Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSHE:2019:85 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-924 DB/LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2019:85
Datum uitspraak: 27-05-2019
Datum publicatie: 29-05-2019
Zaaknummer(s): 18-924 DB/LI
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Verweerster heeft in voldoende mate geverifieerd of zijdens de vrouw sprake was van een consistente wens tot echtscheiding en is niet op lichtvaardige wijze overgegaan tot het in opdracht van haar cliënte opstarten van de echtscheidingsprocedure. Van een polariserende aanpak, onnodige procedures en het bewust verkondigen van onwaarheden is niet gebleken. Klacht ongegrond. Voor zover klager klaagt over de met verweersters dienstverlening samenhangende kosten komt hem geen klachtrecht toe en is de klacht niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort  ’s-Hertogenbosch

van  27 mei  2019

in de zaak 18-924/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

                   klager

                   tegen:

                   verweerster

1          Verloop van de procedure

1.1      Bij e-mail d.d. 6 juni 2018 heeft klager  bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg een klacht ingediend tegen verweerster.

1.2      Bij e-mail aan de raad van 22 november 2018 met kenmerk nr. K18-057 heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3      De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 1 april 2019. Verschenen zijn klager en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde mr. W. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4      De raad heeft kennis genomen van:

-       het hierboven genoemde e-mailbericht van de deken en de daaraan gehechte stukken;

-       de e-mail van verweersters gemachtigde d.d. 28 november 2018;

-       de e-mail met bijlagen van verweerster d.d. 10 december 2018;

-       de e-mail met bijlagen van verweersters gemachtigde d.d. 5 maart 2019.

2        Feiten

2.1     Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, van de volgende feiten uitgegaan:

2.2     Verweerster is de advocaat van de ex-echtgenote (hierna: “de vrouw”) van klager. Verweerster heeft op 12 december 2017 een melding in het kader van het BOPZ-piket ontvangen, waarna zij de vrouw heeft bezocht in instelling de M, waar de vrouw was opgenomen. Verweerster heeft de vrouw bezocht en gesproken op 12, 14, 18 en 27 december 2017. De vrouw gaf bij verweerster aan dat zij wilde scheiden, hetgeen de vrouw bij e-mail d.d. 15 december 2017 aan verweerster heeft bevestigd. In deze e-mail heeft de vrouw tevens melding gemaakt van het feit dat zij het vermoeden had te zijn vergiftigd door klager.

2.3     De vrouw had zich reeds eerder tot een andere advocaat, mr. N, gewend in verband met haar wens te scheiden. In dat verband heeft mr. N op 15 november 2015 een brief gestuurd aan klager, waarbij mr. N aan klager heeft medegedeeld:

          “(…) Sinds een aantal jaren heeft cliënte de gefundeerde vrees vergiftigd te worden. Zij heeft onlangs een haarmineraalanalyse laten maken waaruit blijkt dat er een verhoogd titaangehalte, calciumgehalte, kaliumgehalte en bariumgelhalte in haar lichaam aanwezig is.

          Cliënte is van mening dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en zij heeft mij verzocht een echtscheidingsprocedure bij de Rechtbank Limburg (…) te entameren. (…)

          Teneinde de hoogte van de alimentatie te bepalen verzoek ik u mij de gegevens met betrekking tot uw inkomen te doen toekomen. (…) .

2.4     Bij brief d.d. 20 november 2017 heeft klager mr. N geschreven:

          “Ik wil u op de hoogte brengen van het feit dat mijn vrouw aan een mentale ziekte lijdt (…) Deze ziekte maakt helaas dat zij niet geheel toerekeningsvatbaar is (…) sinds uw brief d.d. 15 november heb ik een e-mail ontvangen van mijn vrouw d.d. 17 november alsook een mondelinge uitspraak van gisteren dat ze niet wil scheiden. Ik zal dus niet op uw verzoek ingaan om mijn inkomensgegevens door te geven. (…)”

2.5     Op 19 december 2017 heeft verweerster mr. N verzocht om het echtscheidingsdossier aan haar over te dragen, hetgeen mr. N op 28 december 2017 heeft gedaan. Op 28 december 2017 heeft verweerster ter zake haar bijstand in de voorlopige voorzieningen procedure voor de vrouw een toevoegingsaanvraag ingediend, die op 15 januari 2018 is toegewezen. Verweerster heeft de vrouw in de voorlopige voorzieningenprocedure bijgestaan op basis van een toevoeging. Vanaf het moment dat de vrouw alimentatie ontving heeft verweerster haar werkzaamheden verricht op basis van een uurtarief. 

2.6     De voorlopige voorzieningenprocedure is op 30 december 2017 aanhangig gemaakt. Verweerster heeft de rechtbank namens de vrouw verzocht om het gebruik van de echtelijk woning toe te kennen aan klager en een gebruiksvergoeding te bepalen, alsmede te bepalen dat klager een bedrag van € 3.900,-- per maand aan alimentatie moest voldoen.

2.7     Op 17 januari 2018 heeft verweerster namens de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend. Klager heeft zich voor rechtsbijstand gewend tot mr. S, advocaat. Op 23 januari 2018 heeft de vrouw verweerster verzocht om het echtscheidingsverzoek in te trekken, hetgeen verweerster op 24 januari 2018 heeft gedaan. Vervolgens heeft klager een verzoek tot echtscheiding ingediend, waartegen verweerster namens de vrouw verweer heeft gevoerd.

2.8     Op 6 februari 2018 heeft de vrouw bij de politie tegen klager aangifte gedaan van mishandeling. Klager heeft daarna aangifte gedaan tegen de vrouw. De vrouw is naar aanleiding daarvan op 4 april 2018 aangehouden en in verzekering gesteld. Op 12 april 2018 heeft de rechtbank de vordering tot gevangenhouding afgewezen en de voorlopige hechtenis per direct opgeheven. Vervolgens heeft de vrouw op 25 april 2018 tegen klager aangifte gedaan wegens het doen van valse aangifte. De beide aangiftes van de vrouw hebben niet geleid tot strafrechtelijke vervolging van klager omdat het OM de zaken heeft geseponeerd.

2.9     Verweerster heeft op 23 maart 2018 conservatoir maritaal beslag doen leggen op de echtelijke woning en op 27 maart 2018 conservatoir derdenbeslag doen leggen onder Philips ter zake een aan klager toekomende transitievergoeding. Klagers advocaat heeft verweerster bij e-mail d.d. 18 april 2018 verzocht om het beslag op te heffen. Vervolgens heeft klagers advocaat in kort geding opheffing van de gelegde beslagen gevorderd. Bij kort geding vonnis d.d. 1 mei 2018 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het conservatoir beslag op de woning per direct moest worden opgeheven. Bij kort geding vonnis d.d. 16 mei 2018 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het conservatoir derdenbeslag op de transitievergoeding niet vexatoir was, maar wel onnodig, zodat het beslag per direct moest worden opgeheven.   

2.10   Bij e-mail d.d. 4 mei 2018 heeft verweerster de advocaat van klager bericht dat de vrouw bereid was om een minnelijke regeling tot stand te brengen en heeft zij de advocaat van klager verzocht om met een voorstel te komen. Bij e-mail d.d. 22 mei 2018 heeft klagers advocaat een voorstel gedaan aan verweerster. De vrouw heeft dit voorstel niet geaccepteerd. Er is geen minnelijke regeling tot stand gekomen.

3       KLACHT

3.1     De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij :

1.         de vrijheid van haar handelen heeft overschreden;

2.         niet de zorg in acht heeft genomen die zij in acht had behoren te nemen tegenover een wederpartij;

3.         bewust feitelijke gegevens heeft verstrekt waarvan zij weet dat die onjuist zijn.

                          3.2    Toelichting

                 De vrouw had zware mentale problemen en op het moment dat verweerster de zaak in behandeling nam was de vrouw gedwongen opgenomen in een psychiatrische inrichting. Verweerster is, zonder overleg met de medische staf, afgegaan op de mededeling van de vrouw dat zij wilde scheiden. Dit was echter slechts een opwelling. Vervolgens is verweerster teveel meegegaan in de waanbeelden van de vrouw. Verweerster heeft onnodige procedures opgestart, waardoor onnodige kosten zijn gemaakt en heeft klager en diens advocaat geschoffeerd. Verweerster heeft van meet af aan voor een sterk polariserende en keiharde aanpak van de zaak gekozen terwijl daar geen aanleiding voor was. Verweerster heeft zich over de rug van een mentaal zieke vrouw verrijkt en de door verweerster veroorzaakte problemen, zoals een strafrechtelijke vervolging van de vrouw en geldproblemen bij de vrouw, zijn verweerster zwaar aan te rekenen en waren nergens voor nodig.

                          4        VERWEER

                          4.1     Klager maakt zich zorgen over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerster en de met haar dienstverlening samenhangende kosten. Klager heeft echter geen persoonlijk belang bij zijn klacht en is daarom niet-ontvankelijk. Verweerster heeft de vrouw in de voorlopige voorzieningenprocedure bijgestaan op basis van een toevoeging en daarna, vanaf het moment dat de vrouw alimentatie ontving, op basis van een gereduceerd uurtarief.

                          4.2     Verweerster heeft naar eer en geweten gehandeld. De vrouw had geen psychiatrische stoornis, maar een persoonlijkheidsstoornis en was in staat om haar wil te bepalen. De vrouw was compos mentis. Vanuit de M was geen beschermingsmaatregel aangevraagd, de vrouw kreeg steeds meer vrijheden en de vrouw heeft zelfs enkele weken vrijwillig in de instelling verbleven. Verweerster heeft gesproken met de behandelend arts, de vrouw was helder, sprak coherent en had haar wens tot echtscheiding reeds ruim voordat zij werd opgenomen overgebracht aan mr. N, die de echtscheidingsprocedure al in gang had gezet. De verklaringen van de vrouw over de mishandeling en de vergiftiging kwamen op verweerster niet ongeloofwaardig over.  De vrouw had geen financiële middelen tot haar beschikking en was bang dat klager naar het buitenland zou vertrekken. Klager was niet bereid om medewerking te verlenen en wilde zijn alimentatieverplichtingen niet nakomen, zodat verweerder niet anders kon dan namens de vrouw procedures opstarten. Deze procedures waren niet onnodig en de daarmee samenhangende kosten evenmin. Verweerster heeft geen ongebruikelijke werkzaamheden verricht in het kader van een echtscheidingszaak. In het kort geding vonnis d.d. 16 mei 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat de beslagen niet vexatoir waren.  Verweerster heeft geen onwaarheden verkondigd en heeft klager en diens advocaat niet geschoffeerd.  Verweerster heeft geprobeerd de zaak in der minne op te lossen, maar dat is niet gelukt.

                           5        BEOORDELING

5.1     De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerster in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij. De raad overweegt dat de advocaat van de wederpartij een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

5.2     De klachtonderdelen 1, 2 en 3 hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Uit de aan de raad overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat verweerster meerdere gesprekken met de vrouw heeft gevoerd en dat zij zich heeft laten informeren door de medische staf en mr. N. De raad is van oordeel dat verweerster aldus in voldoende mate heeft geverifieerd of zijdens de vrouw sprake was van een consistente wens tot echtscheiding en dat zij niet op lichtvaardige wijze is overgegaan tot het in opdracht van haar cliënte opstarten van de echtscheidingsprocedure.

5.3     Klager heeft voorts gesteld dat verweerster een polariserende aanpak heeft gehanteerd en onnodige procedures heeft gevoerd. Voorop staat dat de advocaat bij de behandeling van een zaak de leiding heeft en vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid dient te bepalen met welke aanpak van zaken de belangen van zijn cliënt het beste zijn gediend.  De raad overweegt voorts dat de advocaat in familiekwesties als de onderhavige in het algemeen moet waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden. In dat verband mag van een advocaat een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar redelijke verwachting als kwetsend zal ervaren, alsmede in het entameren van procedures.

5.4     De raad is op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht van oordeel dat verweerster – op basis van de informatie die haar cliënte aan haar had verstrekt en in het kader van de behartiging van de belangen van haar cliënte – mocht overgaan tot het entameren van gerechtelijke procedures. Verweerster mocht naar het oordeel van de raad uit de schriftelijke reactie van klager aan mr. N afleiden dat deze niet bereid was om op enigerlei wijze zijn medewerking te verlenen. Het stond verweerster dan ook vrij om de kwestie voor te leggen aan de rechter. Niet is gebleken dat klagers belangen door verweersters optreden nodeloos zijn geschaad, noch dat verweerster een polariserende aanpak heeft gehanteerd. De raad is voorts van oordeel dat klager de klachten, dat verweerster zich nodeloos grievend heeft uitgelaten en bewust feitelijke gegevens heeft verstrekt waarvan zij wist dat die onjuist zijn, onvoldoende heeft onderbouwd. De raad is van oordeel dat verweersters optreden is gebleven binnen de grenzen van hetgeen haar, in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, vrij stond.

5.5     Voor zover klager klaagt over de hoogte van de advocaatkosten zijdens zijn ex-echtgenote overweegt de raad dat ter zake dit klachtonderdeel heeft te gelden dat het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat niet aan eenieder toekomt, doch slechts aan diegene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn belang is of kan worden getroffen.  Dat klager ter zake dit onderdeel van de klacht in zijn belangen is of kon worden geschaad is niet gebleken. De raad zal klager ter zake dit onderdeel van de klacht dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

De raad van discipline:

1.    verklaart klager niet-ontvankelijk in de klacht voor zover deze betrekking heeft op de omvang van de advocaatkosten zijdens de vrouw;

2.    verklaart de klacht voor het overige in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.T. van Vliet, voorzitter, mrs. H.C.M. Schaeken en L.J.G. de Haas, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber - Van de Langenberg, als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 27 mei 2019

Griffier                                                                                   Voorzitter