ECLI:NL:TGZRAMS:2019:21 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/305

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2019:21
Datum uitspraak: 21-02-2019
Datum publicatie: 22-02-2019
Zaaknummer(s): 2018/305
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: klaagster verwijt verweerster dat zij klaagster niet op het eerste verzoek het dossier heeft verstrekt en dat het dossier diverse onjuistheden bevat, die klaagster gerectificeerd wil zien.   Ongegrond

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 25 juli 2018 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

k l a a g s t e r,

gemachtigde: mr. M. Veldman

tegen

C,

huisarts,

werkzaam te D.

v e r w e e r s t e r,

gemachtigde: mr. S.J. Berkhoff-Muntinga

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-                      het klaagschrift;

-                      het verweerschrift;

-                      het proces-verbaal van het op 21 november 2018 gehouden vooronderzoek;

De klacht is in raadkamer behandeld.

2.         De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

Klaagster is van 20 tot 24 november 2017 in het kader van de BOPZ met een IBS opgenomen geweest op een gesloten afdeling van de ouderenpsychiatrie. Er was een vermoeden van beginnende dementie.

Op 23 november 2017 heeft klaagster telefonisch haar medisch dossier opgevraagd bij de assistente van verweerster, omdat zij dat nodig had voor de rechtszaak in verband met de IBS, die daags daarna plaatsvond.

De rechtbank heeft de IBS op 24 november 2017 niet bekrachtigd.

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

Zakelijk weergegeven verwijt klaagster verweerster:

a.     dat zij klaagster niet op het eerste verzoek het dossier heeft verstrekt;

b.    dat het dossier diverse onjuistheden bevat, die klaagster gerectificeerd wil zien.

Ter toelichting heeft klaagster onder meer aangevoerd dat zij dringend verzocht heeft het dossier voor de zitting af te geven. Een arts moet het dossier zo snel mogelijk afgeven als daarom wordt gevraagd. Er is gesteld dat klaagster dreigend was toen zij de assistente meedeelde dat het dan haar schuld was als klaagster langer in IBS moest blijven. Met het dossier kon klaagster onderbouwen dat haar verblijf in de kliniek niet nodig was. Klaagster had iemand op de parkeerplaats staan die het dossier kon ophalen. Van de psychiater vernam klaagster dat het dossier niet afgegeven zou worden en dat klaagster de assistente bedreigd zou hebben.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.

Zij heeft in dat kader onder meer aangevoerd dat zij niet goed wist wat de rechten van een patiënt in IBS zijn en zich afvroeg hoe een kopie van het dossier kon worden verstrekt nu klaagster op een gesloten afdeling verbleef. Het dossier wordt immers - behoudens specifieke toestemming, waarvan hier niet was gebleken - aan de patiënt persoonlijk overhandigd. Daarom heeft verweerster contact gezocht met de afdeling en het verzoek van klaagster voorgelegd. Er zou overleg plaatsvinden en daarna zou verweerster vernemen. Verweerster heeft niet meer vernomen tot de volgende dag, toen een psychiater haar informeerde dat de IBS niet door de rechter was bekrachtigd en klaagster was ontslagen uit de instelling. Uit de wet en de toelichting door de KNMG blijkt dat het dossier zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek moet worden verstrekt. Er moet ook worden bekeken of het verstrekken van bepaalde gegevens de persoonlijke levenssfeer van een ander kan schaden. Het dossier was wel klaargelegd en is een week later afgehaald.

Verweerster was tot het indienen van de onderhavige klacht niet op de hoogte van mogelijke onjuistheden in het dossier, maar zij is bereid om met klaagster de gewenste aanpassingen in het dossier te bespreken.  

5.         De beoordeling

Het college acht het niet onbegrijpelijk dat verweerster door het verzoek van klaagster overvallen werd en niet direct wist hoe zij daarop moest reageren in verband met de IBS status van klaagster. Dat zij zich daarover wilde laten adviseren ligt dan ook voor de hand, zij het dat zij dat beter bij de KNMG had kunnen doen dan bij de instelling. In het kader van de afgifte van het dossier gebiedt de zorgvuldigheid dit na te zien op gegevens die belangen van derden kunnen schaden en deze gegevens te verwijderen. De door verweerster genoemde termijn van een maand voor afgifte van het dossier is niet ongebruikelijk, hoewel duidelijk is dat het in dit geval in het belang van klaagster was om zo snel mogelijk te reageren. Het is verweerster evenwel niet tuchtrechtelijk aan te rekenen dat afgifte van het dossier niet onmiddellijk, dezelfde dag nog, heeft plaatsgevonden.

Verweerster heeft onweersproken aangevoerd dat zij niet eerder op de hoogte was van de wens van klaagster om onjuistheden in het dossier aan te passen en heeft zich bereid verklaard zo mogelijk alsnog aan het verzoek van klaagster tegemoet te komen, zodat haar ook op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt.

De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in beide onderdelen kennelijk ongegrond is.

Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

6. De beslissing

Het college wijst de klacht af.

Aldus beslist op 21 februari 2019 door:

J. Recourt, voorzitter,

A. Wewerinke en J.C. van der Molen, leden-beroepsgenoten,

bijgestaan door N.A.M. Sinjorgo, secretaris.

WG                                                                                                   WG

secretaris                                                                                       voorzitter