Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TGZRAMS:2019:185
Datum uitspraak:
18-09-2019
Datum publicatie:
18-09-2019
Zaaknummer(s):
2019/117
Onderwerp:
Schending beroepsgeheim
Beroepsgroep:
Gezondheidszorgpsycholoog
Beslissingen:
Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:
Klager verwijt de gz-psycholoog dat zij haar beroepsgeheim heeft geschonden, doordat zij ondanks de vermelding in de brief van klager 'vertrouwelijk' toch contact heeft opgenomen met zijn dochter en haar moeder. Verweerster heeft primair aangevoerd dat klager niet kan worden ontvangen in zijn klacht en subsidiair heeft zij aangevoerd dat de klacht niet gegrond is.  Ongegrond

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

 

Beslissing naar aanleiding van de op 6 maart 2019 binnengekomen klacht van:

 

A,

wonende te B,

k l a g e r,

 

tegen

 

C,

GZ-psycholoog,

werkzaam te D,

v e r w e e r s t e r,

gemachtigde: mr. Y. van der Horst, advocaat te Emmeloord.

 

 

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-                     het klaagschrift;

-                     het verweerschrift met de bijlage;

-                     het proces-verbaal van het op 29 mei 2019 gehouden vooronderzoek;

-                     de op 5 juni 2019 binnengekomen e-mail van klager.

 

 

De klacht is op een openbare zitting behandeld. Partijen waren aanwezig. Klager werd bijgestaan door G.J. Schmidt en verweerster door haar gemachtigde voornoemd.

 

2.         De feiten

2.1       Klager is de vader van E, geboren in maart 2004. Klager heeft geen ouderlijk gezag over zijn dochter.

2.2       Verweerster is als GZ-psycholoog verbonden aan het F. Verweerster is als regiebehandelaar betrokken bij de behandeling van de dochter van klager. Verweerster heeft voorts regelmatig belafspraken met de dochter gehad en diagnostiek uitgevoerd.

2.3       Klager heeft op 10 december 2018 vernomen dat zijn dochter behandeld werd. Om die reden heeft hij op 10 december 2018 een brief geschreven aan het F met daarin het verzoek om een gesprek. De brief was gericht aan ‘de behandelaar’ van zijn dochter. Op de brief was vermeld dat het om ‘een vertrouwelijk’ verzoek ging.

Voor zover van belang is de tekst de volgende:

“Vertrouwelijk

L.S.,

Mijn jongste dochter (…) verkeert in moeilijkheden, al vele jaren lang. Ik ben mij daar scherp van bewust, maar kreeg tot hiertoe nauwelijks mogelijkheden om haar te steunen.

Ik wil mij niet opdringen of een situatie die al zo moeilijk is nog meer belastend maken voor haar. Ik vraag mij af of ik met u een gesprek zou kunnen hebben, in de hoop dat de uitkomst bijdraagt aan haar geluk.

Hoogachtend,

(…)”.

2.4       Verweerster heeft na ontvangst van het verzoek van klager met een medebehandelaar besproken hoe om te gaan met klagers verzoek. Het verzoek heeft verweerster voorts op 17 januari 2019 en 31 januari 2019 besproken in het multidisciplinair overleg. Hierna heeft verweerster besloten het verzoek van klager om een gesprek voor te leggen aan de dochter en haar moeder.

2.5       Bij brief van 7 februari 2019 hebben verweerster en een collega klager een brief terug geschreven.

Hierin staat het volgende:

“We hebben u brief in december ontvangen, waarbij u heeft aangegeven een gesprek te willen. Wij hebben dit besproken met zowel (…) als moeder. Ons voorstel is om gezamenlijk met de moeder van (…) en met de twee behandelaren van (…) een gesprek te plannen. Dit kan op: (…)”.

Verweerster heeft nadien geprobeerd telefonisch contact te leggen en voorts is een mail verstuurd met de uitnodiging voor een gesprek.

 

3.         De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster:

-                     haar beroepsgeheim heeft geschonden door klagers verzoek om een gesprek te delen met de dochter en de moeder, waardoor

-                     zij een interventie heeft gepleegd ten aanzien van de dochter en haar gezinsrelaties, die lichtvaardig en onprofessioneel moet worden geacht en die bovendien onomkeerbaar is en schadelijk voor de dochter van klager.

 

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft zich primair op het standpunt gesteld dat klager in zijn klacht niet ontvankelijk is. Voorts heeft verweerster de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.         De beoordeling

 

De ontvankelijkheid van klager in zijn klacht

 

5.1.      Het meest verstrekkende verweer van verweerster is dat klager niet ontvankelijk is in zijn klacht en de klacht daarom niet door het college kan worden behandeld. Verweerster wijst in dat verband op het feit dat klager geen gezag over zijn dochter heeft. Klager is niet bij de behandeling van zijn dochter betrokken en heeft verweerster slechts benaderd teneinde informatie te verkrijgen over zijn dochter. Klager zou aldus geen rechtstreeks belanghebbende zijn. Ook anderszins zou er volgens verweerster geen sprake zijn van een belang dat zijn weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg.

Het college volgt verweerster niet in dat standpunt. Om aangemerkt te worden als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65, eerste lid, onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) dient er aan de zijde van klager sprake te zijn van een belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Deze eis vloeit voort uit de aard en de strekking van de Wet BIG, die beoogt de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bewaken. Naar het oordeel van het college voldoet het belang dat klager bij het indienen van de klacht stelt te hebben aan deze eis, omdat klager onder meer stelt dat verweerster jegens hem de vertrouwelijkheid zou hebben geschonden, althans haar beroepsgeheim heeft geschonden zoals klager schrijft, en zij onprofessioneel zou hebben gehandeld. Dit zou zij hebben gedaan in haar functie van behandelaar van zijn dochter. De klacht ziet aldus onmiskenbaar op een handelen van verweerster in haar hoedanigheid van GZ-psycholoog dat naar klager stelt in strijd zou zijn met hetgeeneen behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Bovendien klaagt hij niet over de behandeling van zijn dochter maar over een gedraging van verweerster jegens hem zelf.

 

Inhoudelijke beoordeling

 

5.2.      Het college stelt voorop dat de klacht van klager, gezien de gepresenteerde feiten en gekozen bewoordingen in het klaagschrift, het mondeling vooronderzoek en ter zitting, zo wordt gelezen dat hij verweerster verwijt dat zij ten opzichte van klager de vertrouwelijkheid heeft geschonden door zijn verzoek om een gesprek te delen met klagers dochter en haar moeder. Die vertrouwelijkheid was kenbaar doordat dit met zoveel woorden op de brief stond (zie onder 2.3). De andere punten die klager ‘klacht’ noemt zijn daarvan het gevolg en worden om die reden niet zelfstandig als klachtonderdeel beoordeeld. Daarmee ligt aan het college thans alleen ter beoordeling de vraag voor of verweerster door het delen van klagers vertrouwelijk verzoek met de dochter, haar cliënte, en de moeder buiten de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening is getreden, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard.

 

5.3       Het college beantwoordt die vraag ontkennend. Hoewel wordt onderkend dat vertrouwelijkheid een groot goed is, acht het college het gezien de positie van verweerster en de behandelrelatie met haar 14-jarige cliënte (de dochter van klager) zorgvuldig dat verweerster haar cliënte en de moeder in kennis heeft gesteld van klagers verzoek om een gesprek, die hier overigens voor openstonden. Dat dit schadelijk zou zijn geweest voor de dochter wordt door klager gesteld, maar dat dit het geval zou zijn geweest, heeft het college niet kunnen vaststellen. De klacht is dan ook ongegrond. Wel merkt het college op dat het beter was geweest als verweerster haar voornemen het verzoek te bespreken met cliënte en haar moeder eerst had voorgelegd aan klager. Verweerster ziet dat ook in.

 

5.4       De conclusie van het voorgaande is dat de klacht ongegrond is. Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

 

6.         De beslissing

 

Het college:

-         wijst de klacht af.

 

Aldus beslist door:

E.A. Messer, voorzitter,

E.S.J. Roorda-de Man, N.A.M. Perquin en G.F.E.C. van Linden van den Heuvell, leden-beroepsgenoten,

 R.P. Wijne, lid-jurist,

 bijgestaan door mr. S.S. van Gijn, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2019 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

 

 

 

WG   secretaris                                                                                   WG   voorzitter

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens