Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TGZRZWO:2019:79
Datum uitspraak:
16-05-2019
Datum publicatie:
16-05-2019
Zaaknummer(s):
251/2018
Onderwerp:
Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beroepsgroep:
Tandarts
Beslissingen:
Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie:
 Klacht van collega tandarts opdrachtgever over de behandeling van een patiënt met een trauma. Klacht gegrond.

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

 

Beslissing d.d. 16 mei 2019 naar aanleiding van de op 13 september 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

 

A, werkzaam te B,

 

k l a g e r  

 

 

-tegen-

 

 

C, tandarts, (destijds) werkzaam te B,

bijgestaan door mr. M.H.M. Mook, verbonden aan ARAG-rechtsbijstand te Leusden,

 

v e r w e e r s t e r

 

 

 

1.   HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

 

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met de bijlagen;

- het verweerschrift met de bijlagen;

- het proces-verbaal van het op 8 januari 2019 gehouden gehoor van partijen in het   

  kader van het vooronderzoek;

- de repliek met de bijlage (gehecht aan het proces-verbaal van het vooronderzoek);

- de aanvullende stukken van klager, binnengekomen op 23 januari 2019;

- de dupliek met de bijlagen;

- de aanvullende stukken van verweerster, binnengekomen op 11 februari 2019;

- het proces-verbaal van het gehoor van de IGJ op de voet van artikel 66, lid 2 van de

  Wet BIG, dat is gehouden op 1 maart 2019.

 

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 19 april 2019, alwaar zijn verschenen klager en verweerster in persoon, verweerster bijgestaan door mr. Mook.

 



 

2.   DE FEITEN

 

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

 

Klager is tandarts. Verweerster is sinds 2006 werkzaam als tandarts, eerst in D en sinds 2015 in Nederland. Zij heeft op basis van een overeenkomst van opdracht gewerkt in de praktijk van klager en diens echtgenote. Deze overeenkomst was gesloten voor de periode van 5 september 2016 tot 30 augustus 2017. Op welke wijze, onder welke voorwaarden en voor hoe lang de overeenkomst is verlengd is niet duidelijk.

 

Op 13 juni 2017 heeft verweerster E (verder ook patiënt) in de spoeddienst behandeld. Patiënt was gevallen met mountainbiken en bij die val waren twee boventanden (11 en 21) verplaatst naar palatinaal (naar binnen). Door de val was ook zijn lip opengegaan. De lip was nog niet gehecht en bloedde hevig. Verweerster constateerde dat de tanden vast zaten, er was geen mobiliteit. Verweerster heeft een röntgenfoto gemaakt. Daar was geen fractuur op te zien en geen fragmentjes in de lip. Zij heeft met enige moeite palatinaal (aan de binnenkant) een spalkje gezet en geadviseerd om de volgende dag naar de eigen tandarts te gaan. De eigen tandarts van de patiënt heeft de volgende dag de tanden gereponeerd (op de plek geduwd) en gefixeerd met een flexibele draad aan de buitenzijde en patiënt voor verdere behandeling doorgestuurd naar de kaakchirurg. Patiënt heeft over de behandeling door verweerster geklaagd bij de praktijk van klager.

 

Per e-mail van 31 oktober 2017 heeft klager de overeenkomst met verweerster opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. Verweerster heeft bij brief van 31 oktober 2017 (dezelfde dag) in verband met de spoeddiensten aan de tandartsenkring waarvan de praktijk van klager deel uitmaakt laten weten dat zij per

31 december 2017 geen gebruik meer zou maken van de kring.

Verweerster heeft zelf de overeenkomst met klager opgezegd, per e-mail van

28 november 2017, per 1 januari 2018.

 

Daarna volgde een discussie tussen klager en verweerster over de wijze waarop de spoeddiensten moesten worden vervuld, per wanneer de overeenkomst eindigde en over declaraties en betalingen.

 

 

 



 

3.   HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

 

De klacht betreft - zakelijk weergegeven - de volgende onderdelen:

1.   de behandeling van patiënt, waarbij verweerster niet juist heeft gehandeld bij het trauma dat patiënt had opgelopen bij een val. Verweerster was niet bekwaam om deze behandeling uit te voeren. Zij heeft op geen enkele wijze getracht om zich bij te scholen;

2.   het niet uitvoeren van de spoeddiensten.

 

 

4.   HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER

 

Verweerster voert - zakelijk weergegeven - aan dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van zijn klachten die zijn gebaseerd op de eerste tuchtnorm omdat hij opdrachtgever is en geen patiënt of naaste betrekking. Verder voert verweerster aan dat haar geen tuchtrechtelijk verwijt treft en verzoekt zij de klacht(en) af te wijzen. Het college gaat voor zover nodig hierna meer specifiek in op het verweer.

 

 

5.   DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

 

5.1         

Klager is volgens artikel 65, eerste lid onder c van de Wet BIG op dezelfde voet als een werkgever gerechtigd om een tuchtklacht in te dienen. Deze klacht kan aan beide tuchtnormen van artikel 47 van genoemde wet worden getoetst.

 

5.2

Het college wijst er bij de inhoudelijke beoordeling allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

 

5.3

Nadat verweerster de overeenkomst van opdracht had opgezegd, heeft klager een tegenvoorstel gedaan waarin hij haar vroeg de spoeddiensten voor een groot deel van het jaar nog te verrichten. Daarna volgden over en weer nieuwe voorstellen. In de discussie die vervolgens ontstond hebben partijen elkaar niet kunnen vinden. Dit alles betekent echter nog niet dat verweerster tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. Het klachtonderdeel over de spoeddiensten is dus ongegrond.

 

5.4

Anders is dit wat betreft het klachtonderdeel dat betrekking heeft op de behandeling van patiënt en het verweten gebrek aan kennis op het gebied van de traumatologie. Indien zoals hier tanden door een trauma zijn verplaatst, wordt het door tijdsverloop lastiger en op een gegeven moment onmogelijk deze weer terug te plaatsen (te reponeren). Verweerster heeft dus niet mogen afzien van het reponeren van de tanden en de patiënt niet zonder goede occlusie mogen laten vertrekken. Voorts hoort het spalkje in principe aan de buitenzijde te worden bevestigd, niet aan de binnenzijde. Kortom, verweerster heeft het, zoals zij zelf inmiddels ook wel erkent, wegens gebrek aan kennis niet goed gedaan. In die zin is dit klachtonderdeel gegrond.

Voor het overige was het verweersters eigen verantwoordelijkheid als tandarts om zich bij te scholen en is het niet aan klager om haar hier tuchtrechtelijk op aan te spreken.

Los hiervan legt de door verweerster overgelegde concrete e-mail van ACTA Dental Education meer gewicht in de schaal dan de in algemene bewoordingen gestelde verklaring die is ondertekend door de assistente van klager. Het verwijt dat verweerster niet is ingegaan op suggesties van klager om zich bij te scholen en op dat vlak niets heeft ondernomen, is dus ook feitelijk niet aannemelijk geworden. En tot slot geldt dat verweerster ter zitting een certificaat heeft getoond van een scholing die zij heeft gevolgd.

 

5.5

Een trauma als hier aan de orde komt weliswaar niet heel vaak voor, maar een tandarts hoort te weten hoe in een dergelijk geval te handelen. Het geeft te denken dat verweerster werkzaam was als tandarts zonder voldoende kennis op dit gebied. Zij heeft echter haar excuses aangeboden aan patiënt, haar fout ter zitting erkend en zich bijgeschoold. Derhalve wordt volstaan met een waarschuwing.

 

 

6.   DE BESLISSING

 

Het college waarschuwt verweerster.

 

 

Aldus gegeven door A.L. Smit, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist, J. Dam, R. Rowel en

M.E. Geertman, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van H. van der Poel-Berkovits, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2019 door A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

                                                                                                  

 

 

 

                                                                                                                voorzitter

 

 

 

 

                                                                                                                 secretaris

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijnontvangen. Degene die beroep instelt, is € 50,- griffierecht verschuldigd aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht van het Centraal Tuchtcollege. Als degene die in beroep is gegaan geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht terugbetaald.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens