ECLI:NL:TGZRZWO:2019:35 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 137/2018
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2019:35 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-02-2019 |
| Datum publicatie: | 22-02-2019 |
| Zaaknummer(s): | 137/2018 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht over huisarts, die ook buurman van klaagster is. Huisarts zou onzorgvuldig tijdens een visite hebben gehandeld door klaagster niet goed te onderzoeken en medicatie voor te schrijven, waaraan klaagster verslaafd is geraakt. Toezegging om ’s avond nogmaals langs te komen, zou huisarts niet hebben nageleefd en hij zou klaagster stelselmatig hebben lastig gevallen. Klacht ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 22 februari 2019 naar aanleiding van de op 16 mei 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
bijgestaan door C, echtgenoot van klaagster,
k l a a g s t e r
-tegen-
D , huisarts, werkzaam te B,
bijgestaan door mr. E. van der Linde, verbonden aan de VvAA te Utrecht,
v e r w e e r d e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- medische informatie, binnengekomen op 2 juli 2018;
- het verweerschrift met de bijlagen binnengekomen op 31 juli 2018;
- het medisch dossier, binnengekomen op 5 september 2018;
- het proces-verbaal van het op 15 oktober 2018 gehouden gehoor in het kader van het
vooronderzoek;
- de reactie van verweerder op het bij het vooronderzoek ingediende stuk, binnengekomen op 31 oktober 2018;
- de namens verweerder ingediende brief van E, binnengekomen op 5 november 2018.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 25 januari 2018, alwaar zijn verschenen C, echtgenoot van klaagster en verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde. Klaagster is niet verschenen.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster, geboren in 1944, was patiënt in de praktijk alwaar verweerder en zijn echtgenote beiden huisarts zijn. Klaagster en verweerder zijn directe buren.
Op 13 april 2015 is naar de praktijk van verweerder gebeld in verband met benauwdheid bij klaagster. Gevraagd is om een visite. De echtgenote van verweerder is de vaste huisarts van klaagster. Omdat deze niet in de praktijk aanwezig was, heeft verweerder die middag de visite afgelegd.
Verweerder heeft daarover in het huisartsenjournaal opgenomen:
“S Hyperventilatie en later huilbuien
E Hyperventilatie
R OXAZEPAM TABLET 10MG”
Na afloop van de visite heeft de echtgenoot van klaagster verzocht of verweerder medicatie kon voorschrijven zodat klaagster tot rust zou komen. Verweerder heeft
15 stuks oxazepam 10 mg voorgeschreven, waarna de echtgenoot diezelfde middag de medicatie
bij de apotheek heeft opgehaald. De apotheek heeft in plaats van 15 stuks een strip
met 20 tabletten verstrekt.
Verweerder deed tijdens de visite de toezegging in de avond nog een keer langs te komen. Verweerder is dat die avond vergeten te doen en heeft ook later in de week geen contact meer gezocht.
Op 29 april 2015 ontving verweerder een e-mail in verband met overschrijving van klaagster
en haar echtgenoot naar een andere huisarts. Als reden voor de uitschrijving heeft
klaagster genoemd dat de antroposofische gedachtegang van de praktijk hen niet aanstond.
Uit het huisartsenjournaal blijkt dat de nieuwe huisarts klaagster op 7 mei 2015 en op
28 mei 2015 nogmaals oxazepam tablet 10 mg heeft voorgeschreven.
Op 28 april 2016 belde klaagster de echtgenote van verweerder. Klaagster vertelde dat zij en haar echtgenoot uit onvrede over de visite van 13 april 2015 de praktijk hadden verlaten.
Verweerder heeft op 24 mei 2016 de echtgenoot van klaagster in de tuin aangesproken en verzocht over de situatie te spreken. Het gesprek werd door verweerder beëindigd nadat hij zich gekrenkt en bedreigd voelde door de echtgenoot van klaagster.
Enkele dagen later heeft verweerder nogmaals in de tuin de echtgenoot van klaagster
aangesproken en aangegeven dat hij niet verantwoordelijk was voor de herhaalrecepten.
Op 7 juni 2016 heeft verweerder middels een brief een poging gedaan om in contact
te komen met klaagster. Deze brief had navolgende inhoud:
“(…) Geachte Heer en Mevrouw [achternaam klaagster,RTC]
Vanwege het uitblijven van enige reactie van uw kant reageer ik en hoop ik dat u zo vriendelijk wilt zijn deze brief op uw wijze te beantwoorden.
In het laatste gesprek, bij uw voordeur wat we hebben gehad gaf u aan, men. [achternaam Klaagster, RTC] dat u ontevreden was over de door mij afgelegde visite en ontevreden was dat ik die avond niet opnieuw contact met u had opgenomen omdat ik dat met u had afgesproken.
Beiden van u waren ontevreden over de keus van de door mij gegeven medicatie, Oxazepam 10mg en de hoeveelheid door mij voorgeschreven.
Later, tijdens ons gesprek, blijkt dat de dertig voorgeschreven pillen niet door mij maar door uw nieuwe huisarts zijn uitgeschreven. Dat betekent dat ik 15 stuks heb voorgeschreven waarvan 20 afgeleverd door de apotheek in het eerste recept. U, mev. [achternaam Klaagster, RTC] was zichtbaar ontdaan over deze nieuwe ontwikkeling en hield dat u man voor die daar niet op reageerde.
U, beiden, waren ontevreden over de visite. Omdat we ook buren zijn zou het prettig zijn geweest dat u ons dat mondeling hadden medegedeeld en uiting hadden gegeven van uw onvrede.
Maar het is uw goed recht op te stappen en een andere huisarts te zoeken.
De laatste keer dat ik u, meneer [achternaam klaagster, RTC] heb gesproken in de voortuin heeft u me met opzet tot op het bot beledigd en niet geschuwd daar allerlei argumenten bij te halen waaronder uw kennis van patiënten die mij als huisarts mijden en alleen komen naar onze praktijk vanwege mijn vrouw.
Het leek, tijdens dat gesprek bij de voordeur dat u al kennis had van het feit dat het recept van dertig stuks niet door mij was voorgeschreven. Als dat zo zou zijn wordt het geheel wel erg wonderlijk.
Resumerend mag gezegd worden dat mijn aandeel in al het vreselijke wat u afgelopen jaar is overkomen, bestaan heeft uit één onprettig ervaren visite, één niet nagekomen afspraak en 15 oxazepam (waarvan 20 afgeleverd door apotheek).
U kunt misschien begrijpen dat ik daarom een reactie verlang.
met vriendelijk groet, (…)
Op 12 december 2018 heeft een buurman van partijen een bemiddelingsgesprek geleid tussen de echtgenoot van klaagster en verweerder. Klaagster is voortijdig vertrokken bij het gesprek.
E heeft omtrent het gesprek opgetekend op 28 oktober 2018, op verzoek van verweerder ten tijde van de onderhavige tuchtklachtprocedure:
“Hallo [roepnaam verweerder, RTC],
Je vroeg me even op papier te zetten hoe destijds het mediation gesprek verliep tussen jou en [roepnaam echtgenoot klaagster, RTC].
Als ik me goed herinner, het is al een poosje geleden, ging het als volgt:
Ik had in de hele [straatnaam en huisnummers, RTC] uitnodigingen voor een buurtborrel door de bus gedaan.
[roepnaam echtgenoot klaagster, RTC] kwam toen naar me toe en wilde wel komen, maar alleen om een brief voor te lezen over een ruzie met jou ([roepnaam verweerder, RTC]) n.a.v. iets medisch (een medicijn voorschrift voor [roepnaam klaagster, RTC] wat niet goed uitpakte).
Dat leek me geen goed idee. Het zat me niet lekker dat er zoiets speelde zo dichtbij.
Ik heb [roepnaam klaagster, RTC] en [roepnaam echtgenoot klaagster, RTC] uitgenodigd het gesprek aan te gaan met jou ([roepnaam echtgenote verweerder, RTC] was geen betrokkene) waarbij mijn vrouw [roepnaam echtgenote buurman, RTC] en ik als “mediators” zouden optreden.
Ieder heeft de uitnodiging geaccepteerd en het gesprek vond plaats (datum weet ik niet meer)
Voor [roepnaam klaagster, RTC] (zij wilde graag vrede) werd de spanning direct al teveel en ze wilde naar huis. [roepnaam echtgenote buurman, RTC] is met haar meegegaan om haar tot rust te brengen, wat volgens mij gelukt is.
Ondertussen ging het gesprek tussen [roepnaam echtgenoot klaagster, RTC] en jou (en mij) door. Tijdens het gespreek kreeg [roepnaam echtgenoot klaagster, RTC] een aantal keren een opvlieger (sprong op met gebalde vuisten) en wilde weglopen. Ik mande hem te blijven, ook met het argument dat het [roepnaam klaagster, RTC]’s wens was eruit te komen samen.
Jij hebt expliciet geen excuses gemaakt voor de afgelegde visite met de gegeven medicatie.
Jij hebt wel je excuses aangeboden dat je niet eerder (c.q. direct) bent teruggekomen naar hen, wat je wel had toegezegd.
[roepnaam echtgenoot klaagster, RTC] heeft die excuses aanvaard.
Jullie hebben elkaar een hand gegeven.
Daarmee was de ruzie beslecht.”
De echtgenoot van klaagster heeft verweerder daarna een afschrift van een brief gestuurd die klaar zou liggen voor het tuchtcollege met een begeleidend schrijven. In dat schrijven geeft de echtgenoot van klaagster aan dat er ook een civiele procedure zal worden gestart omdat verweerder meer dan drie jaar met zijn handelen het leven van klaagster heeft kapotgemaakt, dat klaagster psychisch letsel heeft opgelopen en een immateriële schadevergoeding zal worden gevraagd voor leed en gederfde levensvreugde. Verweerder kan één en ander voorkomen door een minnelijke schikking van € 30.000,--. Aangezien verbale communicatie volgens de briefschrijver, echtgenoot van klaagster, juist tot problemen had geleid werd deze vorm als niet gewenst beschouwd. Verweerder kon zijn schriftelijke reactie tot de echtgenoot van klaagster richten.
De echtgenoot van klaagster heeft op 28 februari 2018 een schrijven gericht tot verweerder en zijn gemachtigde met een hernieuwd schikkingsvoorstel, te weten betaling door verweerder van € 40.000,-. De gemachtigde van verweerder heeft per e-mail van
2 maart 2018 laten weten geen reden te zien het schikkingsvoorstel te accepteren. De echtgenoot van klaagster heeft op 15 mei 2018 een klacht bij het college ingediend.
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt verweerder samengevat en na aanpassing van de klacht:
1. dat verweerder op 13 april 2015 een viste heeft afgelegd waarbij hij klaagster niet goed heeft onderzocht en de hyperventilatie niet goed heeft behandeld;
2. na afloop van die visite medicatie heeft voorgeschreven zonder advies over het gebruik of eigenschappen van de medicatie. Klaagster is daardoor afhankelijk geworden van die medicatie;
3. dat hij de toezegging om op 13 april 2015 in de avond nog langs te komen niet is nagekomen;
4. dat hij klaagster stelselmatig heeft lastiggevallen, door steeds op hinderlijke wijze contact op te nemen, en later door op hinderlijke wijze langs te lopen of zo te gaan staan dat klaagster dat als bedreigend heeft ervaren en verweerder dreigde met juridische stappen.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER
Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij op 13 april 2015 heeft vastgesteld dat bij klaagster sprake was van primaire hyperventilatie waarbij angstklachten voorop stonden. Hij heeft klaagster ademhalingsoefeningen laten doen, waarna zij haar ademhaling weer onder controle kreeg. Tijdens de visite heeft verweerder met de informatie en middelen die hij op dat moment ter beschikking had, klaagster de best mogelijke huisartsenzorg verleend. Verweerder is diezelfde avond niet meer langsgekomen, wat hij betreurt. De toezegging is aan zijn aandacht ontsnapt en daarvoor heeft verweerder zijn excuses aangeboden. Verweerder heeft eenmaal in een lage dosering en geringe hoeveelheid oxazepam voorgeschreven. Dat gaf geen grote kans op afhankelijkheid of verslaving. Verweerder heeft nooit een herhaalrecept afgegeven. Klaagster heeft zich twee weken na het voorschrijven van de medicatie uitgeschreven bij de praktijk. Verweerder stelt dat hij klaagster niet stelselmatig heeft lastiggevallen. Verweerder heeft in een periode van bijna één maand drie keer klaagster en haar man benaderd om de kwestie uit te kunnen praten. Verweerder heeft daarbij voorzichtigheid betracht en klaagster met de meest goede bedoelingen aangesproken. Van een dreiging met juridische stappen is nooit sprake geweest.
Verweerder concludeert tot afwijzing van de klacht.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
De eerste drie klachtonderdelen zien op de visite die verweerder op 13 april 2015 heeft afgelegd. Verweerder heeft daarover ter zitting verklaard dat hij, anders dan de echtgenoot van klaagster betoogt, tijdens de visite alle tijd voor klaagster heeft genomen. Hij had geen haast. Er was naar de praktijk gebeld met een verzoek om een visite vanwege angstklachten. Dat is ter zitting door de echtgenoot van klaagster bevestigd. Verweerder constateerde vrijwel direct na binnenkomst dat sprake was van hyperventilatie waarbij de angstklachten voorop stonden. Met oefeningen die verweerder met haar deed, kreeg klaagster haar ademhaling onder controle. Zij kreeg de regie over haar lijf terug en kwam tot rust. Er was geen sprake van COPD of astma. Verweerder kan zich niet meer herinneren of hij naast de observatie van klaagster ander onderzoek heeft gedaan. Hij concludeerde dat sprake was van primaire hyperventilatie. De klachten waren na zijn interventie verdwenen, aldus verweerder.
5.3
Het college kan verweerder volgen in zijn observatie, diagnostiek en conclusie. De echtgenoot van klaagster heeft aangevoerd dat er rekening had moeten worden gehouden met een CVA of TIA, maar volgens verweerder waren daarvoor geen aanwijzingen, zodat nader onderzoek niet geïndiceerd was. Dat sprake was van een gevaarlijke situatie (acute patiënt) wordt door verweerder bestreden en is het college niet gebleken. Daarmee acht het college het handelen van verweerder niet onzorgvuldig. Op verzoek van de echtgenoot van klaagster is medicatie verstrekt zodat klaagster rustig zou blijven. Gelet op de geconstateerde klachten acht het college het voorschrijven van een geringe hoeveelheid oxazepam in lage dosering, 10 mg, zorgvuldig en in lijn met na te melden standaard. Het ging daarbij om 15 stuks die klaagster zo nodig 3 keer per dag zou innemen, ergo medicatie voor 5 dagen. Dat de apotheek 20 stuks heeft afgegeven en de opvolgend huisarts de medicatie heeft gecontinueerd, kan aan verweerder niet worden tegengeworpen. Dat was overigens pas 25 dagen na het eerste voorschrift door verweerder. Zo klaagster al afhankelijk van oxazepam is geworden, kan dat niet worden toegeschreven aan de door verweerder voorgeschreven hoeveelheid. Dat verweerder de echtgenoot niet uitgebreid heeft voorgelicht over de medicatie, acht het college niet verwijtbaar. Verweerder heeft bij het voorschrijven van het recept spoed betracht zodat de echtgenoot de medicatie nog voor het sluiten van de apotheek kon ophalen. De echtgenoot van klaagster heeft ter zitting verklaard dat hij van de apotheek een uitleg over de medicatie heeft ontvangen. Als de echtgenoot of klaagster nog vragen hadden, kon men verweerder daarover bevragen. Zij waren immers buren, hadden een goede relatie en de lijnen waren kort.
De conclusie is dat de eerste twee klachtonderdelen niet slagen. Verweerder heeft gehandeld conform de NHG-standaard Angst. Dat de visite te kort heeft geduurd zoals klaagster stelt, kan het college niet vaststellen nu de lezingen van partijen daarover uiteenlopen. Wel kan vastgesteld worden dat verweerder zijn toezegging om ’s avonds nog even langs te komen niet is nagekomen. Het niet nakomen van die toezegging zal vervelend door klaagster zijn ervaren. Verweerder heeft verklaard dat de toezegging hem ontschoten is en heeft zijn excuus aangeboden. Tuchtrechtelijk verwijtbaar acht het college dit handelen onder genoemde omstandigheden niet. Daarmee strandt ook het derde klachtonderdeel.
5.4
Het vierde klachtonderdeel betreft het verwijt dat erop neerkomt dat verweerder klaagster en haar echtgenoot stelselmatig heeft lastig gevallen en bedreigd heeft met juridische stappen. Het college constateert dat klaagster en haar echtgenoot zich kort na 13 april 2015 hebben uitgeschreven zonder daarbij hun onvrede over het consult te delen met verweerder. Als reden van uitschrijving werd genoemd de antroposofische aanpak van de praktijk. Pas in april 2016 heeft klaagster aan de echtgenote van verweerder meegedeeld dat zij zijn vertrokken uit onvrede over het consult. Het college acht het voorstelbaar dat verweerder daarover uitleg van klaagster en haar echtgenoot wenste, te meer nu zij 15 jaar patiënt waren geweest en buren waren, zoals verweerder ter zitting heeft aangevoerd. Die uitleg kreeg verweerder niet. Dat hij vervolgens een enigszins emotionele brief aan klaagster en haar echtgenoot heeft gestuurd, acht het college onder de omstandigheden te billijken nu verweerder – ondanks herhaald verzoek - uitleg werd onthouden en de bejegening door de echtgenoot van klaagster als krenkend en agressief werd ervaren. Dat verweerder met juridische stappen heeft gedreigd, wordt door hem betwist en kan het college niet vaststellen. Sterker nog, aan de hand van de overgelegde brieven kan vastgesteld worden dat de echtgenoot van klaagster onder herhaalde dreiging van een tuchtklacht heeft getracht verweerder tot betaling van een forse schadevergoeding te dwingen. Het college acht de klacht van klaagster over het gedrag van verweerder in ieder geval in het licht van al het vorenstaande misplaatst en zal klachtonderdeel 4 dan ook afwijzen.
5.5
De conclusie is dat de klacht op alle onderdelen wordt afgewezen. Aan verweerder kan in tuchtrechtelijke zin geen verwijt worden gemaakt van zijn handelen.
6. DE BESLISSING
Het college wijst de klacht af.
Aldus gegeven door A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, Ph.S. Kahn, lid-jurist, R.J. Wolters, M.H. Blanker en R.O. Rischen, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van
J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2019 door A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van H. van der Poel-Berkovits, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.