ECLI:NL:TGZRAMS:2019:27 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/287
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2019:27 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-02-2019 |
| Datum publicatie: | 19-02-2019 |
| Zaaknummer(s): | 2018/287 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster dient een klacht in tegen een specialist ouderengeneeskunde over onzorgvuldig en onprofessioneel handelen in de verzorging van klaagster echtgenoot tijdens diens verblijf in een verpleeghuis. Meer in het bijzonder verwijt klaagster de specialist ouderengeneeskunde een verkeerde diagnose te hebben gesteld, verkeerde medicatie heeft voorgeschreven en onzorgvuldig heeft gecommuniceerd. Ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 16 juli 2018 binnengekomen klacht van:
A,
als wettelijk vertegenwoordigster van B (hierna: patiënt),
wonende te C,
k l a a g s t e r ,
gemachtigde: D, wonende te E,
ÁÁÁ
tegen
F,
arts,
werkzaam te G,
v e r w e e r d e r ,
gemachtigde: mr. Ch.L. van den Puttelaar, advocaat te Rotterdam.
1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het bij brief van 9 oktober 2018 door mr. Van den Puttelaar toegezonden rapport van de Klachtencommissie van H d.d. 5 september 2018;
- het bij brief van 21 december 2018 toegezonden overzicht met de uitslagen van
laboratoriumonderzoeken en het verslag van de hoorzitting inzake de klachtprocedure bij H en nogmaals voornoemde uitspraak van 5 september 2018;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;
- het bij brief van 7 december 2018 op verzoek van het college door mr. Van den Puttelaar toegezonden medisch dossier van patiënt in de zaak met nummer 18/309VP, waaronder de rapportage van de verpleegkundigen en verzorgenden, de weeglijsten en metingen, de medicatie deel/aftekenlijsten en de zorgleefplannen. Tevens is daar bij gevoegd een brief van de I van 24 september 2018. Mr. Van den Puttelaar heeft bij brief van 21 december 2018 het college verzocht ook in de onderhavige zaak kennis te nemen van deze stukken;
- het proces-verbaal van het op 19 oktober 2018 gehouden vooronderzoek;
- de correspondentie met betrekking tot de behandeling ter zitting.
De klacht is op een openbare zitting gelijktijdig behandeld met de zaak met nummer 18/287 tegen een collega van verweerder.
Partijen en hun gemachtigden waren aanwezig. Mr. Van den Puttelaar heeft een toelichting gegeven aan de hand van een pleitnota die aan het college en de wederpartij is overgelegd.
Ter zitting heeft de gemachtigde van klaagster het college verzocht zijn schriftelijke klacht bij H over te mogen leggen. Het college heeft dat niet toegestaan.
2. De feiten
2.1. Klaagster is de echtgenote van patiënt. Van 2011 tot begin 2015 is patiënt, geboren op 1953 diverse malen opgenomen in instellingen vanwege agressiviteit en cognitieve stoornissen door Korsakov.
2.2. Van 9 januari 2015 tot 6 februari 2015 heeft patiënt verbleven in het I. Op 14 januari 2015 heeft prof. dr. J (neurologie) aldaar ten aanzien van patiënt de volgende diagnose gesteld:
vasculaire dementie
korsakov met ernstige witte stof afwijkingen
loopstoornissen obv polyneuropathie
epilepsie
2.3. Op 6 februari 2015 is patiënt opgenomen op de afdeling psychiatrie van het K met een inbewaringstelling.
2.4. L heeft in februari 2015 een indicatie ZZP7 en BOPZ afgegeven op basis van de onder 2.2. vermelde diagnose en de aandoening COPD.
2.5. Op 25 februari 2015 is patiënt opgenomen op een gesloten afdeling in zorgcentrum H, locatie H. Op 23 april 2015 is patiënt opnieuw opgenomen in het K. Op 29 april 2015 is hij teruggekeerd naar H. Op 14 juni 2015 is patiënt wederom naar het K gebracht nadat klaagster via 112 een ambulance had laten komen. Op 25 juni 2015 is patiënt teruggekeerd in H.
2.6. Op 11 augustus 2016 is patiënt overgeplaatst naar de locatie I van zorgcentrum H nadat de relatie met de verzorging in H verstoord was geraakt.
2.7. Verweerder is als specialist ouderengeneeskunde werkzaam in I. In de periode van 9 april 2018 tot 23 april 2018 en van 11 mei 2018 tot 27 mei 2018 heeft hij de behandelend arts van patiënt vervangen tijdens haar vakantie.
2.8. Op 24 mei 2018 is patiënt overgeplaatst naar de gesloten afdeling J.
2.9. Inmiddels verblijft patiënt in een zorgcentrum in K.
3. De klacht en het standpunt van klaagster
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder
1. onzorgvuldig en onprofessioneel heeft gehandeld, omdat hij gedurende de periodes dat hij de behandelend arts heeft vervangen hij het door haar gevoerde beleid niet heeft aangepast en zich daarin niet heeft verdiept.
2. grove onzorgvuldigheid heeft betracht in de communicatie ten aanzien van de verzorging van patiënt omdat hij niet heeft gereageerd op het bericht van 22 april 2018 van klaagster dat de verpleging een advocaatje aan patiënt had gegeven, alsmede niet heeft gereageerd op berichten van de gemachtigde van klaagster.
Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
Ontvankelijkheid
5 .1. Het college stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat klaagster, die de echtgenote is van patiënt, moet worden aangemerkt als de vertegenwoordiger van patiënt als bedoeld in artikel 7:465 lid 3 BW. Zij is daarmee tevens klachtgerechtigd als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65 van de wet BIG.
Inhoudelijke beoordeling
5.2. Ter toetsing ligt voor of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klaagster klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard. Bij het antwoord op de vraag of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld staat het persoonlijk handelen van verweerder centraal. Het college begrijpt de hierna te bespreken klachtonderdelen zo dat deze louter zien op het handelen van verweerder. Indien en voor zover klaagster met haar klacht(onderdelen) tevens het oog heeft gehad op verwijtbaar handelen van anderen bij de behandeling van betrokkenen, dan wel het reilen en zeilen in de instelling kan zij niet ontvangen worden in haar klacht.
5.3. In klachtonderdeel 1 wordt verweerder kort gezegd verweten dat hij in de
periode dat hij de behandeld arts tijdens haar vakantie heeft vervangen zich niet in de verzorging van patiënt heeft verdiept en het behandelbeleid niet heeft aangepast.
5.4. Verweerder heeft aangevoerd dat voorafgaand aan de waarneming de behandelend arts hem heeft geïnformeerd over de situatie van patiënt. Hij wist dat er een discussie gaande was over de anti-epileptica die waren voorgeschreven door de neuroloog, dat hij de uitslag van de bloedwaarden van patiënt in de gaten moest houden en dat klaagster een second opinion door een neuroloog had aangevraagd. Dat verweerder zich niet heeft verdiept in het dossier van patiënt is dan ook niet gebleken. Dit blijkt ook niet uit de overige stukken in het dossier. Dat hij, zoals klaagster stelt, niet direct kon antwoorden op alle vragen van klaagster over de situatie van patiënt, valt hem niet aan te rekenen. Hij was immers een vervanger en op de belangrijke punten op de hoogte. Niet gebleken is dat hij op dit onderdeel onzorgvuldig heeft gehandeld.
5.5. Betreffende het wijzigingen van het behandelbeleid geldt het volgende.
Het college stelt voorop dat tijdens de waarneming de waarnemend arts verantwoordelijk is voor het te voeren beleid. Het is echter niet gebruikelijk dat tijdens de kortdurende afwezigheid van de behandelend arts diens behandelbeleid door de waarnemend arts wordt gewijzigd, tenzij belangrijke zwaarwegende medische overwegingen hiertoe aanleiding geven. De continuïteit van het beleid moet immers worden gewaarborgd. Voor aanpassing van het beleid bestaat pas aanleiding als er duidelijke aanwijzingen zijn dat er een noodzaak tot ingrijpen is, bijvoorbeeld in verband met veranderde omstandigheden.
Niet aannemelijk is geworden dat in deze zaak gedurende de periodes van afwezigheid van de behandelend arts van een dergelijke noodzaak sprake was. Er hebben zich geen grote veranderingen in de gezondheidstoestand van patiënt voorgedaan en het was juist zaak de gezondheidssituatie van patiënt stabiel te houden door geen beleidswijzigingen toe te passen. Dit alles tegen de achtergrond dat spoedig een second opinion zou volgen.
Klachtonderdeel 1 is ongegrond.
5.6. Met klachtonderdeel 2 stelt klaagster, kort samengevat, aan de orde dat verweerder geen reactie heeft gegeven op de klacht van klaagster dat er alcohol aan patiënt was gegeven. Daargelaten de vraag of aan patiënt een advocaatje is aangeboden, de instelling stelt uitdrukkelijk van niet, is niet gebleken dat verweerder niet heeft gereageerd op een klacht hieromtrent. Verweerder heeft tijdens het verhoor in het kader van het vooronderzoek op
19 oktober 2018 verklaard dat partijen daar mailcontact over hebben gehad. Dat hij hierin onzorgvuldig heeft gehandeld kan dan ook niet worden vastgesteld.
Vast staat voorts dat verweerder in de – relatief korte - periode dat hij de behandelend arts heeft waargenomen, althans in ieder geval in de eerste periode, vaak (telefonisch) contact had met klaagster over de zorg voor patiënt. Ook over de zorgen van klaagster. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat hij regelmatig heeft geprobeerd telefonisch contact te zoeken met klaagster maar dat zij haar telefoon niet opnam en niet reageerde op voice-mailberichten. Dat hij in algemene zin tekort zou zijn geschoten in de communicatie met klaagster kan dan ook niet worden vastgesteld.
5.7. Het college heeft niet de indruk gekregen dat verweerder moedwillig niet heeft
gereageerd op de e-mailberichten van de gemachtigde van klaagster en hem heeft genegeerd. Het lijkt er eerder op dat verweerder deze berichten niet heeft ontvangen, omdat zowel klaagster als haar gemachtigde berichten hebben gestuurd via een format dat hij niet kon raadplegen. Dit verklaart ook, zoals klaagster stelt, dat verweerder wel reageerde op een telefonisch ingesproken bericht van klaagster.
Op de zitting heeft verweerder verklaard dat de berichten, waaronder de e-mail met vragen van de gemachtigde van klaagster van 10 april 2018, naar L, een onderdeel van het zorgdossier zijn gestuurd dat niet door hem kon worden geraadpleegd, maar alleen door de verpleegkundigen. Dit onderdeel is immers bedoeld voor de communicatie tussen verpleegkundigen en de familie van een patiënt. Het is dan ook gebruikelijk dat e-mails voor artsen via het medisch loket of via de bedrijfsmail M worden verstuurd. De e-mails van de gemachtigde van klaagster zijn hierin niet ontvangen, aldus steeds verweerder.
Het college heeft geen aanleiding om hieraan te twijfelen en is van oordeel dat het verweerder niet valt aan te reken dat het digitale systeem binnen de instelling zo werkt en dat e-mails niet door de verpleegkundigen aan verweerder zijn doorgestuurd. Verweerder heeft verklaard dat deze wijze van communicatie wel binnen de instelling aan de orde is gesteld en tot verbeteringen heeft geleid.
Klachtonderdeel 2 is ongegrond.
Conclusie
De conclusie van het voorgaande is dat de klacht (in al haar onderdelen) ongegrond is.
Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.
6. De beslissing
Ongegrond:
Het college:
- wijst de klacht af.
Aldus beslist door:
mr. J.F. Aalders, voorzitter,
P.G.M. Boom-Poels en A.J.J.M. Keijzer-van Laarhoven, leden-specialisten ouderengeneeskunde en A. Wewerinke, lid-huisarts,
mr. S. Colsen, lid-jurist,
bijgestaan door mr. G.H. Felix, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.
WG secretaris WGH voorzitter