Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TAHVD:2019:73
Datum uitspraak:
19-08-2019
Datum publicatie:
21-08-2019
Zaaknummer(s):
180240
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijWat nooit geoorloofd is Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijGrievende uitlatingen
Beslissingen:
Onvoorwaardelijke schorsing
Inhoudsindicatie:
Klacht tegen advocaat wederpartij. Verweerder zou op naam van zijn demente moeder een procedure zijn gestart, waarvoor hij een algemene volmacht had laten opstellen door een bevriende notaris, terwijl de moeder niet meer in staat was een volmacht af te geven. Verweerder zou zich onnodig grievend hebben uitgelaten jegens klaagster door haar ervan te betichten fraude te hebben gepleegd. Ook zou hij in de procedure tegen klaagster een valse factuur van zijn advocaat hebben opgevoerd. Ter zake van de procedure met algemene volmacht ziet het hof voldoende aanknopingspunten met verweerders praktijkuitoefening om de daarvoor geldende maatstaven toe te passen. Een advocaat dient bij psychisch kwetsbare cliënten de grootst mogelijke zorgvuldigheid te betrachten. Het tegen beter weten in gebruik maken van een volmacht van een kwetsbare demente bejaarde vrouw om op haar naam een procedure te kunnen voeren in een familievete, acht het hof zeer onzorgvuldig en laakbaar. Ter zake van verweerders uitlatingen oordeelt het hof dat deze binnen de toegestane bandbreedte van verweerders (partijdige) optreden vallen. Ter zake van de factuur oordeelt het hof dat de urenspecificaties van verweerders advocaat geen juist beeld geven van de werkelijkheid en derhalve valselijk zijn  opgemaakt, hetgeen ook geldt voor de hierop gebaseerde factuur aan verweerder. Het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerders advocaat is ook aan verweerder toe te rekenen. Vernietiging raadsbeslissing voor wat betreft de maatregel, in die zin dat het hof tot een langere schorsing komt. Proceskostenveroordeling.

n.v.t.

BESLISSING

van 19 augustus 2019

in de zaak 180240

naar aanleiding van het wederzijds hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klaagster

 

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

1.1    Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (verder: de raad) van 30 juli 2018, gewezen onder nummer 18-040/DH/DH en aan partijen toegezonden op 30 juli 2018. In deze beslissing is de klacht van klaagster voor wat betreft klachtonderdeel (b) gegrond en voor wat betreft klachtonderdeel (d) gedeeltelijk gegrond verklaard. De klachtonderdelen (a), (c) en (e) zijn ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel opgelegd van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van twee weken. Verweerder is veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de reiskosten van klaagster en de betaling van de proceskosten ad € 1.000,-- aan de Nederlandse Orde van Advocaten. De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRSGR:2018:174.

 

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    Het beroepschrift (met bijlagen) waarmee verweerder van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 28 augustus 2018 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het beroepschrift (met bijlagen) waarmee klaagster van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 29 augustus 2018 ter griffie van het hof ontvangen.

2.3    Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-    de stukken van de eerste aanleg;

-    het verweerschrift van verweerder (met bijlagen) van 13 november 2018;

-    het verweerschrift van klaagster (met bijlagen) van 11 december 2018;

-    het schrijven (met bijlagen) van verweerder van 5 december 2018

-    het schrijven (met bijlagen) van verweerder van 9 mei 2019;

-    het schrijven van klaagster (met bijlagen) van 6 juni 2019;

-    het schrijven van verweerder (met bijlagen) van 6 juni 2019. 

2.4    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 17 juni 2019, waar gemachtigde van klaagster en verweerder zijn verschenen. Verweerder heeft gepleit aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)  (…)

b)    hij uit naam van zijn demente moeder een procedure is gestart, waarvoor hij een algemene volmacht had laten opstellen door een bevriende notaris, terwijl de moeder niet meer in staat was een volmacht af te geven;

c)    hij zich onnodig grievend jegens klaagster heeft uitgelaten door haar ervan te betichten fraude te hebben gepleegd;

d)    hij in de procedure tegen klaagster een valse factuur van mr. G. heeft opgevoerd;

e)    (…).

 

4    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

4.1      Verweerder is de broer van klaagster en in die hoedanigheid haar wederpartij in een aantal familierechtelijke aangelegenheden. In twee van de familierechtelijke procedures werd verweerder bijgestaan door mr. G.

Kort geding procedure namens moeder met algemene volmacht

4.2    Op 7 november 2014 heeft de moeder van partijen ten overstaan van een notaris een algemene volmacht afgegeven, waarbij zij verweerder en een zus als algemeen gevolmachtigden heeft aangewezen.

4.3        Met gebruikmaking van deze volmacht heeft mr. G. op naam van de moeder van partijen op 7 november 2014 een dagvaarding in kort geding laten uitbrengen aan (onder meer) klaagster en haar zoon, teneinde hen inzicht te laten verschaffen in de PGB-administratie en -betalingen. In deze dagvaarding is onder de feiten het volgende opgenomen:

“Eiseres is al enige jaren dementerende, zodanig dat zij onder bewind gesteld had moeten worden. Eiseres is daardoor geheel buiten staat om nog documenten te lezen en te begrijpen en ook niet in staat een administratie bij te houden en te beheren.”

4.4    De behandeling van de hiervoor bedoelde zaak had mr. G. kort daarvoor overgenomen van verweerder, die aanvankelijk zelf als advocaat optrad namens zijn moeder.

4.5    Op 19 november 2014 heeft in het kort geding een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de rechtbank Midden-Nederland, waarbij mr. G. de algemene volmacht heeft overgelegd. Ook in de daaropvolgende appelprocedure heeft mr. G. de volmacht overgelegd. 

4.6    Bij brief van 29 april 2015 bericht de notaris op wiens kantoor (door een plaatsvervanger) de algemene notariële volmacht is opgemaakt verweerder dat hij twijfelt aan de geldigheid van de volmacht, gelet op de inmiddels aan hem bekend geworden medische verslagen van een geriater die verweerders moeder heeft onderzocht en gelet op het hiervóór opgenomen citaat uit de kort geding dagvaarding. De notaris adviseert verweerder geen (rechts)handelingen meer te verrichten namens zijn moeder, totdat een rechter heeft geoordeeld over de volmacht.  

4.7    In het hoger beroep in deze zaak overweegt het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn arrest d.d. 22 december 2015:

“2.6    Het hof heeft hiervoor onder 2.3 al aannemelijk geoordeeld dat voorshands (ernstige) twijfel is of de afgegeven notariële volmacht aan de zoon en dochter rechtsgeldig is gezien haar (gevorderde) dementie en dat aannemelijk is dat zij niet in staat is zelfstandig, dus zonder bijstand van een mentor of bewindvoerder, als (zelfstandige) partij op te treden. Dat betekent dus ook dat er (ernstige) twijfel is of moeder B. een rechtsgeldige (in de zin van artikel 3:33 BW) opdracht heeft kunnen geven aan mr. G. om de onderhavige kort geding procedure als eiseres voor haar te voeren. Uit het proces-verbaal van de comparitie volgt dat moeder B. niet weet dat er ruzie is tussen de kinderen (terwijl geïntimeerden/gedaagden in deze kort geding procedure haar dochter en kleinzoon betreffen en zij bijstand had van haar andere zoon en dochter), dat zij niet weet over welke papieren het gaat in deze procedure en dat zij ook niet weet wat zij gedaan heeft bij de notaris. (…)”

PGB-fraude beschuldigingen

4.8    Op 2 juni 2016 heeft verweerder op zijn kantoorbriefpapier een brief geschreven aan twee getuigen die een verklaring hadden afgelegd in een door hem in privé-hoedanigheid aanhangig gemaakte procedure tegen de bewindvoerder van de moeder van partijen. Daarin wijst hij hen op de (zijns inziens) onjuistheid van hun verklaringen en op het feit dat hij advocaat is, en kondigt hij aan aangifte te doen van valsheid in geschrifte.

De factuur van 16 september 2016

4.9     Klaagster heeft, tezamen met haar dochter en haar zoon, in 2016 een kort geding aanhangig gemaakt tegen verweerder op de grond dat verweerder klaagster en haar gezin had beschuldigd van ‘oudermishandeling’ en fraude met PGB-gelden. In dit kort geding werd rectificatie van onrechtmatige beschuldigingen en uitlatingen gevorderd.

4.10     Op 7 en 9 september 2016 heeft verweerder zelf gecorrespondeerd met de voorzieningenrechter, naar aanleiding van de dagvaarding die namens klaagster aan hem was uitgebracht.

4.11     Bij brief van 14 september 2016 heeft verweerder producties overgelegd aan de voorzieningenrechter, in verband met dit kort geding.

4.12     Bij e-mail van 16 september 2016 (om 10.59 uur) aan de rechtbank heeft mr. G. het volgende geschreven

“(…) [Verweerder], Gedaagde in opgemelde kort geding procedure, heeft gisteren in de late namiddag mijn rechtsbijstand ingeroepen aangezien het de eerder door hem aangezochte raadsman niet is gelukt om diens eerder geplande zittingen toch te verschuiven. (…) Langs deze weg stel ik mij dan ook als advocaat van [verweerder] (…)”.

4.13     Op 16 september 2016 heeft om 15.30 uur bij de rechtbank de mondelinge behandeling plaatsgevonden van het kort geding.

4.14    Mr. G. heeft namens verweerder verzocht om klaagster en haar zoon en dochter hoofdelijk te veroordelen in de werkelijke proceskosten van € 7.797,15 zijnde de door mr. G. aan verweerder gedeclareerde kosten. Mr. G. heeft aan de voorzieningenrechter de desbetreffende factuur en een urenspecificatie overgelegd. In deze specificatie is vermeld dat mr. G. 1133 minuten ofwel 18,8 uren heeft besteed aan de zaak. De specificatie bij de factuur is niet voorzien van tijdstippen waarop de opgevoerde werkzaamheden zijn verricht. Wel blijkt uit de specificatie dat mr. G. op 15 september 2016 707 minuten ofwel 11,8 uren heeft gewerkt aan de zaak van verweerder. Het restant, zijnde 426 minuten ofwel 7,1 uren is op 16 september 2016 aan de zaak besteed. In totaal is daarmee volgens mr. G. 25,9 uren aan de zaak besteed.

4.15     De voorzieningenrechter heeft de vordering van klaagster bij vonnis van 3 oktober 2016 ten dele toegewezen en de proceskosten gecompenseerd. Verweerder heeft tegen het vonnis van de voorzieningenrechter hoger beroep ingesteld. Hij heeft in appel opnieuw (onder verwijzing naar de factuur van mr. G.) verzocht om een veroordeling van klaagster in de werkelijke proceskosten. Bij arrest van 20 november 2018 bepaalt ook het hof dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.16    Op 8 maart 2017 heeft klaagster een klacht ingediend tegen mr. G., onder meer gericht tegen genoemde factuur. Deze factuur is aan de orde gekomen bij een bespreking bij de Orde op 26 oktober 2017. Op 15 november 2017 heeft mr. G. aan de deken een uitgewerkte specificatie gezonden van zijn werkzaamheden op 15 en 16 september 2016. Volgens deze specificatie heeft mr. G. zijn werkzaamheden voor verweerder op 15 september 2016 om 12.00 uur aangevangen en heeft hij tot ongeveer 01.00 uur ’s nachts aan de voorbereiding van de zaak gewerkt. Op 16 september 2016 heeft mr. G. de werkzaamheden om 9.30 uur hervat en voortgezet tot de mondelinge behandeling bij de rechtbank.

4.17      Op 23 december 2017 is door verweerder het bedrag ad € 7.797,15 per bank overgemaakt op de bankrekening van mr. G.

 

5    BEOORDELING

5.1    Verweerder heeft hoger beroep ingesteld tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel (b) en het gegrond verklaarde deel van klachtonderdeel (d). Klaagster heeft hoger beroep ingesteld tegen het (ongegrond verklaarde) klachtonderdeel (c). 

klachtonderdeel (b): gebruik van algemene volmacht van dementerende moeder

5.2    Verweerder voert aan dat de raad in de bestreden beslissing (hernummering door het hof) ten onrechte het volgende heeft overwogen:

“5.2.1 Ten aanzien van het gebruik van de algemene volmacht van de moeder van klaagster, heeft de raad in de klachtzaak tussen de zoon van klaagster en mr. G. in de beslissing d.d. 11 december 2017 (zaak 16-411/DH/DH;ECLI:NL:TADRSGR:2017:251) overwogen dat het gelet op het feit dat vast stond dat de moeder van verweerder dementerend was op het moment dat de procedure door mr. G. namens haar gestart werd, onzorgvuldig was van mr. G. om op de eerder door haar afgegeven algemene volmacht af te gaan zonder haar daar nog over te spreken. Mr. G. had deze volmacht met het oog op de door hem te entameren procedure van verweerder verkregen.

5.2.2 Verweerder is in deze procedure weliswaar niet zelf als advocaat opgetreden, maar ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden en dient hij zich zodanig te gedragen dat het vertrouwen in de advocatuur niet wordt geschaad. Volgens vaste rechtspraak zijn privégedragingen van een advocaat slechts dan van tuchtrechtelijk belang indien er voldoende aanknopingspunten zijn met de praktijkuitoefening om de daarvoor geldende maatstaven toe te passen (a) dan wel de gedraging van een advocaat in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd moet worden geacht (b).

5.2.3 Naar het oordeel van de raad is voldaan aan het onder (a) genoemde criterium. Verweerder treedt de ene keer op als advocaat en de andere keer in privé-hoedanigheid, waardoor het niet altijd goed mogelijk is zijn hoedanigheid in het specifieke geval te onderscheiden. Temeer niet nu hij in privéaangelegenheden (zelfs) brieven schrijft als advocaat en op papier van zijn kantoor. Door de volmacht aan mr. G. ter beschikking te stellen met het oogmerk deze te laten gebruiken, heeft verweerder naar het oordeel van de raad verwijtbaar onzorgvuldig gehandeld en is zijn handelwijze schadelijk voor het vertrouwen in de advocatuur en in zijn eigen beroepsuitoefening (gedragsregel 1 oud). De raad acht dit klachtonderdeel gegrond.”

5.3    Verweerder voert met zijn eerste grief aan dat dit oordeel onjuist is, omdat hij in de PGB-zaak niet als advocaat, maar in privé is opgetreden. Verweerder heeft de volmacht bovendien niet aan mr. G. ter beschikking gesteld met het oogmerk om deze te laten gebruiken. De algemene volmacht verlening aan hemzelf en een zus heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een familieberaad, waarna zij de volmacht hebben afgegeven aan mr. G. Het was mr. G. die de volmacht uit eigen beweging heeft getoond tijdens de mondelinge behandeling op 19 november 2014, nadat verweerders vertegenwoordigingsbevoegdheid door klaagster en haar zoon ter discussie werd gesteld. Daarnaast betoogt verweerder dat niet vast staat dat de volmacht ongeldig is (geweest), nu het gerechtshof slechts heeft geoordeeld dat de rechtsgeldigheid van de afgegeven notariële volmacht aan (ernstige) twijfel onderhevig is. Verweerder mocht er verder op vertrouwen dat de notaris zich van de wilsbekwaamheid van zijn moeder had vergewist. Dat een klinisch geriater heeft vastgesteld dat zijn moeder sinds 2010 aan cognitieve stoornissen lijdt, impliceert verder niet dat ze in 2014 dermate dementerend zou zijn, dat ze niet voldoende wilsbekwaam zou zijn geweest om een algemene volmacht te verstrekken. Voor zover verweerder al onzorgvuldig is geweest, is dat niet van dien aard dat het vertrouwen in de advocatuur en zijn eigen beroepsuitoefening is  geschaad.  

5.4    Het hof stelt vast dat de raad onder 5.2.2 de juiste maatstaf heeft toegepast. Met de raad is het hof van oordeel dat de hoedanigheden van verweerder voortdurend door elkaar lopen. Verweerder was ermee bekend dat zijn moeder aan (gevorderde) dementie leed, maar heeft zich hierdoor niet laten weerhouden om als advocaat namens zijn moeder een procedure voor te bereiden tegen klaagster en haar zoon (te weten moeders dochter en kleinzoon) en een concept dagvaarding op te stellen. Op enig moment heeft verweerder de zaak overgedragen aan mr. G. Op 7 november 2014 is bewerkstelligd dat verweerders moeder een algemene volmacht verleende aan verweerder en zijn zus, welke zij vervolgens hebben verstrekt aan mr. G. Mr. G. heeft daarop namens verweerder op 7 november 2014 een dagvaarding in kort geding laten uitbrengen, waarin nota bene de kwetsbare geestestoestand van verweerders moeder expliciet wordt beschreven. Mr. G. heeft deze volmacht in de procedure overgelegd ten behoeve van de mondelinge behandeling op 19 november 2014, in aanwezigheid van verweerder, en vervolgens opnieuw overgelegd in de appelprocedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Gelet op het voorgaande ziet het hof een duidelijke verwevenheid tussen verweerders gedragingen en zijn praktijkuitoefening als advocaat, waarbij verweerder, ook na de (formele) overdracht van de zaak aan mr. G., steeds intensief betrokken is geweest bij de op naam van zijn dementerende moeder gevoerde procedure. Verweerders betrokkenheid betekent, naar het hof aanneemt, dat verweerder ook bekend was met het overleggen van de volmacht, en daartoe mogelijk zelfs aan mr. G. opdracht gaf. Dat deed verweerder, wetende van de kwetsbare geestestoestand van zijn moeder. Er zijn daarom voldoende aanknopingspunten met verweerders praktijkuitoefening om de daarvoor geldende maatstaven toe te passen als bedoeld in het onder 5.2.2 opgenomen criterium onder (a).  

5.5    Het hof rekent verweerder de hiervoor uiteengezette handelswijze zwaar aan als advocaat. Zoals het hof eerder heeft overwogen [zie ECLI:NL:TAHVD:2014:148, ECLI:NL:TAHVD:2018:50 en dient een advocaat bij psychisch kwetsbare cliënten de grootst mogelijke zorgvuldigheid te betrachten. Vast staat, dat verweerder alle reden had om (minstgenomen) ernstig te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van zijn moeder. Verweerder was bekend met haar psychische kwetsbaarheid en had zich daarom niet zomaar mogen verlaten op een al dan niet gemaakte inschatting van wilsbekwaamheid door de notaris. Dat verweerders andere zus eveneens als gemachtigde werd aangewezen in de algemene volmacht, is in dit verband niet relevant. Juist als advocaat moet verweerder de zwaarte en verstrekkendheid van een dergelijke algemene volmacht zeer goed hebben overzien. Dat verweerder op het laatste moment de zaak alsnog heeft overgedragen aan een (andere) advocaat, doet aan het voorgaande niet af, te meer nu verweerder nadien nauw betrokken is gebleven bij de procedure. Door zich te verschuilen achter mr. G.  bagatelliseert verweerder zijn eigen (prominente) rol in de desbetreffende procedure en miskent hij zijn verantwoordelijkheid als advocaat. Voor zover nog niet in rechte is komen vast te staan dat de algemene volmacht ongeldig is, zoals verweerder betoogt, laat dit onverlet  dat verweerder, zoals opgemerkt, alle reden had om ernstig te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van zijn moeder. Verweerder had daarom in de gegeven omstandigheden geen procedure namens haar mogen (laten) starten, met gebruikmaking van de algemene volmacht.  

5.6    Het hof acht de hiervoor geschetste handelswijze van verweerder, waarbij tegen beter weten in gebruik is gemaakt van een volmacht van een kwetsbare demente bejaarde vrouw om op haar naam een procedure te kunnen voeren in een familievete, zeer onzorgvuldig en laakbaar, en in strijd met de kernwaarde integriteit. Verweerders handelswijze is naar het oordeel van het hof schadelijk voor het vertrouwen in de advocatuur en verweerders eigen beroepsuitoefening.

5.7    Gelet op het vorenstaande faalt de eerste grief.    

klachtonderdeel (d): gebruik van een valselijk opgemaakte factuur

5.8    De raad heeft hieromtrent (hernummering door het hof) overwogen:

“5.8.1 Tevens verwijt klaagster verweerder dat hij in de procedure tegen haar een valse factuur heeft opgevoerd van mr. G., teneinde haar veroordeeld te laten worden in de werkelijke kosten van de procedure. Verweerder heeft ten verwere aangevoerd in deze procedure niet als advocaat te zijn opgetreden maar als partij en dat mr. G. de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de behandeling van de zaak en bepleit primair niet-ontvankelijkheid van klaagster in dit onderdeel van haar klacht.

5.8.2    De raad passeert dit verweer en acht klaagster ontvankelijk. Gedragsregel 9 (oud) legt weliswaar op de advocaat de volledige verantwoordelijkheid voor de behandeling van de zaak maar bepaalt ook dat de advocaat geen handelingen mag verrichten tegen de kennelijke wil van de cliënt. Gelet op deze regel moet het er naar het oordeel van de raad voor gehouden worden dat de vordering tot vergoeding van volledige proceskosten en de onderbouwing ervan zijn ingediend met de instemming van verweerder. Dat heeft tot gevolg dat, juist in deze zaak waarin de hoedanigheden waarin verweerder optreedt (privé of als advocaat) aanhoudend door elkaar lopen, het aan mr. G. gemaakte verwijt aangaande de valselijk opgemaakte factuur ook verweerder treft. Enerzijds omdat zijn hoedanigheden door elkaar lopen en hij als advocaat had kunnen weten hoe het met de door mr. G. in het geding gebrachte factuur zat, anderzijds omdat hij geacht moet worden aan mr. G. zijn instemming te hebben verleend met het in het geding brengen van die factuur. De vordering tot veroordeling in de werkelijke proceskosten is immers zijn vordering. Dat klaagster bij dit klachtonderdeel een belang heeft, is evident. Het enkele feit dat de vordering tot veroordeling in de werkelijke proceskosten is afgewezen, maakt dat niet anders.

5.8.3   De raad acht – mede gelet op het vorenstaande – het klachtonderdeel onder verwijzing naar zijn beslissingen van 18 juni 2018 naar aanleiding van de klachten van klaagster (zaak 17-772/DH/DH; ECLI:NL:TADRSGR:2018:123) en de deken (zaak 18-002/DH/DH/D; ECLI:NL:TADRSGR:2018:124) tegen mr. G., ook gegrond. De raad heeft in deze beslissingen ten aanzien van de factuur in kwestie geoordeeld dat deze door mr. G. onwaarachtig is opgesteld met als primaire doel het benadelen van klaagster, en dat tuchtrechtelijk verwijtbaar geacht. In het licht van hetgeen hiervoor [5.2.2, 5.2.3 en 5.9.2] werd overwogen, heeft verweerder door het in een privéaangelegenheid door zijn advocaat in het geding laten brengen van deze factuur gehandeld op een wijze die schade toebrengt aan het vertrouwen in de advocatuur en in zijn eigen beroepsuitoefening. Aan het onder [5.2.2] onder (a) genoemde criterium is derhalve voldaan.”

5.9    Naar aanleiding van hetgeen in appel (aanvullend) naar voren is gebracht door partijen, overweegt het hof als volgt.

5.10    Verweerder voert met zijn tweede grief aan dat het oordeel van de raad onder r.o. 5.8.2 onjuist is, omdat niet vast staat dat mr. G. uren zou hebben gedeclareerd die niet aan de zaak zijn besteed. Dit zou in een civielrechtelijke procedure moeten worden vastgesteld en de tuchtrechter heeft niet de bevoegdheid om over dergelijke declaratiegeschillen te beslissen. De raad heeft volgens verweerder verder ten onrechte geoordeeld dat hij geweten zou hebben dat het door mr. G. gefactureerde aantal werkuren nooit met de werkelijkheid kon stroken. Verweerder voert aan dat het niet met de hem bekende feiten strookt dat mr. G. pas rond 16.00 uur begonnen zou zijn met zijn werkzaamheden. Bovendien leek het in rekening gebrachte bedrag ad € 7.797,15 verweerder volstrekt geloofwaardig en acceptabel en hij heeft dit bedrag dan ook voldaan.

5.11     Het hof merkt op dat de tuchtrechter bevoegd is om declaraties van advocaten te beoordelen, waarbij het hof zich beperkt tot een marginale toets van de declaratie (excessiviteit). Bij de beoordeling of er sprake is van excessief declareren, gaat het om de verhouding tussen het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden. In het onderhavige geval staat echter niet de vraag centraal of sprake is geweest van excessief declareren, maar of verweerder betrokken is geweest bij het valselijk opmaken van een declaratie teneinde financieel nadeel (of het dreigen daarmee) voor klaagster te bewerkstelligen.  

5.12    Het hof overweegt verder dat het betalen van een factuur op zichzelf genomen geen bewijs vormt voor de juistheid van een factuur, zeker niet nu voor de factuur een proceskostenvergoeding naar werkelijke kosten is gevorderd als gevolg waarvan (bij toewijzing) verweerder de kosten volledig kon doorbelasten aan klaagster. Alsdan is er voor verweerder geen aanleiding voor betwisting. Het hof acht daarbij voorts van belang, dat de factuur – ondanks de daarop vermelde betalingstermijn van zeven dagen - pas vijftien maanden later is betaald, eerst nadat het mr. G.  duidelijk is geworden dat de factuur onderdeel uitmaakt van de tuchtklacht van klaagster en in dat kader aan de orde is geweest bij een bespreking bij de deken op 26 oktober 2017. Pas daarna heeft mr. G. een urenspecificatie opgesteld en overgelegd. Zonder deugdelijke motivering voor dit tijdsverloop, welke ontbreekt (ook in hoger beroep, terwijl ook de raad op dit tijdsverloop heeft gewezen), acht het hof aannemelijk dat de factuur slechts diende om (in afschrikwekkende zin) gebruikt te worden in de procedure van verweerder. Het hof merkt in dit verband op dat als bij vonnis in eerste aanleg het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen, betaling door verweerder nog uitblijft. Pas nadat in het kader van een tuchtklacht de factuur weer aan de orde werd gesteld en er zijdens de deken indringende vragen over werden gesteld, is de factuur (alsnog) betaald.

5.13    Uit het voorgaande (tijdsverloop en bijkomende omstandigheden) leidt het hof af dat de factuur slechts is opgemaakt om aan klaagster (middels een proceskostenveroordeling) in rekening te brengen, dat daartoe de factuur tot een kunstmatig opgehoogd bedrag is vastgesteld, en dat voldoening van de factuur pas aan de orde was als de doorbelasting aan klaagster zou slagen. Na het (afwijzend) vonnis in eerste aanleg is de betaling dan ook uitgebleven, maar nog voordat in hoger beroep over de proceskostenveroordeling is beslist werd (desondanks) betaald, naar het hof aanneemt als gevolg van de indringende vragen van de deken.

5.14    Het hof gaat met de raad uit van hetgeen door mr. G. in zijn stelbrief aan de voorzieningenrechter is opgenomen, zijnde dat hij (eerst) in de late namiddag [onderstreping door het hof] van 15 september door verweerder is benaderd. In de door mr. G. opgestelde urenspecificatie wordt uitgegaan van 12.00 uur als aanvangstijdstip, zodat reeds daaruit volgt dat mr. G. de urenverantwoording onjuist heeft opgemaakt. Dat er sprake is van een fout of vergissing, acht het hof niet aannemelijk. Het hof merkt op dat een advocaat zich in de regel (om processuele redenen) zo spoedig als mogelijk zal stellen. Alsdan ligt het moment dat verweerder de bijstand van mr. G. heeft ingeroepen dichter bij het opstellen van de stelbrief (op 16 september tussen 10.00 en 11.00 uur volgens de urenspecificatie) dan bij het gestelde aanvangstijdstip van 12.00 uur op 15 september 2016. Dit vormt een bevestiging voor de conclusie dat verweerder zich (eerst) in de late namiddag van 15 september heeft gemeld bij verweerder.

5.15    Zoals ook door de raad is vastgesteld, kunnen de aard en omvang van de door mr. G. te verrichten werkzaamheden (feitelijk en juridisch niet complex, waarbij het meest tijdrovende voorbereidende werk reeds is verricht door verweerder, die een ervaren advocaat is) geen grondslag zijn voor de door hem opgestelde en ingediende urenspecificatie. Het hof wijst er voorts op dat de door mr. G. gestelde inspanningen (en de daarop gebaseerde factuur) niet tot enig zichtbaar resultaat hebben geleid, anders dan het door mr. G. slechts op een enkel ondergeschikt punt aanpassen van de door verweerder reeds opgestelde pleitnota, waarbij de taalkundige fouten in de door mr. G. doorgevoerde correcties direct in het oog springen.

5.16    Genoemde feiten en omstandigheden, op zichzelf en in onderling verband bezien, leiden tot de conclusie dat de door mr. G. gestelde werkzaamheden niet de door hem gestelde tijdsbesteding rechtvaardigen. De door hem opgestelde urenspecificaties geven dan ook geen juist beeld van de werkelijkheid (er worden voor een substantiële omvang niet gemaakte uren opgevoerd) en zijn derhalve valselijk opgemaakt.

Hetzelfde heeft alsdan te gelden voor de op de urenspecificaties gebaseerde factuur aan verweerder. Ook deze factuur is daarmee valselijk opgemaakt. Dat vindt bevestiging in het eerst na lange tijd betalen van de ontvangen factuur, waarbij het hof aannemelijk acht dat deze factuur eerst is betaald na het indienen van de klacht en het dekenbezwaar met als (enig) doel om (achteraf) als onderbouwing van de juistheid van de factuur te dienen. In dit verband is van belang dat de door mr. G. opgestelde (valse) factuur door hem is gebruikt bij de zitting van de rechtbank, met als doel om klaagster te laten veroordelen in de (werkelijke) kosten. Alsdan is de factuur aangewend om financieel nadeel (of het dreigen daarmee) voor klaagster te bewerkstelligen. Dat uiteindelijk de vordering tot vergoeding van de werkelijke kosten door de rechter is afgewezen, doet daar niet aan af omdat dit wel werd nagestreefd en afwijzing van deze vordering ten tijde van het indienen (uit de aard der zaak) nog niet bekend was en evenmin voorzienbaar.

5.17    Dit handelen door mr. G. is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het hof heeft een klacht en het dekenbezwaar (die onder meer zien op bedoelde factuur) tegen mr. G. op dezelfde dag behandeld als de onderhavige klacht, en heeft op deze klacht en dit dekenbezwaar overeenkomstig geoordeeld. Het hof verwijst naar de desbetreffende beslissingen van 19 augustus 2019.

5.18     Het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van mr. G. is ook verweerder toe te rekenen. Met de raad gaat het hof ervan uit dat de vordering van verweerder tot vergoeding van volledige proceskosten en de onderbouwing ervan, zijn ingediend met instemming van verweerder. Het betreft immers de vordering van verweerder zelf. Verweerder heeft ook (zij het, zoals besproken, veel later) de factuur aan mr. G. voldaan en ter zitting herhaald dat hij het bedrag redelijk vond terwijl hij (als zelfstandig opsteller van de dagvaarding en de concept-pleitnota en indiener van producties) als ervaren advocaat zich er als geen ander van bewust was dat de factuur valselijk was opgemaakt omdat niet gemaakte uren werden gedeclareerd. Het verwijt aan mr. G. inzake het valselijk opmaken van de factuur van 16 september 2016 om financieel nadeel (of het dreigen daarmee) voor klaagster te bewerkstelligen, treft derhalve ook verweerder. Hetgeen overigens in appel is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

5.19    Gelet op het vorenstaande treft ook de tweede grief geen doel.

klachtonderdeel (c): onnodig grievende uitlatingen?

5.20    Klaagster voert aan dat de raad in de bestreden beslissing onder r.o. 5.5 ten onrechte het volgende heeft overwogen:

“5.5    Ook bij de beoordeling van dit klachtonderdeel speelt een rol dat het niet altijd goed mogelijk is te onderscheiden of verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat optreedt, of in privé. Blijkens de zich in het dossier bevindende stukken heeft verweerder zich in zijn hoedanigheid van advocaat per e-mail gewend tot een broer (productie 11 bij repliek) en per brief gericht tot twee getuigen (producties 20 en 21 bij repliek), terwijl het ging om een procedure waarin verweerder in privé procespartij was. In die e-mail kondigt verweerder aan geen contactpersoon voor de moeder meer te zijn. In die brieven verwijt hij de getuigen valse verklaringen te hebben afgelegd. Grievende uitlatingen over klaagster bevatten deze e-mail en deze brieven naar het oordeel van de raad echter niet. Alle overige op dit klachtonderdeel betrekking hebbende stukken betreffen uitlatingen van verweerder in privé en klaagster heeft onvoldoende onderbouwd waarom het vertrouwen in de advocatuur daardoor wordt geschaad. De raad kan gelet hierop niet vaststellen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zich onnodig grievend over klaagster uit te laten. Dit klachtonderdeel is ongegrond.”

5.21    Klaagster voert aan dat de raad in de bestreden beslissing ten onrechte heeft geoordeeld dat verweerder – in zijn hoedanigheid van advocaat – in de door hem verzonden e-mail aan een broer en twee brieven aan getuigen geen grievende uitlatingen zou hebben gedaan over klaagster. Klaagster acht deze beslissing onjuist en wijst op de impact van deze uitlatingen op haarzelf en haar gezin. Ook verwijst klaagster naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 oktober 2016 naar aanleiding van haar eis tot rectificatie door verweerder, die de door verweerder geuite beschuldiging van oudermishandeling heeft gekwalificeerd als ‘uiterst diffamerend’ voor klaagster en zijn beschuldiging inzake fraude met PGB-gelden onrechtmatig jegens klaagster.  

5.22    Het hof stelt vast dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 20 november 2018 het vonnis van de voorzieningenrechter van 3 oktober 2016 heeft vernietigd en de vorderingen van klaagster heeft afgewezen. Het gerechtshof heeft daarbij een afweging gemaakt tussen twee fundamentele rechten; het recht op vrije meningsuiting van verweerder versus het recht op bescherming van de eer en goede naam van klaagster. Het hof heeft dienaangaande onder meer overwogen dat de uitlatingen inzake oudermishandeling in een beperkte kring van personen zijn gedaan en dat het, in het licht van de ernst van de beschuldigingen, van belang is dat verweerder zich als procespartij in de bewindvoerdersprocedure vrij moet kunnen uiten. Ten aanzien van de uitlatingen van verweerder inzake misbruik van PGB-gelden heeft het gerechtshof overwogen dat deze voldoende steun vinden in het toen voor verweerder beschikbare feitenmateriaal en dat klaagster heeft geweigerd verweerder inzage te geven in de PGB-administratie, zodat verweerder zijn bevindingen niet verder heeft kunnen onderbouwen.

5.23    Anders dan de raad is het hof van oordeel dat alle op dit klachtonderdeel betrekking hebbende stukken zijn verbonden met verweerders praktijkuitoefening. Zoals hiervoor  overwogen, lopen de hoedanigheden van verweerder voortdurend door elkaar. Diverse  stukken met aantijgingen aan het adres van klaagster zijn verzonden op briefpapier van verweerders advocatenkantoor dan wel vanaf de e-mailaccount van zijn advocatenkantoor, verweerder gebruikt hierin zijn statuur als advocaat om mensen te intimideren (‘U weet ook dat ik advocaat ben’) en kondigt juridische stappen aan. De hierin opgenomen uitlatingen van verweerder, welke volgens klaagster als onnodig grievend moeten worden aangemerkt, betreffen daarom het handelen van een advocaat van een wederpartij. Uitgangspunt hiervoor is dat aan die advocaat een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt (in dit geval verweerders eigen belangen) te behartigen op een wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beknot, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad.

5.24    Aan klaagster kan worden toegegeven dat de uitlatingen van verweerder scherp zijn, en het hof acht aannemelijk dat zij hierdoor onaangenaam werd getroffen. De gewraakte uitlatingen vallen naar het oordeel van het hof, gelet op de gegeven omstandigheden zoals uiteengezet onder randnummer 5.22, echter binnen de toegestane bandbreedte van verweerders (partijdige) optreden.

5.25    Gelet op het vorenstaande treft klaagsters grief geen doel.

Maatregel 

5.26    Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van de tuchtrechtelijk te verwijten gedragingen, met een schorsing in de uitoefening van de praktijk van slechts twee weken niet kan worden volstaan. De integriteit van een advocaat is een belangrijke, zo niet de belangrijkste kernwaarde van de advocatuur. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij die waarde beschermt, zich van die waarde voortdurend bewust is en dat hij zijn handelwijze afstemt op het voorkomen van twijfel daarover en dus op het voorkomen van twijfel aan de eerlijkheid en oprechtheid van zijn handelen. De handelwijze van verweerder zoals vastgesteld door het hof ter zake van klachtonderdelen (b) en (d) is een grove schending van deze kernwaarde. Daarbij heeft het hof ook het omvangrijke tuchtrechtelijk verleden van verweerder (zoals ter zitting aan hem voorgehouden) in aanmerking genomen.

5.27    Naar het oordeel van het hof is bij de praktijkvoering en handelwijze door verweerder sprake van zowel  structurele fouten als van fundamentele verzuimen, waardoor de belangen van derden zijn geschaad. Hoewel verweerder in het verleden vele malen met de tuchtrechter in aanraking is gekomen in verband met een grote variëteit aan klachten, en aan verweerder in dit verband meermaals (al dan niet voorwaardelijke) schorsingen zijn opgelegd, heeft hij daarvan kennelijk niet geleerd. Daarom zal voor een beduidend langere termijn, namelijk twaalf maanden schorsing in de uitoefening van de praktijk worden opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De beslissing van de raad zal, wat de opgelegde maatregel betreft, worden vernietigd en voor het overige worden bekrachtigd.        

Volledigheidshalve merkt het hof op dat in de onderhavige procedure geen vordering tot  tenuitvoerlegging van de hiervóór genoemde (eerder opgelegde) voorwaardelijke schorsingen aan de orde is (gesteld).

Kostenveroordeling

5.28    Omdat het hof de beslissing van de raad gedeeltelijk bekrachtigd en een maatregel oplegt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten in hoger beroep:

a)    € 0,-- reiskosten aan klaagster;

b)    € 1000,-- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten. 

5.29    Verweerder moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, en artikel 48aa, tweede tot en met vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 1000,-- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline” en het zaaknummer.

 

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- vernietigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 30 juli 2018, gewezen in de zaak 18-040/DH/DH, voor zover aan verweerder is opgelegd de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van twee weken; 

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- legt aan verweerder op de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt; 

- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de Raad van Discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;

- bepaalt dat het onvoorwaardelijk gedeelte van de schorsing in de uitoefening van de praktijk ingaat op 23 september 2019, met dien verstande dat:

    - de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen;

    - verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat;

    - de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven.

- bekrachtigt de beslissing van de raad voor het overige voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1000,-- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald.

 

Aldus gewezen door mr. A.M. van Amsterdam, voorzitter, mrs. M.L. Weerkamp, I.P.A. van Heijst, G.C. Endedijk en R. Verkijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. V.H. Wagner, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2019.

griffier    voorzitter                           

De beslissing is verzonden op 19 augustus 2019.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens