Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TGZCTG:2019:235
Datum uitspraak:
17-09-2019
Datum publicatie:
18-09-2019
Zaaknummer(s):
c2018.481
Onderwerp:
Overige klachten
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Klacht tegen internist. Klager heeft in juli 2017 verzocht zijn gegevens te verwijderen uit het systeem van het ziekenhuis. Klagers medisch dossier is daarop vernietigd. In juni 2018 ontdekte klager dat er – buiten het medische dossier dat geheel leeg was – nog persoonsgegevens van hem bekend waren bij het ziekenhuis. In juli 2018 heeft klager zich hierover beklaagd tegenover de Raad van Bestuur van het ziekenhuis, waarvan de internist deel uitmaakt. Klager verwijt de internist dat zijn persoonsgegevens niet uit het systeem zijn verwijderd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht, omdat hetgeen de internist wordt verweten geen handelen of nalaten betreft dat wordt bestreken door de eerste of tweede tuchtnorm. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2018.481 van:

 

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., internist, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout.

1.        Verloop van de procedure

A. - hierna klager - heeft op 25 juli 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen C. - hierna de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing in raadkamer van

5 november 2018, onder nummer 210/2018, heeft dat College klager niet-ontvankelijk verklaard in de klacht. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 20 augustus 2019, waar zijn verschenen klager en de arts, laatstgenoemde bijgestaan door mr. T.A.M. van Oosterhout. De zaak is over en weer bepleit.

2.        Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2. DE FEITEN

Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klager heeft op 11 juli 2018 aan de klachtenfunctionaris van het D.-ziekenhuis verzocht zijn gegevens bij het ziekenhuis te vernietigen. Klager heeft daarover met de klachtenfunctionaris per e-mail over gecorrespondeerd.

Op 6 juli 2018 heeft klager een brief aan de Raad van Bestuur gestuurd dat hij zich beklaagd dat zijn NAW-gegevens nog in het systeem van het D.-ziekenhuis staan. Verweerder is lid van de Raad van Bestuur.

3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- dat zijn NAW-gegevens niet uit het systeem van het ziekenhuis zijn verwijderd.

4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu geen sprake is van handelen als bestuurder dat valt onder de eerste of tweede tuchtnorm.

5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1

Wat verweerder in deze zaak als BIG-geregistreerd arts wordt verweten is geen handelen dat wordt bestreken door de eerste tuchtnorm (art. 47 lid 1, aanhef en onder a, Wet BIG), die kort gezegd betrekking heeft op de relatie tussen een zorgverlener en een patiënt, maar het handelen van verweerder als lid van de Raad van Bestuur. Volgens de tweede tuchtnorm (art. 47 lid 1, aanhef en onder b, Wet BIG) is verweerder tevens onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in de hoedanigheid van arts-internist in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg. Daarvoor is vereist dat dit handelen of nalaten voldoende weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg én dat verweerder niet alleen heeft gehandeld als lid van de Raad van Bestuur maar zich daarbij tevens heeft begeven op het terrein waarop hij ook de deskundigheid bezit behorende bij zijn inschrijving als arts-internist in het BIG-register.

Het door klager aan de orde gestelde handelen of nalaten heeft onvoldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg. Het medisch dossier van klager was immers al vernietigd en het om administratieve redenen bewaren van de persoonsgegeven raakt niet de aan hem verleende of te verlenen gezondheidszorg. Daarbij heeft verweerder bij het hem verweten handelen of nalaten zich in elk geval niet begeven op het terrein waarop hij de deskundigheid bezit behorende bij zijn inschrijving als arts-internist in het BIG-register. Het toezien op de NAW-gegevens in het systeem van het ziekenhuis, is een kwestie die verweerder als lid van de Raad van Bestuur wellicht aanging maar waarbij hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn deskundigheid als arts-internist.

5.2

Het voorgaande houdt in dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn klacht.”.

3.        Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.

4.        Beoordeling van het beroep

Procedure

4.1       In beroep is de schriftelijke klacht over het beroepsmatig handelen/nalaten van de arts nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 20 augustus 2019 is dat debat voortgezet.

4.2       In beroep heeft klager zijn klacht herhaald en nader toegelicht.

4.3       De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Beoordeling

4.4      Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

5.        Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: K.E. Mollema, voorzitter, S.M. Evers en

M.W. van Zandbergen, leden-juristen en R. Heijligenberg en T.J.M. Tobé, leden-beroepsgenoten en N. Germeraad-van der Velden, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 17 september 2019.

                        Voorzitter   w.g.                                 Secretaris  w.g.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens