ECLI:NL:TGZRZWO:2019:32 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 213/2018

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2019:32
Datum uitspraak: 22-02-2019
Datum publicatie: 22-02-2019
Zaaknummer(s): 213/2018
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen verzekeringsarts bezwaar en beroep UWV. De klacht houdt in dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep klager niet heeft onderzocht en gehoord over zijn (toegenomen) klachten en beperkingen en een onjuist rapport heeft uitgebracht. Het college verklaart klager niet-ontvankelijk, voor zover de klacht is gericht tegen de rapportage van de arbeidsdeskundige, en verklaart de klachten voor het overige ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 22 februari 2019 naar aanleiding van de op 27 juli 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

k l a g e r

-tegen-

C , verzekeringsarts, (destijds) werkzaam te D,

bijgestaan door mr. drs. A.B. Schippers-Juergens werkzaam bij UWV, afdeling SMZ Tuchtzaken,

v e r w e e r d e r

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift;

- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;

- het verweerschrift met de bijlagen;

- een uitspraak van het regionaal tuchtcollege te Eindhoven.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 15 januari 2019. Klager is niet verschenen hoewel hij hiertoe behoorlijk was opgeroepen. Verweerder is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klager is in het kader van arbeidsongeschiktheid vanaf 2011 beoordeeld door verschillende verzekeringsartsen van het UWV. Op 16 januari 2017 oordeelde een verzekeringsarts dat er voor klager bij het functioneren in loonvormende arbeid sprake was van “beperkingen in het verrichten van zware fysieke werkzaamheden vooral bij het lang lopen, staan, buigen en tillen. De reeds vastgestelde beperkingen blijven nog altijd van toepassing. Conform de standaard “verminderde arbeidsduur” is een lichte urenbeperking om energetische redenen aan de orde”. Mede op basis van deze beoordeling werd aan klager op 8 februari 2017 een uitkering op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend met ingang van 1 januari 2016.

Omdat klager vond dat er sprake was van een toename in de beperkingen vroeg hij in mei 2017 om een herbeoordeling. Op 26 september 2017 werd hij gezien door een verzekeringsarts, hierna de primaire verzekeringsarts, die een rapportage opstelde. Deze arts overwoog dat klager een toename van klachten claimde zonder nieuwe medische gegevens aan te dragen. Hij constateerde dat er beperkingen waren maar in afwijking van de rapportage van zijn voorganger in het begin van het jaar zag de primaire verzekeringsarts geen redenen om een urenbeperking op te leggen omdat er met de energetisch beperkende aandoening van klager bij fysiek zware belasting in de overige rubrieken van de FML al voldoende rekening werd gehouden. Hij nam onder meer beperkingen aan ten aanzien van het dragen van zware beschermende kleding, trillingsbelasting van het lichaam en beperkingen bij verschillende dynamische en statische handelingen. De primaire verzekeringsarts noteerde op basis van anamnese en observatie dat er geen sprake was van een stoornis in de energiehuishouding, slechte slaaphygiène dan wel verminderde beschikbaarheid. Hij constateerde dat klager zich adequaat kon verzorgen en zag “een gevuld dagverhaal waarin voldoende initiatieven getoond worden en cliënt functioneert binnen de primaire steungroep adequaat.” Hij schreef dat het de verwachting was dat “de medische situatie en functionele mogelijkheden op lange termijn wezenlijk zal verbeteren”. Mede op basis van deze rapportage werd het arbeidsinvaliditeitspercentage van klager vervolgens door een arbeidsdeskundige op 7 oktober 2017 vastgesteld op minder dan 35% met als gevolg dat het UWV bij beslissing van 6 oktober 2017 de WIA uitkering heeft beëindigd per

7 december 2017.

Klager heeft tegen deze beslissing van het UWV bezwaar ingediend. In het kader van dit bezwaar is verweerder, als verzekeringsarts Bezwaar en Beroep, gevraagd om de belastbaarheid van klager te heroverwegen. Op 2 maart 2018 vond een hoorzitting plaats met deelname van verweerder en een medewerker bezwaar die een verslag heeft geschreven.

Verweerder rapporteerde op 24 april 2018 onder meer:

-Een samenvatting van klagers bezwaar: “De primaire verzekeringsarts is van mening dat u belastbaar bent volgens de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 26 september 2017 geldig vanaf 22 september 2017. U bent echter van mening dat uw klachten en beperkingen zijn onderschat. Er is geen medische informatie opgevraagd. De hartklachten en de klachten van de neuropathie zijn erger geworden. In de middag moet u een paar uur rusten omdat u helemaal kapot bent.(…) U acht zich verdergaand beperkt op met name genoemde belastbaarheidsaspecten.”

-Een weergave van hetgeen klager had aangevoerd tijdens de hoorzitting van 2 maart 2018: “De primaire verzekeringsarts heeft zijn oordeel gebaseerd op een oud rapport. U hebt wel 10x een electrocardioversie (ECV) gehad. Na de laatste keer was het nog steeds onregelmatig. U hebt andere medicatie gekregen en als er wederom klachten zijn moet u aan de bel trekken. U hebt neuropathie aan de voeten. Dat komt door een fout van de huisarts. Deze klachten worden alleen maar erger. Door de neuropathie kunt u slecht slapen Ook de hartklachten zijn erger geworden. U kunt niet precies aangeven waarin, u verwijst naar de in het dossier aanwezige gegevens. Het maakt volgens u niets uit. De hartkloppingen zakken vanzelf af. U bent drie maanden geleden nog naar de internist geweest. Hoe de waarden zijn kunt u niet zeggen, die weet u niet. U hebt zelf geen medische stukken. Afsluitend werd aan u de vervolgprocedure uitgelegd en toegelicht.”

Verweerder oordeelde in bezwaar dat de primaire verzekeringsarts niet onzorgvuldig geoordeeld had en dat deze terecht geen indicatie voor expertise had gezien omdat er voldoende duidelijkheid over de mogelijkheden tot functioneren was.

Hij noteerde:

  “Klachten en stoornissen: toegenomen klachten per 2 mei 2017

U hebt aangegeven dat per 2 mei 2017 uw klachten zijn verergerd (meer pijn van de voeten en hartklachten). Mede op uw uitdrukkelijk verzoek werd informatie bij de huisarts internist en cardioloog opgevraagd. Voor de beoordeling is van belang om uit de zogenaamde brondocumenten de medische toestand te vernemen per 1 mei 2017 en

7 december 2017. Deze informatie werd ontvangen. Uit de medische informatie blijkt het volgende t.a.v. de datum gemelde toename.

-Van het hartritme had u weinig last, wel werd op het hartfilmpje een recidief vastgesteld. De medicatie werd daarop omgezet van amiodarone in lanoxin om de hartslag te verlagen.

-Van de voeten – zo schrijft de internist- hebt u geen pijn, alleen maar tintelingen in de nacht. Wel is de suiker wat opgelopen waarop de insuline werd opgehoogd.

Voorafgaande aan de melding is de FML van 16 januari 2017 van toepassing. Ik kom op basis van de ontvangen medische informatie tot de conclusie dat er geen toegenomen beperkingen te stellen zijn in deze FML.

Klachten en stoornissen : medische situatie per 7 december 2017

Datum in geding is 7 december 2017. Op deze datum zijn de volgende medische stoornissen aan de orde: AF (uit controle cardioloog ontslagen), DM type 2 (verder stijgend HBA1c), verdenking hyperthyreoÏdie (in oktober nog normale waarden, in 2018 geen strumazolgebruik, de huisarts benoemt deze aandoening zelf niet) en depressie (waarvoor meer velafaxine). Per datum in geding is de suiker dus verder ontregeld en is er sprake van toegenomen psychische klachten. Hierna wordt beoordeeld wat dit voor gevolg heeft voor de FML.”

Vervolgens schreef verweerder dat klager niet voldeed aan de criteria omtrent “geen duurzaam benutbare mogelijkheden” op grond waarvan hij oordeelde dat door de primaire verzekeringsarts terecht benutbare mogelijkheden werden aangenomen.

Verweerder zag echter in de voorliggende stukken een medische basis voor meer beperkingen dan die welke de primaire verzekeringsarts had aangegeven. “Met name vanwege de psychische klachten acht ik beperkingen aanwezig t.a.v. veelvuldige storingen en onderbrekingen, veelvuldige deadlines/productiepieken en omgaan met conflicten. Vanuit de diabetes mellitus aanvullende beperkingen t.a.v. solitair werken, extreme hitte, extreme koude en frequente grote temperatuurswisselingen, lopen op oneffen terrein. De zwaarte van het werk moet voorspelbaar en gelijkmatig zijn. Ik zie geen aanleiding de urenbeperking aan te passen, omdat de primaire verzekeringsarts inzichtelijk heeft gemotiveerd hoe hij tot de vastgestelde uren komt. De energetische aspecten zijn verwerkt in het dynamisch en statisch handelen.”

Naar aanleiding van de rapportage van verweerder en diens FML van 24 april 2018

werd bij de arbeidsdeskundige heroverweging in bezwaar van 30 april 2018

niet geconcludeerd tot een indeling anders dan in de arbeidsongeschiktheidsklasse minder dan 35%. In bezwaar heeft de arbeidsdeskundige voorts de geschiktheid voor de geduide functies nader toegelicht hetgeen niet was gebeurd bij de arbeidskundige rapportage in 2017. De arbeidsdeskundige oordeelde dat er nergens sprake was van (onoplosbare) knelpunten bij de geduide functies.

Intussen had klager een tuchtklacht ingediend tegen de primaire verzekeringsarts. Het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven berispte de arts bij uitspraak van 11 april 2018 

-kort gezegd- omdat de arts niet op zijn eigen oordeel had mogen afgaan nu hij niet volstond met een afwijzende beoordeling van een toename van de klachten (hij kan op eigen oordeel varen als het gaat om vaststellen van beperkingen) maar in afwijking van de recente beoordeling uit 2017 kwam tot een vermindering van de toen aangenomen beperkingen zonder de door klager aangegeven toename van klachten te toetsen aan actuele gegevens vanuit de behandelende sector. Bovendien werd -aldus de tuchtrechter- ook de in het rapport opgenomen prognose over mogelijke behandeling ten onrechte niet getoetst aan de ervaringen en wetenschap van de behandelende sector.

3.    HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager verwijt verweerder -zakelijk weergegeven-:

-dat verweerder hem niet heeft onderzocht en niet heeft gehoord over zijn (toegenomen) klachten en beperkingen; klager heeft alleen maar formulieren moeten tekenen voor het opvragen van medische gegevens;

-dat het rapport op onzin en aannames is gebaseerd;

-dat hij daardoor geen eerlijke uitslag heeft gekregen; klager verdenkt verweerder ervan uit rancune te hebben gehandeld omdat klager eerder een arts voor het tuchtcollege had gedaagd.

4.    HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt treft omdat hij heeft gehandeld conform de normen in de beroepsgroep. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de klacht in bezwaar met klager is doorgenomen. Het bezwaar kan op de stukken worden behandeld en een nader lichamelijk onderzoek had geen toegevoegde waarde zeker nu informatie van de behandelend artsen werd opgevraagd. Verweerder heeft geen onzin en aannames in het rapport gezet, laat staan dat er sprake is van rancune jegens klager. Verweerder heeft met aandacht voor de standpunten van klager besproken wat klager medisch gezien kan zonder dat gezondheidsschade optreedt bij de uitvoering van werkzaamheden. Mede op basis van de verkregen medische informatie zijn de beperkingen van de primaire rapportage bijgesteld. Voor de uiteindelijke uitslag is de arbeidsdeskundige tezamen met verweerder verantwoordelijk, verweerder slechts voor het verzekeringsgeneeskundige deel. Voor zover klager zich richt tegen het rapport van de arbeidsdeskundige Beroep en Bezwaar verzoekt verweerder dan ook om de klacht op dat punt niet-ontvankelijk te verklaren.  

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1          

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Bij de beoordeling van de vraag of het advies van een arts voldoet aan de daaraan te stellen eisen dienen de volgende criteria in aanmerking te worden genomen:

1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het college toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de arts in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

5.3

Met betrekking tot het verwijt dat verweerder klager niet heeft onderzocht en niet heeft gehoord over zijn (toegenomen) klachten en beperkingen overweegt het college het volgende. Het is verdedigbaar dat verweerder klager niet zelf nader heeft onderzocht. Verweerder moest het oordeel van de primaire verzekeringsarts heroverwegen en hij mocht daarbij op diens onderzoek afgaan en hoefde geen volledige anamnese af te nemen en lichamelijk onderzoek te doen, nu de inhoud van het bezwaar daartoe geen aanleiding gaf. Ook blijkt uit het verslag van de hoorzitting en uit hetgeen verweerder omtrent de toename van de klachten van mei tot december 2017 heeft genoteerd dat verweerder zich heeft ingespannen om klagers standpunten te horen. Klager heeft wellicht het gevoel gekregen dat hij zijn verhaal niet kon doen toen hij wilde spreken over het optreden van de primaire verzekeringsarts en de klacht die hij daarover had ingediend, maar hem is terecht voorgehouden dat de hoorzitting daar niet voor bedoeld was en dat hij zijn bezwaar en de gestelde toename van zijn klachten nader kon toelichten. Klager heeft ook niet bestreden dat zijn bezwaren en standpunt over de toegenomen beperkingen adequaat zijn weergegeven in het rapport. Dit bevestigt dat klager voldoende gelegenheid heeft gehad om zich daarover uit te spreken. Uit het verslag blijkt vervolgens dat verweerder getracht heeft tot een passende oplossing te komen door voor te stellen om, met machtiging van klager, alle voor hem van belang zijnde beschikbare medische informatie op te vragen. Van onzorgvuldigheid op deze punten is niet gebleken en de klacht hierover is dan ook ongegrond.  

5.4

Ook de tweede klacht dat het rapport zou zijn gebaseerd op onzin en aannames, is ongegrond. Voor zover klager zich bij zijn klacht richt tegen overwegingen in het rapport van de arbeidsdeskundige merkt het college op dat verweerder verantwoordelijk is voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling en het vaststellen van de beperkingen (in de FML), maar niet voor de daarop voortbouwende arbeidsdeskundige beoordeling. Voor zover de klacht betrekking heeft op de rapportage van de arbeidsdeskundige, is klager daarin dan ook niet-ontvankelijk. Voor zover klager zich richt tegen het rapport van verweerder van 24 april 2018 overweegt het college dat hierin een voldoende weergave is opgenomen van de relevante feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust. Zoals hiervoor al is opgemerkt, bevat het onder meer een correcte weergave van klagers bezwaren en zijn standpunt over de toegenomen beperkingen. De relevante klachten zijn genoemd en gewogen, mede in het licht van de opgevraagde medische informatie. Het college is van oordeel dat het rapport als zodanig uit een oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de toets der kritiek kan doorstaan.

5.5

Het is voorts duidelijk op welke gronden het rapport van verweerder steunt. Met betrekking tot de -volgens klager toegenomen klachten van- neuropathie heeft verweerder het standpunt van de huisarts en dat van de internist genoteerd. Dat hij het standpunt van de internist zwaarder heeft laten wegen -zoals ter zitting is gebleken- is niet met zoveel woorden in het rapport terug te vinden maar de standpunten zijn adequaat weergegeven en meegewogen in zijn conclusie. Verweerder is daarbij niet ingegaan tegen het oordeel van de specialist en is derhalve ook gebleven binnen de grenzen van zijn deskundigheid. Hetzelfde geldt voor de informatie van de cardioloog op grond waarvan verweerder tot het oordeel kon komen dat er wel sprake was van een voortdurend probleem (een permanente hartritmestoornis) maar dat dit onder controle was en dat niet was gebleken van verergering van klachten. Ten slotte heeft verweerder op inzichtelijke wijze gemotiveerd op grond waarvan hij meende dat de primaire verzekeringsarts tot diens oordeel kon komen en op welke punten hij al dan niet reden had om van dat oordeel van af te wijken. Met name heeft verweerder -ook ter zitting- afdoende toegelicht op grond waarvan hij het juist vond dat de primaire verzekeringsarts - in afwijking van de arts die eerder in 2017 had gerapporteerd - niet tot een urenbeperking was gekomen en zich bij diens oordeel daarover heeft aangesloten. Blijkens het dagverhaal was klager overdag nog actief en functioneerde hij adequaat. Er was weliswaar een energetische beperking, maar deze was al in de duurbelasting in de arbeid verwerkt. Verweerder heeft in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat er geen aanleiding was om daarnaast een urenbeperking op te nemen, gelet op de strenge criteria die voor het aannemen van een dergelijke beperking gelden. Verweerder heeft tenslotte opnieuw een FML opgesteld waarbij hij de beperkingen in verband met de bekende klachten van klager heeft gehandhaafd en heeft gemotiveerd op grond waarvan -de geconstateerde slechter gereguleerde suikerziekte en toegenomen psychische klachten- hij meer beperkingen heeft aangenomen dan de primaire verzekeringsarts. De conclusies waartoe verweerder in dit verband is gekomen, zijn navolgbaar.

5.6

Voor de klacht dat klager geen eerlijke beoordeling heeft gehad en dat verweerder zich heeft laten leiden door gevoelens van rancune omdat klager een tuchtklacht tegen de primaire verzekeringsarts had ingediend, ziet het college geen grond. Het dossier bevat geen aanwijzingen voor de veronderstelling van klager dat een dergelijk motief enige rol heeft gespeeld bij de beoordeling door verweerder.  

5.7

Gelet op het bovenstaande wordt de klacht voor zover deze zich richt tegen de rapportage van de arbeidskundige niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige worden de klachten als ongegrond afgewezen. 

6.    DE BESLISSING

Het college:

- verklaart de klacht niet ontvankelijk voor zover klager zich richt tegen de arbeidsdeskundigenrapportage;

- wijst de klachten voor het overige af.

Aldus gegeven door H.L. Wattel, voorzitter, A.M. Koene, lid-jurist, C.A.W.M. Hertog en C.W.M. Hosmus en M.H. Braakman, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van B.E.H. Zijlstra-Bauer, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2019 door A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.