over de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende. 

Algemeen

4.1.       Op grond van artikel 31 Wet toezicht accountantsorganisaties (hierna: Wta), gelezen in samenhang met artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) is de extern (register)accountant bij het beroepsmatig handelen onderscheidenlijk ten aanzien van zijn beroepsuitoefening onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wta respectievelijk Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

De van toepassing zijnde gedrags- en beroepsregels

4.2.       Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft, moet, voor zover dit plaats had in de periode van 1/17 januari 2007 tot 4 januari 2014 worden getoetst aan de in die periode geldende Verordening gedragscode (RA’s)/(AA’s) en daarvan in dit geval het (voor alle accountants geldende) deel A en het (voor openbaar accountants geldende) deel B1, en voor zover dit plaatshad ná 4 januari 2014 aan de sindsdien geldende Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

4.3.       Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klager is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountants tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld.

Klachtonderdelen met betrekking tot [Y1]

4.4.      Ten grondslag aan de klacht tegen [Y1] liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door en namens klager gegeven toelichting, de volgende verwijten:

a.         betrokkene heeft, toen zij als openbaar accountant werkzaamheden verrichtte      voor [BV1], gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van     professionaliteit en van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid door:

            1.         een financiële administratie op te zetten:

                        ●         die niet aansluit bij de aard en complexiteit van de nieuwe                                                            bedrijfsvoering van [BV1];

                        ●         die niet voldoet aan de minimumeisen die de wet stelt aan                                                            administraties;

            2.         geen behoorlijk systeem van AO/IC (= administratieve organisatie &                                interne controle) op te zetten;

            3.         in de nacalculaties niet op te merken dat de overheadkosten en directe eigen                    personeelskosten niet werden meegenomen bij inschrijvingen op projecten;

            4.         het activeren van kosten die niet geactiveerd mochten worden dan wel het                      niet deactiveren van kosten nadat een project was afgelopen;

            5.         het halveren van het afschrijvingspercentage op de mobiele units van 10 %                      per jaar naar 5,5 % per jaar, terwijl de levensduur van de mobiele units niet                       langer was geworden en de nieuwe business juist een verhoogd                                      afschrijvingspercentage vergde;

            6.         een schadevergoedingsvordering voor het project [C] op te nemen in de               administratie, terwijl niet onderbouwd was dat deze vordering reëel en

                      opname in de administratie gerechtvaardigd was;

            7.         voor project [C] zowel een debiteurenpost en onderhanden werk als een               schadevergoedingsvordering wegens het niet doorgaan van dit project op te                    nemen;

b.         betrokkene heeft, toen zij als financieel directeur werkzaam was bij [BV1],          gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van professionaliteit en van         vakbekwaamheid en zorgvuldigheid door de onder a genoemde gedragingen         voort te zetten.

c.         betrokkene heeft vorderingen onjuist gewaardeerd.

Bespreking klachtonderdelen met betrekking tot [Y1]

4.5.1    De Accountantskamer stelt voorop dat de klachtonderdelen a, sub 1 tot en met 5, betrekking hebben op handelen en nalaten van [Y1] in de periode vóór 1 oktober 2014, toen zij als openbaar accountant (gedetacheerd) vanuit [accountantskantoor1] werkzaamheden verrichtte voor  [BV1]. De Accountantskamer heeft de klacht zo gelezen dat de klachtonderdelen a, sub 6 en 7, b en c, die betrekking hebben op het in de administratie van [BV1] opnemen van een vordering met betrekking tot project [C], in 2015, betrekking hebben op handelen en nalaten van [Y1] in de periode na 30 september 2014, toen zij als accountant in business werkzaam was bij [BV1].

4.5.2.   Voor de beoordeling van klachtonderdeel a, sub 1,  acht de Accountantskamer van belang dat [Y1] verklaard heeft dat onjuist is dat zij als openbaar accountant een geheel nieuwe financi ë le administratie heeft opgezet voor [BV1]. [Y1] heeft verklaard dat haar werkzaamheden in deze periode vooral betrekking hadden op het leveren van financi ë le maandrapportages, met het oog op het verkrijgen van herfinanciering voor [BV1]. Voor zover klager meent dat [Y1] wel degelijk een geheel nieuwe administratie heeft opgezet, die niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, had het op zijn weg gelegen om dit te onderbouwen. Klager is hierin niet geslaagd. Klachtonderdeel a, sub 1, is dan ook ongegrond.

4.5.3.   Klager heeft in klachtonderdeel a, sub 2, gesteld dat [Y1] geen behoorlijk systeem van AO/IC heeft opgezet bij [BV1]. Deze stelling is echter niet met stukken onderbouwd. Klachtonderdeel a, sub 2, is daarom ongegrond.

4.5.4.   Ten aanzien van klachtonderdeel a, sub 3, geldt dat [Y1] heeft ontkend dat zij de nacalculaties zelf opstelde. Wel heeft zij verklaard dat zij [B] heeft gewezen op verbeteringen die hierbij konden worden doorgevoerd en die nadien ook daadwerkelijk zijn doorgevoerd. [Y1] heeft voorts gesteld dat overheadkosten en een winstopslag wel degelijk werden meegenomen in de ten behoeve van [BV1] gemaakte prognoses en dat de indirecte personeelskosten en de overige bedrijfskosten in mindering werden gebracht op het geprognosticeerde netto resultaat. Het had gezien dit verweer op de weg van klager gelegen om zijn stelling dat [Y1] verantwoordelijk was voor de nacalculaties en dat zij daarin fouten heeft gemaakt nader te onderbouwen. Dat heeft klager niet gedaan. Klachtonderdeel a, sub 3, is dan ook ongegrond.

4.5.5.   De Accountantskamer overweegt ten aanzien van klachtonderdeel a, sub 4, dat klager [Y1] verwijt dat zij, bij het samenstellen van de jaarrekening 2012 van [BV1], kosten voor het aanpassen van medische units heeft geactiveerd die niet geactiveerd hadden mogen worden. Voor wat betreft het jaar 2012 heeft klager in dit verband verwezen naar het activeren van kosten voor een luchtbehandelingsinstallatie ten behoeve van een complex dat geplaatst is bij het [ziekenhuis1] in [plaats3]. Aan de hand van de door klager overgelegde stukken kan niet worden vastgesteld dat [Y1] de kosten in verband met de aanschaf van de luchtbehandelingsinstallatie in de door haar samengestelde jaarrekening 2012 ten onrechte heeft geactiveerd. De overige voorbeelden die klager heeft genoemd hebben geen betrekking op activeringen in 2012, het jaar waarover [Y1] de jaarrekening heeft samengesteld. Klachtonderdeel a, sub 4, is dan ook ongegrond.

4.5.6.   Ten aanzien van klachtonderdeel a, sub 5, overweegt de Accountantskamer dat [Y1] gemotiveerd heeft uiteengezet dat op de mobiele units gedifferentieerd werd afgeschreven. Op de kale units, die slechts een klein deel van de totale waarde vertegenwoordigden, werd jaarlijks 5 ½ % afgeschreven. Op de waardevermeerdering van de units, die het gevolg was van aanpassingen, werd jaarlijks 10 tot 20 % afgeschreven. Op de inventaris van de units werd eveneens jaarlijks 20 % afgeschreven. Ter onderbouwing van haar stelling dat gedifferentieerd werd afgeschreven, heeft [Y1] verwezen naar afschrijvingsstaten die zijn overgelegd. Door klager is niet aannemelijk gemaakt dat het gehanteerde afschrijvingspercentage niet reëel was. Klachtonderdeel a, sub 5, is dan ook ongegrond.

4.5.7.   Ten aanzien van de klachtonderdelen a, sub 6 en 7, stelt de Accountantskamer voorop dat [Y1], als accountant die de functie van financieel directeur van [BV1] bekleedt, tuchtrechtelijk de verantwoordelijkheid draagt voor het in 2015 in de administratie van [BV1] opnemen van een debiteurenvordering van € 1.400.000 in verband met het op [land1] uit te voeren project [C]. Zij moet tevens verantwoordelijk worden gehouden voor het in de administratie van [BV1] opnemen van een schadevergoedingsvordering ten bedrage van € 358.499 in verband met dit project.

De Accountantskamer overweegt verder dat een vordering op een debiteur eerst in de administratie behoort te worden opgenomen indien de vordering daadwerkelijk bestaat. [Y1] heeft ter onderbouwing daarvan gewezen op een e-mailwisseling tussen [D] (hierna: [D]) namens [BV1], en [E] (hierna: [E]), namens [C], van 11 en 12 november 2015. In een e-mail van 11 november 2015, met als onderwerp “bevestiging van opdracht” heeft [D], voor zover hier van belang, het volgende geschreven:

Graag willen we je hartelijk danken voor de opdracht voor de bouw van een gebouw waar onder andere het catharisatie laboratorium een plek in vindt, zoals aangeboden in aanbiedingsdocument 15-10-2015 Tweede Bezuinigingsronde [ziekenhuis2]. Momenteel zijn we, zoals je gevraagd hebt, een overeenkomst aan het voorbereiden, welke we verwachten je begin volgende week te kunnen presenteren.

Bij e-mail van 11 november 2015 heeft [E], voor zover hier van belang, hierop als volgt geantwoord:

Gister hebben we inderdaad een en ander besproken en heb ik aangegeven dat we al mondeling kunnen toezeggen dat de CathLab doorgaat. Ik wacht dan ook een draft overeenkomst af, zoals je zelf ook aangeeft.

Belangrijk in deze is om aan je te melden dat de harde deadline van 1 mei 2016 niet gesteld is voor oplevering CathLab, maar dat op die datum het terrein vrij moet zijn, zodat [F] verder kan bouwen. Dat betekent dus dat op dat moment het oude gebouw al gesloopt dient te zijn. Deadline voor operationeel oplevering CathLab is dus 6 weken eerder, en wel medio maart 2016.

Dit betekent dat we nu in de Thalys-trein zitten en in zeer hoog tempo een en ander moeten realiseren. Kun je aangeven hoe de planning eruit zal zien? Ik hoop dat de planning haalbaar is. Dit is echt een breakpunt wat door de aannemer nu geëist wordt.

Bij e-mail van 11 november 2015 heeft [D] hierop, voor zover hier van belang, als volgt geantwoord:

Dankjewel voor je bericht. Je legt de lat wel erg hoog: 4 maanden voor een turnkey oplevering met een Kerst/Nieuwjaarsperiode en een lange vervoersperiode van de units in die periode.

We gaan er desalniettemin mee aan de slag. Morgen stellen we samen met onze juridische afdeling een draft contract op. Dit is mogelijk een korte versie van de uiteindelijke overeenkomst, waarop met begrip voor verdere uitwerking van de leveringsdetails, alvast een handtekening gegeven kan worden. Hiermee en met het doen van de eerste aanbetaling, kunnen we dan onze bestellingen in gang zetten.  We geven onze jurist opdracht het contract zo goed mogelijk te schrijven uit oogpunt van beide partijen om daarmee discussie en tijdsverlies te voorkomen.

Hierop heeft [E], bij e-mail van 12 november 2015, voor zover hier van belang, het volgende geantwoord:

Zoals net telefonisch besproken zet ik een paar punten op de de mail:

●              Jullie juristen zullen een voorstel opsturen voor een overeenkomst. Hierij wordt als basis de al eerder door ons ([bureau2]) opgestelde overeenkomst. Daarbij heb je aangegeven dat er wat aanpassingen van jullie kant gewenst zijn. Ik stel voor dat de overeenkomst ook naar [G] wordt verstuurd, die het naar de juristen in [land2] kan voorleggen. We zullen nu in ieder geval werken aan een intentieverklaring, zodat beide partijen op hoofdlijnen zich aan het project committeren en dat er ook al bestellingen geplaatst kunnen worden.

(……….)

Ik wacht nu de draft intentieverklaring en draft overeenkomst van [BV1] af en maak intussentijd afspraken met de stakeholders hier op [land1].

Een schriftelijke, door partijen ondertekende,  overeenkomst tussen [BV1] en [C] c.q. de door [C] vertegenwoordigde partij is nooit tot stand gekomen.

Naar het oordeel van de Accountantskamer kan op basis van de hiervoor weergegeven e-mailwisseling niet worden aangenomen dat sprake was van een overeenkomst met betrekking tot de uitvoering van het project [C]. Partijen onderhandelden nog over de essentiala van een dergelijke overeenkomst. Er was kennelijk zelfs nog geen intentieverklaring op hoofdlijnen, want uit de hiervoor genoemde e-mail van 12 november 2015 van [E] blijkt dat aan een dergelijke verklaring nog gewerkt moest worden. Nu geen sprake was van een overeenkomst, mocht ook geen debiteurenvordering in verband met dit project worden opgenomen in de administratie van [BV1]. Hierbij komt nog dat volstrekt onduidelijk is waarop het bedrag van € 1.400.000, waarvoor deze vordering is opgenomen in de administratie van [BV1], gebaseerd is. Het bestaan van de in de administratie van [BV1] opgenomen schadevergoedingsvordering in verband met dit project is evenmin deugdelijk onderbouwd.

De Accountantskamer is van oordeel dat [Y1], door in te stemmen met het zonder deugdelijke grondslag opnemen van een debiteurenvordering en een schadevergoedingsvordering in verband met het project [C] in de administratie van [BV1] gehandeld heeft in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, als bedoeld in artikel 2, onder d, van de VGBA. Omdat [Y1] door het ten onrechte opnemen van deze vorderingen in de administratie van [BV1] betrokken was bij informatie die ofwel materieel onjuist ofwel onvolledig ofwel misleidend was, heeft zij tevens gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van integriteit, als bedoeld in artikel 2, onder b, van de VGBA.

De klachtonderdelen a, sub 6 en 7, zijn daarom gegrond.

4.5.8.   Ten aanzien van de klachtonderdeel b overweegt de Accountantskamer dat uit de toelichting op dit klachtonderdeel niet blijkt dat dit (mede) betrekking heeft op andere gedragingen dan de voortzetting van de gedragingen waarover klager in de klachtonderdelen a, sub 1, tot en met a, sub 5, heeft geklaagd. Zoals hiervoor is overwogen zijn de klachtonderdelen a, sub 1, tot en met a, sub 5, die betrekking hebben op de werkzaamheden die betrokkene heeft verricht toen zij als openbaar accountant (gedetacheerd) vanuit [accountantskantoor1] werkzaamheden verrichtte voor [BV1], ongegrond. Hieruit volgt dat klachtonderdeel b, dat betrekking heeft op de voortzetting van deze werkzaamheden, eveneens ongegrond is.

4.5.9.   Met betrekking tot klachtonderdeel c overweegt de Accountantskamer dat bij de bespreking van klachtonderdeel a, sub 6 en 7, al een oordeel is gegeven over het opnemen van veronderstelde vorderingen inzake het project [C] in de administratie van [BV1]. Aan klachtonderdeel c komt daarom in zoverre geen zelfstandige betekenis toe. Voor wat betreft overige vorderingen heeft klager niet onderbouwd dat deze onjuist gewaardeerd zijn in de administratie van [BV1].

Klachtonderdeel c is daarom ongegrond.

Klachtonderdelen met betrekking tot [Y4]

4.6.      Ten grondslag aan de klacht tegen [Y4] liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door en namens klager gegeven toelichting, de volgende verwijten:

d.         betrokkene heeft onvoldoende toezicht gehouden op zijn collega [Y1] om te vermijden dat onjuistheden van materieel belang in de jaarrekening zouden worden      opgenomen;

e.         betrokkene heeft in de jaarrekeningen over 2013 en 2014 verzwegen dat een deel           van de units geen eigendom van [BV1] was.

Bespreking klachtonderdelen met betrekking tot [Y4]

4.7.1.   Ten aanzien van klachtonderdeel d stelt de Accountantskamer voorop dat [Y4] voor de boekjaren 2013 en 2014 samenstellingswerkzaamheden heeft verricht ten behoeve van [BV1]. Als samenstellend accountant was hij niet op grond van enige bepaling gehouden om toezicht te houden op de werkzaamheden van [Y1] in de periode dat zij vanuit [accountantskantoor1] was gedetacheerd bij [BV1].

De Accountantskamer is van oordeel dat de situatie waarin [Y4] samenstellingswerkzaamheden verrichtte niet overeenkomt met de situatie ten aanzien waarvan het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) bij uitspraak van 9 september 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:150) geoordeeld heeft dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verantwoordelijk was voor het handelen van een accountant die daarvoor ook zelfstandig tuchtrechtelijk verantwoordelijk was. [Y1] verrichtte haar werkzaamheden ten behoeve van [BV1] in de periode toen zij werkzaam was bij [accountantskantoor1] immers niet in ondergeschiktheid aan [Y4].

Voor wat betreft de periode na 30 september 2014, toen [Y1] financieel directeur was van [BV1], gold op grond van de destijds geldende Standaard 4410.13 als algemeen uitgangspunt dat een accountant die samenstellingswerkzaamheden verrichtte niet bij de leiding van de entiteit inlichtingen hoefde in te winnen om de betrouwbaarheid en volledigheid van de verstrekte informatie vast te stellen. Slechts indien de accountant constateerde dat de door de leiding verstrekte gegevens onjuist, onvolledig of anderszins onbevredigend waren, kon volgens de destijds geldende Standaard 4410.14 de verplichting ontstaan om te vragen om aanvullende informatie. In dit geval gold voor [Y4], als samenstellend accountant van [BV1], op grond van Standaard 4410.14 geen verplichting om aanvullende informatie op te vragen. Het enkele feit dat [Y4] en [Y1] elkaar kenden, bracht niet met zich mee dat [Y4] gehouden was om toezicht te houden op [Y1] dan wel om aanvullende informatie op te vragen.

Klachtonderdeel d is dan ook ongegrond.

4.7.2.   De Accountantskamer overweegt ten aanzien van klachtonderdeel e dat niet in geschil is dat in de jaren 2013 en 2014 een deel van de door [BV1] verhuurde units geen eigendom was van [BV1]. De door [Y4] samengestelde jaarrekeningen bevatten geen toelichting met betrekking tot de eigendomssituatie van deze units.

De Accountantskamer stelt vast dat artikel 2:366, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat i ndien de rechtspersoon op of met betrekking tot materiële vaste activa slechts een beperkt zakelijk of persoonlijk duurzaam genotsrecht heeft, dit vermeld wordt. In artikel 2:396, eerste en derde lid, BW, zoals deze bepaling destijds luidde, is echter het volgende bepaald:

1.            D e leden 3 tot en met 9 gelden voor een rechtspersoon die op twee opeenvolgende balansdata,   zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, heeft      voldaan aan twee of drie van          de volgende vereisten:

                a.            de waarde van de activa volgens de balans met toelichting bedraagt, op de grondslag van                            verkrijgings- en vervaardigingsprijs, niet meer dan € 4.400.000;

                b.            de netto-omzet over het boekjaar bedraagt niet meer dan € 8.800.000;

                c.             het gemiddeld aantal werknemers over het boekjaar bedraagt minder dan 50.

3.            Van de ingevolge afdeling 3 voorgeschreven opgaven behoeft geen andere te worden gedaan dan             voorgeschreven in de artikelen 364, 37, 375 lid 3 en 376, alsmede, zonder uitsplitsing naar soort    schuld of vordering, in de artikelen 370 lid 2 en 375 lid 2 en de opgave van het ingehouden deel van        het resultaat.

De Accountantskamer stelt voorts vast dat [BV1] op de balansdata 31 december 2012 en 31 december 2013 voldeed aan de vereisten als genoemd onder b en c van artikel 2:396, eerste lid, BW. Hieruit volgt dat [BV1] voor wat betreft het boekjaar 2013 een rechtspersoon was als bedoeld in artikel 2:396, eerste lid, BW.

Op 31 december 2014 voldeed [BV1] niet langer aan het vereiste onder b van deze bepaling, omdat de netto-omzet over 2014 gestegen was naar € 15.238.292. Omdat op die datum nog geen sprake was van een situatie waarin zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata niet voldaan werd aan twee van de drie in artikel 2:396, eerste lid, BW vermelde vereisten, was [BV1] ook voor wat betreft het boekjaar 2014 een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:396, eerste lid, BW. Op een dergelijke rechtspersoon zijn de leden 3 tot en met 9 van artikel 2:396 BW voor wat betreft het boekjaar 2013 en het boekjaar 2014  van toepassing.

Omdat artikel 2:366, tweede lid, BW is opgenomen in afdeling 3 van titel 9 van Boek 2 van het BW volgt uit het derde lid van artikel 2:396 BW dat de verplichting tot het vermelden dat een rechtspersoon op of met betrekking tot materiële vaste activa slechts een beperkt zakelijk of persoonlijk duurzaam genotsrecht heeft, hier niet gold. Dit brengt mee dat [Y4] niet gehouden was om daarvan melding te maken in de door hem samengestelde jaarrekeningen 2013 en 2014. Hij heeft, door dit niet te vermelden, dan ook niet gehandeld in strijd met enige gedrags- of beroepsregel.

Klachtonderdeel e is daarom ongegrond.

Klachtonderdelen met betrekking tot [Y2]

4.8.      Ten grondslag aan de klacht tegen [Y2] liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door en namens klager gegeven toelichting, de volgende verwijten:

f.         betrokkene heeft ten onrechte geen controle uitgevoerd op de begincijfers van het          controlejaar 2015;

g.         betrokkene heeft ten onrechte de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de waardering van de mobiele units bij de controlecliënt gelegd;

h.         betrokkene heeft, toen zij als controlerend accountant werkzaamheden verrichtte in        het kader van de controle van de jaarrekening van [BV1] gehandeld in strijd met           de fundamentele beginselen van professionaliteit en van vakbekwaamheid en            zorgvuldigheid door:

            1.         ten onrechte geen deugdelijke controle uit te voeren op de waardering van                      de mobiele units;

            2.         ten onrechte geen deugdelijke controle uit te voeren op de waardering van                      diverse grote vorderingen;

            3.         niet op te merken dat de door haar gecontroleerde jaarrekening voor project                    [C] zowel een debiteurenvordering en onderhanden werk als een                                schadevergoedingsvordering wegens het niet doorgaan van dit project                             bevatte;

            4.         een debiteurenvordering en onderhanden werk inzake project [C] op te                nemen terwijl daaraan slechts een een ongetekende offerte ten grondslag                                    lag;

            5.         zich geen rekenschap te geven van de ernstige tekortkomingen in de AO/IC                    van [BV1];

            6.         een winstcijfer op te nemen terwijl sprake was van een verlieslatende                               onderneming; 

            7.         niet mee te delen dat [BV1] het geleasde deel van de mobiele units niet in

                        eigendom heeft;

            8.         op verzoek van [Y1] de aanvankelijk berekende winst nog te                                verhogen;

            9.         een controleverklaring af te geven die korte tijd laten moest worden                                 ingetrokken;

i.          betrokkene heeft in strijd met het fundamentele beginsel van objectiviteit een      ongewenste mate van vertrouwdheid met [Y1] laten ontstaan;

j.          betrokkene heeft onvoldoende toezicht gehouden op [Y1] om te   vermijden dat onjuistheden van materieel belang in de jaarrekening zouden worden             opgenomen;

k.         betrokkene heeft ten onrechte geen verantwoordelijkheid genomen voor de door            haar gemaakte fouten;

l.          betrokkene heeft ten onrechte geen openheid gegeven over de niet eerder bekende         feiten en omstandigheden die hebben geleid tot intrekking van de    controleverklaring;

m.        betrokkene heeft de intrekking van de controleverklaring ten onrechte niet als     incident gemeld bij de AFM.

Bespreking klachtonderdelen met betrekking tot [Y2]

4.9.1.   Ten aanzien van klachtonderdeel f overweegt de Accountantskamer dat voor de beoordeling van dit klachtonderdeel bezien moet worden of [Y2] gehandeld heeft in strijd met de Standaarden 510 (initi ë le controleopdrachten - beginsaldi) en 710 (ter vergelijking opgenomen informatie – vergelijkende cijfers en vergelijkende financi ë le overzichten). De Accountantskamer zal het handelen van [Y2] achtereenvolgens toetsen aan deze beide Standaarden.

Standaard 510.6 luidt als volgt :      

De accountant dient voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen over de vraag of de beginsaldi afwijkingen bevatten die een van materieel belang zijnde invloed hebben op de financiële overzichten van de lopende verslagperiode door: (Zie Par. A1 en A2)

a.            te bepalen of de eindsaldi van de voorgaande verslagperiode op correcte wijze naar de lopende verslagperiode zijn overgedragen of, in voorkomend geval, zijn aangepast;

b.            te bepalen of uit de beginsaldi blijkt dat passende grondslagen voor financiële verslaggeving zijn                toegepast; en

c.             een of meer van onderstaande werkzaamheden te verrichten: (Zie Par. A3, A4, A5, A6 en A7)

                i.              ingeval de financiële overzichten van het voorgaande jaar zijn gecontroleerd, de                                            werkdocumenten van de voorgaande accountant evalueren teneinde controle-informatie                                            over de                beginsaldi te verkrijgen;

                ii.             evalueren of de in de lopende verslagperiode uitgevoerde controlewerkzaamheden voor de                          beginsaldi relevante informatie verschaffen; of

                iii.            specifieke controlewerkzaamheden uitvoeren om controle-informatie over de beginsaldi te                          verkrijgen.

Een accountant die een controle verricht moet kunnen aantonen dat hij deze controle, ook voor wat betreft de afzonderlijke onderdelen van de jaarrekening waarop de controle betrekking heeft, deugdelijk heeft verricht. Dit geldt ook voor het verkrijgen van voldoende en geschikte controle-informatie, als bedoeld in Standaard 510.

Uit de ingebrachte stukken blijkt dat [Y2] werkzaamheden heeft verricht met als doel om vast te stellen of de beginsaldi correct waren. Zij heeft met name vastgesteld dat posten aansluiten op gegevens die ontleend zijn aan de financi ë le administratie. Al hoewel het verrichten van dit soort werkzaamheden op zichzelf genomen juist en nuttig is, is dit niet voldoende om te voldoen aan de eisen die Standaard 510.6 stelt aan een controlerend accountant.

Voor wat betreft de waardering van het beginsaldo voor de MVA heeft [Y2] voorts de huuropbrengsten vergeleken met de afschrijvingslast en vastgesteld dat de huuropbrengsten in 2014 hoger waren dan de afschrijvingen. Naar het oordeel van de Accountantskamer was dit onvoldoende om het bestaan en de (juistheid van de) waardering van de MVA op 1 januari 2015 vast te kunnen stellen. Evenmin heeft betrokkene met de door haar verrichte werkzaamheden voldoende en geschikte controle-informatie verkregen terzake van de juistheid van de door het management gehanteerde afschrijvingstermijnen. Dit klemt te meer nu de MVA ongeveer 80% van het balanstotaal uitmaken. Ook met betrekking tot andere posten heeft betrokkene onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij specifieke controlewerkzaamheden heeft uitgevoerd om voldoende en geschikte controle-informatie over de beginsaldi te verkrijgen.

Dit leidt de Accountantskamer tot het oordeel dat [Y2] onvoldoende heeft aangetoond dat zij voldoende en geschikte controle-informatie heeft vergaard over de beginsaldi en daarmee tot het oordeel dat [Y2] gehandeld heeft in strijd met Standaard 510.6. Hieruit volgt dat zij ook gehandeld heeft in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

Standaard 710.7 luidt als volgt:

De accountant dient te bepalen of de financiële overzichten de ter vergelijking opgenomen informatie bevatten die het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving vereist, en of deze informatie op passende wijze is geclassificeerd. Daartoe dient de accountant te evalueren of:

a.            de ter vergelijking opgenomen informatie overeenkomt met de in de voorgaande verslagperiode                gepresenteerde bedragen en andere toelichtingen of, indien passend, is herzien; en

b.            de grondslagen voor financiële verslaggeving die in de ter vergelijking opgenomen informatie zijn              weerspiegeld, consistent zijn met die welke in de lopende verslagperiode zijn toegepast dan wel,           indien zich veranderingen hebben voorgedaan in de grondslagen voor financiële verslaggeving, of            deze veranderingen naar behoren administratief zijn verwerkt en op adequate wijze zijn                 gepresenteerd en toegelicht.

Uit de ingebrachte stukken blijkt dat [Y2] gecontroleerd heeft of de ter vergelijking opgenomen informatie overeenkomt met de in de voorgaande verslagperiode gepresenteerde bedragen en andere toelichtingen. Voldoende onderbouwd is dat zij ge ë valueerd heeft of de grondslagen voor financiële verslaggeving consistent zijn met die welke in de lopende verslagperiode zijn toegepast. Ook is in de controleverklaring aangegeven dat de ter vergelijking opgenomen cijfers niet gecontroleerd waren. De Accountantskamer is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat [Y2] gehandeld heeft in strijd met Standaard 710.

Omdat, zoals hiervoor is vastgesteld, [Y2] gehandeld heeft in strijd met Standaard 510.6 en zij hierdoor het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid heeft geschonden, is klachtonderdeel f in zoverre gegrond.

4.9.2.   De Accountantskamer overweegt ten aanzien van de klachtonderdelen g en h, sub 1, dat niet gebleken is dat [Y2] de juistheid van de waardering van de MVA ultimo 2015 heeft onderzocht. Zo wordt in het onderdeel “grondslagen voor de waardering van activa en passiva” van de bijlage bij het accountantsrapport van 30 mei 2016 het activeren van ten behoeve van enkele projecten gemaakte kosten in de MVA niet genoemd, terwijl deze geactiveerde kosten een steeds groter deel uitmaakten van de opgenomen waarde van de MVA.

Het standpunt van [Y2] dat de waardering van de MVA primair een managementinschatting was, miskent dat een accountant, wanneer hij gebruik maakt van informatie die afkomstig is van de door hem gecontroleerde entiteit, dient te evalueren of die informatie voldoende betrouwbaar is. [Y2] heeft, door dit niet te doen, maar af te gaan op de inschatting van het management van [BV1], gehandeld in strijd met Standaard 500.6 en de vereisten van standaard 540. De Accountantskamer is om die reden van oordeel dat [Y2] gehandeld heeft in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

De klachtonderdelen g en h, sub 1, zijn daarom in zoverre gegrond.

4.9.3.   Ten aanzien van klachtonderdeel h, sub 2, overweegt de Accountantskamer dat klager in dit verband de controle op de in de jaarrekening 2015 opgenomen vorderingen op [BV2] (hierna: [BV2]) en de vorderingen inzake het project [C] heeft benoemd. De controle van de vorderingen inzake het project [C] zal de Accountantskamer hierna, bij de klachtonderdelen h, sub 3 en 4, bespreken.

In de jaarrekening 2015 was een rekening-courantvordering van € 192.186 op [BV2], de persoonlijke vennootschap van [B], opgenomen. Daarnaast maakte een vordering van € 532.611 op [BV2] inzake project [H], dat de verbouwing van kantoorruimte bij de woning van [B] behelsde, deel uit van de post ‘onderhanden projecten’, onder ‘vlottende activa’, in de jaarrekening 2015.

Voorop moet worden gesteld dat de vorderingen van [BV1] op [BV2] vorderingen waren van [BV1] op de persoonlijke vennootschap van de directeur-grootaandeelhouder (DGA) van [BV1]. Er bestond dus een reëel  risico op vermenging van privé-belangen van de DGA van [BV1], [B], met de zakelijke belangen van [BV1]. Standaard 550 vereist dat de accountant passende controlewerkzaamheden uitvoert met betrekking tot transacties met en vorderingen op verbonden partijen, mede in het kader van mogelijke frauderisico’s.

De Accountantskamer is mede met het oog op het voornoemd riscico, van oordeel dat [Y2] onvoldoende heeft onderzocht of de vorderingen op [BV2] inbaar waren en op juiste wijze in de jaarrekening zijn gerubriceerd. [BV2] had blijkens haar jaarrekening 2014 weliswaar een eigen vermogen van ruim € 1.500.000 en een positief werkkapitaal, maar het eigen vermogen van [BV2] lag vrijwel volledig vast in aandelen [BV1]. In geval van continu ï teitsproblemen en/of liquiditeitsproblemen bij [BV1] zouden ook de mogelijkheden om de vorderingen op [BV2] te verhalen geraakt worden. Het had op de weg van [Y2] gelegen om na te gaan of het re ë el was te verwachten dat het (volledige) bedrag van de vorderingen daadwerkelijk aan [BV1] betaald zou worden. De Accountantskamer is dan ook van oordeel dat [Y2], door dit niet na te gaan, onvoldoende geschikte controle-informatie heeft vergaard. Zij heeft daardoor gehandeld in strijd met Standaard 500.6 en de vereisten van Standaard 550. Hieruit volgt dat zij gehandeld heeft in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

Klachtonderdeel h, sub 2, is daarom gegrond.

4.9.4.   Ten aanzien van de klachtonderdelen h, sub 3 en sub 4, die beiden betrekking hebben op het project [C], overweegt de Accountantskamer dat in de door [Y2] gecontroleerde jaarrekening 2015 een debiteurenvordering van € 1.400.000 in verband met het op [land1] uit te voeren project [C] was opgenomen. Tevens was een schadevergoedingsvordering verwerkt in verband met het in afgeslankte vorm doorgaan van dit project.

De Accountantskamer stelt voorop dat een vordering eerst als zodanig in de jaarrekening dient te worden opgenomen als die vordering daadwerkelijk bestaat. Dat is bijvoorbeeld het geval als aan de vordering een overeenkomst, waaruit een betalingsverplichting voortvloeit,  ten grondslag ligt.  

Zoals de Accountantskamer hiervoor, onder 4.4.7. van deze beslissing, onder verwijzing naar de in die overweging weergegeven e-mailwisseling, heeft geoordeeld, kan niet worden aangenomen dat er ultimo 2015 sprake was van een overeenkomst over de uitvoering van het project [C]. Partijen onderhandelden nog over de totstandkoming van een dergelijke overeenkomst. Nu geen sprake was van een tot stand gekomen overeenkomst, mocht ook geen debiteurenvordering in verband met dit project worden verwerkt  in de jaarrekening 2015 van [BV1]. Hierbij komt dat volstrekt onduidelijk is waarop het bedrag van € 1.400.000, waarvoor deze vordering was verwerkt, gebaseerd was.

Het bestaan van een re ë le schadevergoedingsvordering in verband met het gestelde niet doorgaan van het project [C] in de omvang waarvan oorspronkelijk sprake was, is evenmin onderbouwd. De Accountantskamer is dan ook van oordeel dat [Y2] ten aanzien van deze posten geen voldoende en geschikte controle-informatie heeft verkregen. Zij heeft daardoor gehandeld in strijd met Standaard 500.6. Hieruit volgt dat zij gehandeld heeft in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

De klachtonderdelen h, sub 3 en 4, zijn daarom gegrond.

4.9.5.   Ten aanzien van de stelling van klager dat [Y2] zich geen rekenschap heeft gegeven van de ernstige tekortkomingen in de AO/IC van [BV1] oordeelt de Accountantskamer dat niet aannemelijk is gemaakt dat hiervan in het controlejaar 2015 bij [BV1] sprake was. Klachtonderdeel h, sub 5, is daarom ongegrond.

4.9.6.   Ten aanzien van de klachtonderdelen h, sub 6 en sub 8, overweegt de Accountantskamer dat deze klachtonderdelen betrekking hebben op het boeken van niet bestaande winsten in de jaarrekening 2015. De Accountantskamer is van oordeel dat klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van het (al dan niet op verzoek van [Y1]) kunstmatig verhogen van het winstcijfer in de jaarrekening.

De klachtonderdelen h, sub 6 en sub 8, zijn daarom ongegrond.

4.9.7.   De Accountantskamer overweegt ten aanzien van klachtonderdeel h, sub 7, dat hiervoor, in rechtsoverweging  4.5.2. van deze beslissing, is geoordeeld dat [BV1] op de balansdata van de boekjaren 2013 en 2014 gold als een kleine rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:396 BW, waarvoor de verplichting tot het vermelden dat de rechtspersoon op of met betrekking tot materiële vaste activa slechts een beperkt zakelijk of persoonlijk duurzaam genotsrecht heeft, niet gold.

Bij de Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening (hierna: de Uitvoeringswet) is een aantal bepalingen van Boek 2 van het BW, waaronder artikel 2:396 BW, gewijzigd. De tekst van het eerste en van het derde lid van artikel 2:396 BW luidt na die wijziging als volgt:

1.            Onverminderd artikel 395a gelden de leden 3 tot en met 9 voor een rechtspersoon die op              twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende            balansdata, heeft voldaan aan twee of drie van de volgende vereisten:

a.            de waarde van de activa volgens de balans met toelichting bedraagt, op de       grondslag van verkrijgings- en vervaardigingsprijs, niet meer dan € 6.000.000;

b.            de netto-omzet over het boekjaar bedraagt niet meer dan € 12.000.000;

c.            het gemiddeld aantal werknemers over het boekjaar bedraagt minder dan 50.

                3.            Van de ingevolge afdeling 3 voorgeschreven opgaven behoeft geen andere te worden                                   gedaan dan voorgeschreven in de artikelen 364, 365 lid 1 onder a, 368 lid 2 onder a, 370 lid                       1 onder d, 373 leden 1 tot en met 5, eerste volzin, 375 lid 3 en 376, alsmede, zonder                                         uitsplitsing naar soort schuld of vordering, in de artikelen 370 lid 2 en 375 lid 2,                                                waarbij de aanduiding van de rentevoet achterwege blijft, en de opgave van het                                            ingehouden deel van het resultaat.

In artikel III van de Uitvoeringswet is met betrekking tot de inwerkingtreding en het van toepassing zijn van de in deze wet vervatte voorschriften het volgende bepaald:

            1.         Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

                2.            De in deze wet vervatte voorschriften zijn van toepassing op jaarrekeningen,                                                   bestuursverslagen en verslagen als bedoeld in artikel 392a die worden opgesteld over de                               boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2016. De voorschriften van deze wet kunnen                     worden toegepast op jaarrekeningen, bestuursverslagen en verslagen als bedoeld in artikel                                392a die worden opgesteld over boekjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2016.

Bij koninklijk besluit is bepaald dat de Uitvoeringswet op 1 november 2015 in werking treedt. Hieruit volgt dat de gewijzigde tekst van artikel 2:396 BW, op 1 november 2015 in werking is getreden. Het bepaalde in het tweede lid van artikel III van de Uitvoeringswet is hier van toepassing waaruit volgt dat voor de jaarrekening van [BV1] over het boekjaar 2015 de gewijzigde tekst van artikel 2:396 BW kon worden toegepast.

De Accountantskamer stelt vast dat de netto-omzet van [BV1] over 2015 € 10.144.334 bedroeg. Hieruit volgt dat voldaan werd aan het (gewijzigde) vereiste van artikel 2:396, eerste lid, onder b, BW, zoals dit op de balansdatum luidde. Omdat ook aan de overige vereisten van artikel 2:396 BW werd voldaan kon [BV1] voor de jaarrekening 2015 opteren voor de in dat artikel genoemde vrijstellingen.

Omdat artikel 2:366, tweede lid, BW is opgenomen in afdeling 3 van titel 9 van Boek 2 van het BW volgt uit het derde lid van artikel 2:396 BW dat de verplichting tot het vermelden dat een rechtspersoon op of met betrekking tot materiële vaste activa slechts een beperkt zakelijk of persoonlijk duurzaam genotsrecht heeft, hier niet gold. Dit brengt mee dat [Y2] niet gehouden was om bij [BV1] erop aan te dringen daarvan melding te maken in de door haar gecontroleerde jaarrekening 2015. Zij heeft, door dit niet te doen, dan ook niet gehandeld in strijd met enige gedrags- of beroepsregel.

Klachtonderdeel h, sub 7, is daarom ongegrond.

4.9.8.   Ten aanzien van klachtonderdeel h, sub 9, oordeelt de Accountantskamer dat er gelet op wat hiervoor is overwogen onvoldoende grondslag was voor de op 30 mei 2016 door [Y2] afgegeven controleverklaring bij de jaarrekening 2015. Betrokkene heeft, door een controleverklaring af te geven zonder dat daarvoor voldoende grondslag was, gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

Klachtonderdeel h, sub 9, is daarom gegrond.

4.9.9.   De Accountantskamer overweegt ten aanzien van klachtonderdeel i dat [Y1] ter zitting van de Accountantskamer heeft verklaard dat zij, als financieel directeur van [BV1], de verwerking van de vordering op [BV2] inzake project [H] als onderhanden project informeel heeft besproken met [Y2]. Deze verklaring is niet door [Y2] weersproken. De Accountantskamer zal dan ook uitgaan van deze verklaring. De Accountantskamer overweegt dat het verzoeken om inlichtingen tijdens een controle veelvuldig wordt gebruikt naast andere controlemiddelen. Het overleg tussen [Y1] en [Y2] kan worden aangeduid als een dergelijk verzoek om inlichtingen. Klager heeft niet aangetoond dat bedoeld overleg heeft geleid tot een ongewenste mate van vertrouwdheid met [Y1]. Klachtonderdeel i is daarom ongegrond.

4.9.10. Ten aanzien van klachtonderdeel j oordeelt de Accountantskamer dat [Y2] als controlerend accountant niet op grond van enige bepaling gehouden was om toezicht te houden op de werkzaamheden van [Y1]. Klachtonderdeel j is daarom ongegrond.

4.9.11. Ten aanzien van de klachtonderdelen k en l overweegt de Accountantskamer dat klager, als curator in het faillissement van [BV1], bij brieven van 7 februari 2017 en van 17 mei 2017 [Y2] een aantal vragen heeft gesteld over de controle van de jaarrekening 2015 en op de intrekking van de controleverklaring.

Uitgangspunt bij de beoordeling van deze klachtonderdelen is naar het oordeel van de Accountantskamer [1] dat een accountant bereid moet zijn aan zijn opdrachtgever en aan de curator in het faillissement van die opdrachtgever op diens verzoek in algemene zin informatie te verstrekken over de door hem ter uitvoering van zijn opdracht verrichte werkzaamheden. De verplichting vindt zijn grondslag in het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid zoals bedoeld in artikel 2, onder d, van de VGBA.

De Accountantskamer stelt vast dat [Y2] in haar brieven van 27 maart 2017 en van 29 augustus 2017 in algemene zin is ingegaan op de aan haar gestelde vragen over de uitvoering van haar werkzaamheden in het kader van de controle van de jaarrekening 2015 van [BV1]. Zij heeft echter niet inhoudelijk toegelicht welke niet eerder bekende feiten en omstandigheden geleid hebben tot de intrekking van de controleverklaring in de brief van 11 augustus 2016. Het had op de weg van [Y2] gelegen om hierover duidelijkheid te verschaffen, te meer nu zij in die brief aan de directie van [BV1] heeft geschreven dat w anneer deze feiten op de datum van de controleverklaring bij de jaarrekening 2015 van [groep1] en van [BV1] bekend zouden zijn geweest, deze dan tot een wijziging van de jaarrekening dan wel een wijziging van de controleverklaring zouden hebben geleid. [Y2] is dan ook tekortgeschoten in het aan de curator in het faillissement van haar opdrachtgever geven van informatie over de niet eerder bekende feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de intrekking van de eerder door haar afgegeven controleverklaring bij de jaarrekening 2015. Zij heeft hierdoor gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

De klachtonderdelen k en l zijn daarom gegrond.

4.9.12. De Accountantskamer begrijpt klachtonderdeel m zo dat klager met dit klachtonderdeel bedoelt dat [Y2] op grond van artikel 21, tweede lid, onder b, van de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta), gelezen in samenhang met artikel 32, vierde lid, van het Besluit toezicht accountsorganisaties (Bta), gehouden was om het intrekken van de controleverklaring als incident te melden bij de Autoriteit Financi ë le Markten (AFM).

De Accountantskamer overweegt naar aanleiding van dit klachtonderdeel dat de meldingsplicht voor incidenten als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onder b, van de Wta en artikel 32, vierde lid, van de Bta rust op de accountantsorganisatie. [Y2] was niet op grond van enig wettelijk voorschrift verplicht om een dergelijk incident, zo daarvan sprake was, te melden bij de AFM. Zij heeft, door de beleidsbepaler van [accountantskantoor1] op de hoogte te stellen van de intrekking van de controleverklaring, voldaan aan wat in dit verband van haar mocht worden verwacht.

Klachtonderdeel m is daarom ongegrond.

Klachtonderdelen met betrekking tot [Y3]

4.10.    Ten grondslag aan de klacht tegen [Y3] liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door en namens klager gegeven toelichting, de volgende verwijten:

n.         betrokkene heeft als accountmanager en opdrachtpartner namens [accountantskantoor1] niet             gezorgd voor een adequate aansturing van en toezicht op de          accountantswerkzaamheden die door andere accountants vanuit [accountantskantoor1] zijn      verricht;

o.         betrokkene heeft zich bij de uitvoering van zijn werkzaamheden, in strijd met het            fundamentele beginsel van objectiviteit, laten beïnvloeden door het gegeven dat hij de (al dan niet voormalige) collega’s kende;

p.         betrokkene heeft de intrekking van de controleverklaring ten onrechte niet als     incident gemeld bij de AFM.

Bespreking klachtonderdelen met betrekking tot [Y3]

4.11.1. De Accountantskamer overweegt ten aanzien van klachtonderdeel n dat als algemeen uitgangspunt geldt dat een accountant die een verklaring afgeeft daarvoor zelf de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid draagt. Dat [Y3] is aangeduid als accountmanager en opdrachtpartner van [accountantskantoor1] betekent niet dat hij inhoudelijke verantwoordelijkheid had voor de aansturing van en het toezicht op uitvoering van werkzaamheden voor [BV1]. Die verantwoordelijkheid lag bij de accountant die de verklaring heeft afgegeven. [Y3] heeft ter zitting verklaard dat hij niet dossierinhoudelijk betrokken was bij de controle van de jaarrekening van [BV1]. Niet gebleken is dat dit onjuist is. Voor tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van [Y3] voor het handelen of nalaten van [Y1] in de periode dat zij vanuit [accountantskantoor1] bij [BV1] was gedetacheerd, bestaat ook geen grondslag.

Klachtonderdeel n is daarom ongegrond.

4.11.2. Omdat niet aannemelijk is gemaakt dat [Y3] inhoudelijk betrokken is geweest bij de controle van de jaarrekening van [BV1], kan ook niet worden geoordeeld dat hij zich bij de uitvoering van zijn werkzaamheden heeft laten be ï nvloeden door het gegeven dat hij (al dan niet voormalige) collega’s kende.

Klachtonderdeel o is daarom ongegrond.

4.11.3. De Accountantskamer begrijpt klachtonderdeel p zo dat klager met dit klachtonderdeel bedoelt dat [Y3] op grond van artikel 21, tweede lid, onder b, van Wta, gelezen in samenhang met artikel 32, vierde lid, van het Bta, gehouden was om het intrekken van de controleverklaring als incident te melden bij de AFM.

[Y3] heeft ter zitting verklaard dat hij medebeleidsbepaler was van [accountantskantoor1]. Als zodanig was hij mede verantwoordelijk voor het doen van meldingen van incidenten aan de AFM.

Het tweede en vierde lid van artikel 32 Bta luiden als volgt:

2.            Een accountantsorganisatie stelt procedures en regels vast ter zake van de omgang met en           vastlegging van incidenten die ernstige gevolgen hebben voor de integere uitoefening van haar      bedrijf.

4.            Een accountantsorganisatie informeert de Autoriteit Financiële Markten onverwijld omtrent de in              het tweede lid bedoelde incidenten.

Hieruit volgt dat indien sprake is van incidenten die ernstige gevolgen hebben voor de integere uitoefening van haar bedrijf door een accountantsorganisatie deze aan de AFM dienen te worden gemeld.

De Accountantskamer stelt vast dat niet in enige wettelijke bepaling nader is ingevuld wat moet worden verstaan onder ‘incidenten die ernstige gevolgen hebben voor de integere uitoefening van haar bedrijf’. De door de AFM hieraan gegeven interpretatie, waarnaar klager in dit verband heeft verwezen, die onder meer is gepubliceerd op de website van de AFM, kan niet bepalend zijn voor hoe deze bepalingen moeten worden uitgelegd. De door de AFM gegeven interpretatie is immers geen wetgeving. Verdergaande verplichtingen dan volgen uit de wettekst kunnen niet worden opgelegd.

Niet gebleken is dat het intrekken van de controleverklaring bij de jaarrekening van [BV1] ernstige gevolgen had voor de integere bedrijfsuitoefening van [accountantskantoor1]. Daarmee is onvoldoende aannemelijk geworden dat betrokkene de wettelijke bepalingen niet heeft nageleegd. Het voorgaande laat onverlet dat het melden aan de AFM van de intrekking van de controleverklaring zonder meer voorstelbaar was geweest en in de praktijk ook wel gebeurt.

Nu geen sprake was van een incident als bedoeld in het artikel 32, vierde lid, Bta, dat door [Y3] had moeten worden gemeld, is klachtonderdeel p ongegrond.

De op te leggen maatregelen

4.12.1. Nu de klachten gericht tegen [Y1] en [Y2] gedeeltelijk gegrond worden verklaard, kan de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. Bij de beslissing daarover houdt zij rekening met de aard en de ernst van het verzuim van de betrokkenen en de omstandigheden waaronder dit zich heeft voorgedaan.

4.12.2. De Accountantskamer acht ten aanzien van [Y1] de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer er op gelet dat [Y1] niet in overeenstemming heeft gehandeld met de voor haar geldende vaktechnische en overige beroepsvoorschriften en daarmee niet aan de voor haar relevante wet- en regelgeving heeft voldaan. Dat handelen is  weliswaar in strijd met twee fundamentele beginselen maar daarbij gaat het om hetzelfde feitelijke verzuim, het ten onrechte opnemen van vorderingen in de administratie. Meegewogen is ook dat betrokkene niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld.

4.12.3. De Accountantskamer acht ten aanzien van [Y2] de maatregel van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registe rs voor de duur van één maand passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer er mede op gelet dat [Y2] in meerdere opzichten niet in overeenstemming heeft gehandeld met de voor haar geldende vaktechnische en overige beroepsvoorschriften en daarmee niet aan de voor haar relevante wet- en regelgeving heeft voldaan. Anderzijds is meegewogen dat betrokkene niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld.

4.13.    Op grond van het hiervoor overwogene wordt als volgt beslist.

5.          Beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klachten ten aanzien van [Y4] en [Y3] ongegrond;

·         verklaart de klachtonderdelen a, sub 6 en 7, ten aanzien van [Y1] gegrond;

·         verklaart de klachtonderdelen a, sub 1 tot en met 5, b en c ten aanzien van [Y1] ongegrond;

·         legt ter zake aan betrokkene [Y1] op de maatregel van

- waarschuwing ;

·         verklaart de klachtonderdelen           f, g, h, sub 1, sub 2, 3, 4 en 9, i, k en l ten aanzien van [Y2] gegrond;

·         verklaart de klachtonderdelen           h, sub 5, 6, 7 en 8, j en m, ten aanzien van [Y2] ongegrond;

·         legt ter zake aan betrokkene [Y2] op de maatregel als bedoeld in artikel 2,           eerste lid onder d. Wtra, te weten die van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registe rs voor de duur van één maand, welke maatregel ingaat op de tweede dag volgend op de dag waarop deze beslissing onherroepelijk is          geworden én de voorzitter van de Accountantskamer een last tot tenuitvoerlegging heeft uitgevaardigd en eindigt na ommekomst van de vermelde termijn;

·         verstaat dat de AFM en de voorzitter van de Nba na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregelen in de registers, voor zover betrokkenen daarin zijn of waren ingeschreven;

·         verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkenen [Y1] en [Y2] het door klager betaalde griffierecht ten bedrage van      

€ 70,-- (zeventig euro) aan klager vergoeden.

Aldus beslist door mr. A.A.J. Lemain, voorzitter, mr. I. Tubben en mr. M.J. van Lee (rechterlijke leden) en Th. A. Verkade RA en drs. W.J. Schoonderbeek RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2020.

_________                                                                                          __________

secretaris                                                                                            voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Ingevolge artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift dient de gronden van het beroep te bevatten en te zijn ondertekend.


[1] Zie onder meer de uitspraken Accountantskamer van 26 april 2016, ECLI:NL:TACAKN:2016:33, en van 6 september 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:57