Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZREIN:2019:83 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1922

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2019:83
Datum uitspraak: 16-12-2019
Datum publicatie: 16-12-2019
Zaaknummer(s): 1922
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Psychiater wordt onzorgvuldig handelen verweten. Tijdens onderzoek voor CBR naar alcoholgebruik heeft hij tevens urineonderzoek naar drugsgebruik laten verrichten. Dat zou zonder medeweten van klager zijn geschied. Klacht ongegrond, omdat tijdens het onderzoek het drugsgebruik ter sprake is geweest en op het aanvraagformulier het doel van het urineonderzoek stond vermeld. Reikwijdte van het onderzoek wordt mede bepaald door wat de keuringsarts tijdens het onderzoek constateert.

Uitspraak: 16 december 2019

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 30 januari 2019 ingekomen klacht van:

[A]

wonende te [B]

klager

gemachtigde: mr. R.C.C.M. Nadaud te Vaals

tegen:

[C]

psychiater

werkzaam te [D]

verweerder

gemachtigde: mr. S. Dik te Amsterdam

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-          het klaagschrift

-          het verweerschrift

-          aanvullende informatie ontvangen op 6 mei 2019 van de gemachtigde van verweerder

-          brief van de gemachtigde van klager van 30 september 2019.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek.

De klacht is ter openbare zitting van 13 november 2019 behandeld. Verweerder was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Klager en zijn gemachtigde waren met bericht afwezig.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Op 15 januari 2018 is klager aangehouden terwijl hij onder invloed van meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol een auto bestuurde. Het CBR heeft klager bij brief van 12 februari 2018 bericht dat hij een onderzoek moest laten doen naar zijn alcoholgebruik. In de brief staat over het onderzoek zelf:

Het onderzoek bestaat uit een bloedonderzoek, soms een urineonderzoek, een lichamelijk onderzoek en een psychiatrisch onderzoek. Tijdens het onderzoek kan ook andere informatie naar voren komen die invloed heeft op de uitslag. U wordt onderzocht door een onafhankelijke arts. Deze arts stuurt de uitkomsten naar het CBR. Het CBR bepaalt de uitslag.”

Bij brief van 3 mei 2018 heeft het CBR klager medegedeeld dat voor het onderzoek een afspraak was gemaakt voor 23 mei 2018 bij de onderneming waar verweerder werkzaam is. Bij brief van 4 mei 2018 heeft deze onderneming klager uitgenodigd voor het onderzoek en hem medegedeeld dat hij op voorhand zijn bloed diende te laten onderzoeken. Als bijlagen bij de brief waren onder andere bijgesloten “Cliëntinformatie VO alcohol eo drugs en medisch” en een “Aanvraagformulier Bloedonderzoek Rijbewijskeuring (VO)”.

In de cliëntinformatie is onder meer vermeld:

Tijdens het onderzoek zal in eerste instantie worden ingegaan op de aanleiding van het onderzoek. Er wordt daarbij gevraagd naar psychische of lichamelijke klachten, eerdere behandelingen, medicijngebruik en gebruik van genotsmiddelen. […] Afhankelijk van de context van het onderzoek zult u gevraagd worden uw bloed en/of urine te laten testen, bijvoorbeeld op de aanwezigheid van alcohol en drugs.

Verweerder heeft klager op 23 mei 2018 voor het onderzoek gezien. Tijdens het gesprek heeft klager aangegeven dat hij wel eens cannabis gebruikte.

Verweerder heeft hierop besloten tot het doen van aanvullend onderzoek. Op 1 juni 2018 is klager verzocht een urineonderzoek te laten doen en is hem daartoe het aanvraagformulier toegezonden. In het aanvraagformulier staat onder meer vermeld:

Het CBR verzoekt om een urineonderzoek om drugsmisbruik uit te sluiten.

en

Gaarne urine onderzoeken op aanwezigheid van:

(Opiumwet, identificatie middel vallende onder de Opiumwet […]

·         Cannabis

·         Amfetamines

·         XTC

·         Cocaïne

·         Methadon

·         Opiaten

·         Benzodiazepines

·         Kreatinine in urine

Op 6 juli 2018 heeft verweerder zijn rapportage aan het CBR uitgebracht.

In de rapportage is onder meer vermeld dat de uitslag van het urineonderzoek positief was voor cannabis “hetgeen impliceert dat betrokkene recent cannabis heeft gebruikt.”

De conclusie van de rapportage luidt:

Dit overwegende vind ik onvoldoende aanwijzingen voor de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin, […]

Ten aanzien van het drugsgebruik is de combinatie suspect voor huidig drugsproblematiek. Dit overwegende dient de psychiatrische diagnose cannabismisbruik in ruime zin te worden gesteld. Ik wil daarbij ook nadrukkelijk wijzen op de strenge opstelling die van mij als keurend psychiater in deze wordt verwacht op basis van de ‘Regeling eisen geschiktheid 2000’ aangaande de interpretatie van mijn bevindingen. Diagnostische criteria voor een stoornis in cannabisgebruik in termen van de DSM-5 worden daarbij niet behaald. […]

N.a.v. de drugsanamnese is een aanvullend urine onderzoek gedaan. Hierbij toonde het lab aanwijzingen voor cannabismisbruik. Het is derhalve niet aannemelijk dat betrokkene met het cannabismisbruik is gestopt .”

Bij brief van 28 augustus 2018 heeft het CBR klager bericht dat hij niet geschikt was om te rijden wegens drugsmisbruik. Het bezwaarschrift dat klager daartegen heeft ingediend is op 18 december 2018 ongegrond verklaard. Klager is tegen deze beslissing in beroep gegaan.

3. Het standpunt van klager

Klager verwijt verweerder dat hij in het kader van een onderzoek naar alcoholgebruik ten behoeve van het CBR (rijbewijskeuring):

-      een urineonderzoek heeft laten uitvoeren zonder aan klager – zowel voorafgaand als tijdens het onderzoek – te vermelden dat het onderzoek ook betrekking had op drugsgebruik;

-      de lichamelijke integriteit van klager heeft geschonden doordat hij bij klager urine heeft laten afnemen zonder aan klager mede te delen dat dat gebeurde om de urine te testen op drugsgebruik;

-      een onzorgvuldig onderzoek heeft verricht aangezien de onduidelijkheden die bestonden over het drugsgebruik aanleiding hadden moeten zijn voor nader onderzoek, temeer daar het onderzoek naar drugsgebruik niet geïnitieerd was.

Ter toelichting op de klacht heeft klager onder meer aangevoerd dat het onderzoek door verweerder plotseling is gewijzigd naar een onderzoek naar drugsmisbruik, nadat klager had verteld dat hij wel eens een joint rookt. Aan klager is niet medegedeeld dat een urineonderzoek naar het drugsgebruik zou worden gedaan. Verweerder had het onderwerp van het onderzoek niet zomaar mogen wijzigen.

Verweerder had nader onderzoek moeten verrichten, omdat hij in het kader van de bezwaarprocedure heeft toegelicht dat hij geen informatie had over de vraag of klager de drugs alleen of in gezelschap gebruikte en waarom de joint niet geheel werd opgerookt. Bovendien stelt klager dat hij cannabis gebruikt als geneesmiddel en had dit door verweerder als zodanig moeten worden beoordeeld.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder meent dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten geen sprake is. Hij heeft in verband daarmee onder meer het volgende aangevoerd.

Tijdens het onderzoek op 23 mei 2018 is het cannabisgebruik van klager ter sprake gekomen. Dit was voor verweerder aanleiding tot het aanvullend urineonderzoek en dat is ook aan klager kenbaar gemaakt. Uit het aanvraagformulier blijkt ook dat het onderzoek plaatsvond om drugsmisbruik uit te sluiten. Klager was daarvan dus wel degelijk op de hoogte.

Er is geen sprake geweest van het wijzigen van het onderwerp van het onderzoek, maar van een aanvulling. Klager is per brief geïnformeerd dat uit het onderzoek andere informatie naar voren kan komen die van invloed is op de uitslag. Dat is hier ook het geval geweest.

Specifieke toestemming van klager was ook niet vereist, omdat bij de diagnostiek van CBR-keuringen niet het belang van de patiënt centraal staat, maar het algemeen belang van de verkeersveiligheid. Deze diagnostiek dient gebaseerd te zijn op gegevens die niet afhankelijk zijn van de medewerking of toestemming van de gekeurde. De reikwijdte van het onderzoek wordt niet alleen bepaald door de feiten en omstandigheden die aanleiding gaven tot het onderzoek, maar ook door hetgeen de keuringsarts tijdens het onderzoek constateert, voor zover van belang voor beoordeling van de algehele rijgeschiktheid. Verweerder had hierin geen vrije keuze, net zomin als klager. Als klager niet zou hebben meegewerkt, was het rijbewijs in ieder geval ongeldig verklaard.

Er was geen aanleiding voor aanvullend onderzoek door verweerder na ontvangst van de uitslag van het urineonderzoek. Paragraaf 8.8 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 heeft niet alleen betrekking op alcohol, maar ziet op alle psychoactieve middelen, waaronder ook cannabis. In deze paragraaf is vermeld dat personen die misbruik maken van drugs zonder meer ongeschikt zijn voor het besturen van motorrijtuigen.

De door verweerder uitgebrachte rapportage voldoet aan de criteria die daarvoor gelden.

5. De overwegingen van het college

De klachtonderdelen hangen zozeer samen dat deze door het college gezamenlijk kunnen worden behandeld. Het college stelt daarbij voorop dat het doel van de CBR-keuringen (zoals ook in de beslissing op bezwaar van 18 december 2018 is overwogen) is om aan te tonen of uit te sluiten dat er sprake is van een stoornis of aandoening die de verkeersveiligheid in gevaar brengt. Krachtens vaste jurisprudentie sluit de reden voor het opleggen van een onderzoek niet uit dat bij het vaststellen van de uitslag rekening wordt gehouden met andere relevante omstandigheden. Dat betekent dat de reikwijdte van het onderzoek niet alleen bepaald wordt door de feiten en/of omstandigheden die grond waren voor het meegedeelde vermoeden van ongeschiktheid, maar ook door hetgeen de keurende deskundige waarneemt, voor zover relevant voor de beoordeling van de algehele rijgeschiktheid.

Vast staat dat tijdens de keuring van 23 mei 2018 het cannabisgebruik van klager ter sprake is gekomen en dat dit voor verweerder aanleiding is geweest om een nader urineonderzoek te laten verrichten. Gelet op het doel van de CBR-keuringen en op Paragraaf 8.8 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 was dit verweerder niet alleen toegestaan, maar was hij daartoe ook gehouden.

Als het al zo zou zijn dat verweerder klager op 23 mei 2018 niet op de hoogte zou hebben gesteld van de reden van dit nader urineonderzoek (wat verweerder betwist en het college gelet op de omstandigheden niet aannemelijk voorkomt), dan nog was klager na ontvangst van het aanvraagformulier voor dit onderzoek op 1 juni 2018 en dus voorafgaand aan het onderzoek van die reden op de hoogte, omdat dit in het aanvraagformulier expliciet staat vermeld.

Nu de omstandigheden waaronder en/of de reden waarom het drugsgebruik plaatsvindt voor de beoordeling in het kader van de CBR-keuringen niet relevant zijn, kan niet worden gesproken over onduidelijkheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn voor nader onderzoek na ontvangst van de uitslag van het urineonderzoek.

Ook overigens biedt het dossier het college geen aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake zou zijn geweest van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten door verweerder.

Het voorgaande brengt met zich mee dat de klacht in alle onderdelen ongegrond moet worden verklaard.

6. De beslissing

Het college:

-          verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door J. Iding, voorzitter, A.M. Bossink, lid-jurist, A. de Jong,

M.A.M.U. Vermeulen en M.Ch. Doorakkers leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van

N.A.M. Sinjorgo, secretaris en uitgesproken door C.D.M. Lamers op 16 december 2019 in aanwezigheid van de secretaris.