ECLI:NL:TGZRZWO:2019:38 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 324/2018

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2019:38
Datum uitspraak: 25-02-2019
Datum publicatie: 25-02-2019
Zaaknummer(s): 324/2018
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klacht tegen collega bedrijfsarts-verzekeringsarts die andere mening heeft.  Niet-ontvankelijk

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 25 februari 2019 naar aanleiding van de op 16 juli 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven ingekomen en door dit college naar het regionaal tuchtcollege te Zwolle doorgestuurde klacht van

A , wonende te B,

k l a g e r

-tegen-

C , arts, werkzaam te D,

bijgestaan door mr. A.B. Schippers-Juergens, verbonden aan het UWV te Amsterdam,

v e r w e e r d e r

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met de bijlage;

- de brief van de secretaris met het verzoek om aanvulling van de klacht;

- het aanvullende klaagschrift met de bijlage;

- de brief van klager met wederom een bijlage;

- het verweerschrift met de bijlagen.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klager, bedrijfsarts van beroep, heeft in opdracht van de werkgever bedrijfsgeneeskundige zorg verleend aan een werkneemster. De werkneemster was wegens ziekte uitgevallen voor haar werk, eerst op psychische en later (ook) om somatische redenen. Zij werd tijdens de wachttijd begeleid door klager. In dat kader heeft hij onder meer de medische informatie bij het re-integratieverslag opgesteld.

In het kader van de WIA-beoordeling heeft verweerder, in opleiding tot verzekeringsarts, op 1 mei 2018 een beoordeling van het reïntegratieverslag opgesteld. Het rapport bevat onder meer als vraagstelling:

“Heeft de bedrijfsarts terecht gesteld dat er geen benutbare mogelijkheden zijn? Zijn er re-integratiekansen gemist?

Heeft de bedrijfsarts de functionele mogelijkheden adequaat ingeschat?

Heeft de bedrijfsarts de prognose van de functionele mogelijkheden adequaat ingeschat?

Heeft de bedrijfsarts de cliënt adequaat begeleid?”

In het rapport is, na telefonisch overleg met klager, onder meer vermeld:

“Met collega [naam klager] het meningsverschil in het kader van Geen Benutbare Mogelijkheden besproken.

Deze kan kloppend geweest zijn ten tijde van het gestarte revalidatietraject welke niet afgemaakt is maar er heeft daarna geen belastbaarheid oriënterend of bedrijfsgeneeskundige evaluatie meer plaatsgevonden.

Bedrijfsarts [naam klager] is van mening dat er geen mogelijkheden waren tot re-integratie in zowel Spoor 1 als Spoor 2 vanwege Geen Benutbare Mogelijkheden. (…)

De bedrijfsarts heeft de cliënt mijns inziens dan ook niet adequaat begeleid en de functionele mogelijkheden en de prognose hiervan niet adequaat ingeschat.

Beoordeling van behandeling en begeleiding

Niet adequaat.”

3.    HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- dat hij een medisch beoordeling heeft gedaan die niet is conform hetgeen wat van een arts mag worden verwacht. Op geen enkele wijze blijkt uit de rapportage wat zijn overwegingen waren om af te wijken van de beoordeling van de revalidatiearts en van hem als bedrijfsarts van de werkneemster. Desgevraagd voert klager aan dat zijn concrete eigen belang erin is gelegen dat hij door verweerder wordt afgeschilderd als een collega die zijn werk niet goed heeft gedaan. De werkgever heeft nu financiële schade door het rapport van verweerder. Deze kan de werkgever op klager gaan verhalen, los nog van de indruk die de werkgever zal hebben dat klager niet competent is, met alle gevolgen voor zijn verdere werkzaamheden bij deze werkgever.

4.    HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert inhoudelijk verweer.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1          

Het college dient ambtshalve de vraag te beantwoorden of klager in zijn klacht kan worden ontvangen.

Daartoe is onder meer nodig dat klager als klachtgerechtigd is te beschouwen. Als zodanig noemt artikel 65, eerste lid van de Wet BIG onder a) de rechtstreeks belanghebbende (de patiënt en/of zijn naaste betrekkingen), onder b) de opdrachtgever van de aangeklaagde (waaronder ook de zorgverzekeraar), onder c) de werkgever en onder d) de Inspectie.

Een collega staat daar niet bij. Aan de wetgeschiedenis en de jurisprudentie is echter te ontlenen dat een klacht tegen een collega niettemin ontvankelijk is als die collega zich oncollegiaal heeft gedragen, bijvoorbeeld door zich in het openbaar laatdunkend uit te laten over de klager waardoor het vertrouwen dat patiënten in hem hebben kan zijn geschaad.

In deze zaak is echter onvoldoende gesteld en ook niet gebleken om te kunnen oordelen dat er sprake is van een dergelijke uitzonderingssituatie die leidt tot ontvankelijkheid. Er is sprake van een professioneel verschil van mening, niet meer en niet minder. Het college kan zich voorstellen dat klager zich persoonlijk geraakt voelt door het gebruik van de bewoording “niet adequaat” maar het college wijst erop dat de vraagstelling die in de rapportage dient te worden beantwoord herhaalde malen deze bewoordingen bezigt. Het gebruik daarvan was dus voor verweerder welhaast niet te vermijden en in elk geval niet op te vatten als onnodig laatdunkend of beschadigend. De mogelijkheid dat klager hierdoor financieel in zijn belangen wordt geschaad maakt daarom nog niet dat hij als klachtgerechtigd in de zin van de Wet BIG is aan te merken.

Dit leidt tot de volgende beslissing

6.    DE BESLISSING

Het college verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Aldus gedaan in raadkamer door A.L. Smit, voorzitter, en C.A.W.M. Hertog en

C.W.M. Hosmus, leden-artsen, in tegenwoordigheid van H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.