ECLI:NL:TGZRAMS:2019:22 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/402

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2019:22
Datum uitspraak: 19-02-2019
Datum publicatie: 22-02-2019
Zaaknummer(s): 2018/402
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:   Klager verwijt de huisarts van zijn echtgenote, met wie hij van tafel-en–bed gescheiden is, dat hij ten onrechte geen ‘bemoeizorg’ verleent aan zijn echtgenote. De echtgenote van klager is zorgmijdend en volgens klager wilsonbekwaam. Volgens verweerder is de echtgenote van klager wilsbekwaam en kiest zij er zelf voor geen zorg te willen ontvangen.   Klacht ongegrond

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 19 september 2018 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

k l a g e r,

tegen

C,

huisarts,

werkzaam te D,

v e r w e e r d e r,

gemachtigde: mr. L. Neuschäfer-Greebe, verbonden aan DAS Rechtsbijstand.

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-                      het klaagschrift;

-                      de brief van 26 september 2018 van klagers ex-echtgenote, waaruit blijkt dat zij instemt met de klacht;

-                       het verweerschrift;

-                      de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-                      het proces-verbaal van het op 7 januari 2019 gehouden vooronderzoek;

Namens verweerder is per brief van 13 november 2018 het medisch dossier van betrokkene aan het college toegezonden met het verzoek – overeenkomstig het bepaalde in artikel 67, derde lid, van de Wet BIG – dat niet aan klager te verstrekken. De voorzitter van het college heeft dit verzoek gehonoreerd.

De klacht is in raadkamer behandeld.

2.         De feiten

Op grond van de stukken en het besprokene tijdens het mondeling vooronderzoek dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan:

Klagers van tafel en bed gescheiden-echtgenote, verder: ‘patiënte’ te noemen staat sinds 2012 in de praktijk van verweerder ingeschreven. Patiënte is sinds jaren zorgmijdend. In januari 2018 is patiënte één nacht in de crisisopvang opgenomen. Vervolgens is zij twee weken in een ziekenhuis opgenomen geweest en daarna drie maanden in een revalidatiecentrum. Klager heeft verweerder (telefonisch) verzocht zich te vergewissen van de situatie (thuis) van patiënte en aangeboden voor hem de deur open te doen.

De begeleiding die verweerder heeft geboden was gericht op het proberen patiënte in zorg te krijgen dan wel in zorg te houden. Klager heeft op 19 september 2018 onderhavige tuchtklacht tegen verweerder ingediend. Patiënte heeft klager geen toestemming gegeven tot het zien of verkrijgen van haar medisch dossier.

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder tekort is geschoten in zijn zorgplicht jegens klagers van tafel en bed gescheiden-echtgenote.

Ter onderbouwing van zijn klacht stelt klager dat patiënte niet in staat is tot het indienen van deze klacht. Zij weigert sinds jaren hulp, terwijl zij wel hulp nodig heeft. Volgens klager is verweerder een paar jaar geleden bij haar langs geweest, maar stond hij toen voor een dichte deur. Daarna heeft hij geen contact meer met haar gehad. Klagers aanbod de deur te openen voor verweerder, heeft verweerder afgeslagen, aldus klager. Bij patiënte is sprake van alchoholabusus; klager twijfelt dan ook aan haar wilsbekwaamheid.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.

Hij erkent dat patiënte zorgmijdend is. Volgens verweerder is patiënte echter wilsbekwaam en op de hoogte van de consequenties die haar zorgmijdende gedrag met zich meebrengen. Het mijden van zorg is een bewuste keuze van patiënte, aldus verweerder. Die keuze heeft zij de afgelopen jaren meerdere keren aan hem bevestigd.

5.         De beoordeling

5.1.      Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2. Ambtshalve merkt het college vervolgens op dat in art. 65 lid 1 van de Wet BIG is vastgelegd dat een klacht aanhangig kan worden gemaakt door een rechtstreeks belanghebbende. Dat is in ieder geval de patiënt maar ook anderen kunnen onder omstandigheden als rechtstreeks belanghebbenden worden aangemerkt. Uitgangspunt is dat de patiënt die daartoe behoorlijk in staat is, zelf degene is die beslist over het al of niet indienen van een klacht met betrekking tot zijn behandeling. De naaste betrekkingen van patiënt kunnen in beginsel slechts met instemming van de patiënt over diens behandeling klagen en van die instemming moet blijken, tenzij aannemelijk is dat de patiënt niet (meer) in staat is behoorlijk te beslissen over het al of niet geven van die instemming (CTG 1 oktober 2013 ECLI:NL:TGZCTG:2013:114 en CTG 20 januari 2015, ECLI:NL:TGZCTG:2015:30). Desgevraagd heeft patiënte bij brief van 26 september 2018 ingestemd met de klacht. Het college merkt dan ook niet patiënte als klaagster aan, maar haar ex-echtgenoot als klager.

5.3 .        Klager verwijt verweerder dat hij ten onrechte geen zorg aan patiënte heeft verleend. Het college kan echter niet instemmen met dat standpunt van klager. Uit het medisch dossier is het college gebleken dat patiënte niet gemotiveerd was zorg te accepteren. Verweerder heeft voldoende pogingen gedaan om met patiënte in contact te komen, maar die toenaderingen zijn door patiënte afgehouden. Anders dan klager, heeft het college evenmin aanwijzingen dat patiënte wilsonbekwaam zou zijn. De door klager gestelde alcoholabusus staat daaraan niet in de weg.

De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is.

Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

6. De beslissing

Het college wijst de klacht af.

Aldus beslist op 19 februari 2019 door:

J. Recourt, voorzitter,

M.A. de Meij en J.C. van der Molen, leden-arts,

bijgestaan door A. Kerstens, secretaris.

WG                                                                                                   WG

secretaris                                                                                       voorzitter