Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSHE:2019:181 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 19-328 DB/ZWB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2019:181
Datum uitspraak: 02-12-2019
Datum publicatie: 11-12-2019
Zaaknummer(s): 19-328 DB/ZWB
Onderwerp: Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht op grond van het verstrijken van de termijn van artikel 46 g lid 1 sub a niet-ontvankelijk. Klacht niet-ontvankelijk.   

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort

 ’s-Hertogenbosch van 2 december 2019

in de zaak 19-328/DB/ZWB

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

1          Verloop van de procedure

1.1      Per formulier van 9 mei 2018 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant een klacht ingediend over verweerder.

1.2      Per email aan de raad van 24 mei 2019 met kenmerk K18-100 , heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3      De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 21 oktober 2019 in aanwezigheid van

1.4      De raad heeft kennis genomen van:

-       de email van de deken van 24 mei 2019, met bijlagen

2          FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1      Klager is op 25 september 1997 ten gevolge van een slecht wegdek een fietsongeval overkomen. Klager heeft de betreffende gemeente aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden (letsel)schade. De aansprakelijkheid is erkend, maar de door klager geleden schade is niet afgewikkeld. Klager werd in deze procedure door mr. J. bijgestaan.

2.2      Op 20 september 2006 is klager door een aanrijding met een auto ten val gekomen met zijn racefiets. Klager heeft zich in 2006 tot verweerder gewend met het verzoek zijn belangen te behartigen.

2.3      Verweerder heeft bij brief van 27 juli 2007 aan klager bericht dat hij om medische redenen niet in staat was werkzaamheden in de eerste letselschadezaak te verrichten. Hij schreef voorts dat zijn kantoor wel graag bereid was om klager in de tweede letselschadezaak bij te staan.

2.4      Verweerder heeft bij brief van 7 februari 2008 aan klager bericht dat er sprake was van kledingschade en de reparatiekosten van de fiets van resp. € 69,- en € 392,40 en dat er door de verzekeraar van de wederpartij twee maal een voorschot van € 500,- was betaald. Hij verzocht klager mogelijk aanvullende kosten aan verweerder door te geven. Verweerder heeft bij brieven van 31 maart, 8 mei en 30 juni 2008 bericht nog geen reactie op zijn brief van 7 februari 2008 te hebben ontvangen. Verweerder verzocht klager op korte termijn te reageren. Verweerder berichtte klager bij brief van 25 september 2008 dat hij contact had opgenomen met de wederpartij om te bezien voor welk bedrag er bereidheid bestond om, nu verweerder geen aanvullende bewijstukken van klager had ontvangen, de zaak van klager te regelen zonder verdere onderzoeken. Hij berichtte klager voorts dat de verzekeraar van de wederpartij zich bereid had verklaard  tot betaling van een slotuitkering van € 1.500,- naast het reeds betaalde voorschot van €1.000,-. Verweerder schreef onder meer het volgende: “Dit bedrag is uitsluitend een resultaat van het overleg met de wederpartij zonder inhoudelijk dossier omdat de door mij bij u opgevraagde relevante stukken, ondanks herhaalde verzoeken, niet aan mij zijn toegezonden. Kunt u met deze regeling niet akkoord gaan dan verzoek ik u alsnog om alle stukken waar ik in mijn eerdere correspondentie aan u om heb verzocht aan mij toe te zenden. Zonder toezending van die stukken kan ik uw belangen niet naar behoren behartigen.“

2.5      Klager kon zich niet vinden in het voorstel van de verzekeraar. Verweerder heeft klager bij brief van 22 december 2008 verzocht een keuze te maken tussen het aanbod van de wederpartij dan wel een lang traject waarin klager de vermeend geleden schade diende aan te tonen.

2.6      Verweerder heeft in 2012 klager bijgestaan in een zaak betreffende de definitieve berekening huurtoeslag 2010.

2.7      Verweerder heeft klager bij brief d.d. 19 februari 2014 het verloop van de zaken van klager vanaf het ongeval op 25 januari 1997 weergegeven en klager er op gewezen dat hij hem bij brief van 27 juli 2007 had bericht dat hij de eerste letselschadezaak niet in behandeling zou nemen en dat hij hem had geadviseerd voor die zaak bij zijn oude advocaat te blijven. Over de zaak betreffende het ongeval van 20 september 2006 schreef hij onder meer het volgende : “De moeilijkheid van het vaststellen van de schade die uitsluitend voortvloeit uit het ongeval van 2006 is dat daarbij niet kan worden meegenomen uw plannen met het bio-ecologisch project zoals ik hierboven heb uiteengezet. De schade die voortvloeit uit het ongeval van 2006 is inderdaad beperkt en in mijn brief aan u van 22 december 2008 heb ik u medegedeeld dat de wederpartij die schade wilde waarderen op €2.500,- waarmee u niet kon instemmen.”

2.8      In de winter van 2017 is klager opnieuw een verkeersongeval overkomen. Klager is in deze zaak bijgestaan door een letselschade-expert, mr. Z. Klager heeft in deze zaak een schadevergoeding ontvangen van € 7.500,-.

2.9      Verweerder is op eigen verzoek op 1 september 2019 geschrapt van het tableau voor advocaten.

3          KLACHT

3.1      De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat verweerder:

1.    klager niet op de hoogte heeft gehouden van de voortgang van de zaak en hem bewust op een dwaalspoor heeft gezet;

2.    geen resultaat heeft geboekt en ervoor heeft gezorgd dat de zaak steeds is uitgesteld;

3.    vermoedelijk stukken heeft achtergehouden;

4          VERWEER

4.1      Verweerder heeft klager enkel bijgestaan in de (tweede) letselschadezaak betreffende het ongeval d.d. 20 september 2006. Verweerder heeft bij mr. J wel navraag gedaan naar de afhandeling van de eerste letselschadezaak, maar hij heeft deze zaak nooit daadwerkelijk in behandeling genomen. Verweerder heeft dat schriftelijk aan klager bevestigd.

4.2      In de letselschadezaak betreffende het ongeval in september 2006 is het niet tot een afwikkeling van de schade gekomen, omdat klager niet akkoord ging met het voorstel van de verzekeraar van de wederpartij van € 2.500,-. Verweerder heeft klager op 22 december 2008 bericht dat klager bewijs diende te leveren indien hij meende dat hij meer schade had geleden.

4.3      Verweerder heeft in 2012 contact gehad met klager inzake een kwestie betreffende huurtoeslag.

4.4      In 2014 heeft verweerder weer contact met klager gehad over de afwikkeling van de schade ten gevolge van de hem overkomen ongevallen. Verweerder heeft klager bij brief van 19 februari 2014 bericht dat hij geen mogelijkheden zag om schade te claimen voor het niet doorgaan van het project ‘ecologisch bouwen’.

5          BEOORDELING

5.1      Ingevolge het bepaalde in artikel 46 g lid 1 sub a wordt een klacht niet-ontvankelijk verklaard indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop klager heeft kennis genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft.

5.2      Uit de aan de raad overgelegde stukken en het ter zitting verhandelde blijkt dat verweerder klager heeft bijgestaan in de periode van 2006 – 2008 in de tweede letselschadezaak. Verweerder heeft bij brief van 7 februari 2008 aan klager verzocht hem te berichten of hij kon instemmen met de met de wederpartij zonder verdere onderzoeken bereikte regeling.  Verweerder schreef voorts dat hij, indien klager niet met deze regeling kon instemmen, de belangen van klager zonder nadere bewijsstukken van door klager vermeende schade niet naar behoren kon behartigen.

5.3      Klager en verweerder hebben ter zitting van de raad verklaard dat er in de periode 2008 – 2014 geen verdere acties zijn ondernomen, maar dat er wel contact tussen partijen heeft plaats plaatsgevonden. Verweerder heeft bij brief van 19 februari 2014 het verloop van de zaken van klager vanaf 1997 samengevat weergegeven en klager bericht dat hij geen mogelijkheden zag om bij het vaststellen van de schade voortvloeiend uit het ongeluk in 2006 de plannen met het bio-ecologisch project mee te nemen. Vervolgens heeft klager op 9 mei 2018 een klacht bij de deken ingediend.  

5.4      De raad is van oordeel dat klager in ieder geval op 14 februari 2014 op de hoogte was van het handelen of nalaten van verweerder waarop de klacht betrekking heeft. Nu de klacht pas op 9 mei 2018 en derhalve na de in artikel 46 g lid 1 sub a bedoelde termijn is ingediend, zal de raad de klacht in alle onderdelen niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

De raad van discipline:

verklaart de klacht met inachtneming van artikel 46 g lid 1 sub a in alle onderdelen niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. S.H.L. Baggel , voorzitter, mrs. A. J.F. van Dok en A.L.W.G. Houtakers, leden, bijgestaan door mr. I.J.M. Huysmans-van Opstal, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2019.

Griffier                                                                             Voorzitter