Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TADRSGR:2019:93
Datum uitspraak:
29-04-2019
Datum publicatie:
03-06-2019
Zaaknummer(s):
18-006/DH/DH
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamtWat in het algemeen niet betaamt
Beslissingen:
Berisping Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie:
Verweerder heeft zich in een geschil met de rechtsbijstandsverzekeraar intimiderend, onwelwillend en escalerend opgesteld. Daarnaast heeft hij binnen de klachtprocedure onjuiste informatie verstrekt met het doel klagers in een kwaad daglicht te stellen. Dit alles is niet zoals het een behoorlijk advocaat betaamt en de raad acht de maatregel van berisping passend.

's-Gravenhage

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 29 april 2019

in de zaak 18-006/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

 

1.    (…) Rechtsbijstand

(…)

2.    Mr. (…)

(…)

klagers

gemachtigden: mr. (…) en mr. (…)

 

over:

verweerder

gemachtigde: mr. (…)

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 28 juni 2017 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Bij brief aan de raad van 11 januari 2018 met kenmerk K146 2017 dk/smo heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 25 februari 2019 in aanwezigheid van de gemachtigden van klagers en de gemachtigde van verweerder.

1.4    De raad heeft kennis genomen van het klachtdossier zoals ontvangen van de deken en van de brief van 8 februari 2019 met bijlagen van de zijde van verweerder.

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1    Klaagster 1 is een rechtsbijstandsverzekeraar (hierna: de rechtsbijstandsverzekeraar). Klaagster 2 is een medewerkster van de rechtsbijstandsverzekeraar (hierna: de medewerkster).

2.2    De medewerkster heeft huurders bijgestaan in een geschil met hun verhuurder. Op 24 oktober 2016 heeft de kantonrechter een vonnis gewezen dat ertoe strekt dat de huurders de woning moeten ontruimen.

2.3    Tegen het vonnis hebben de huurders hoger beroep ingesteld. Zij zijn daarbij bijgestaan door mr. H. Het gerechtshof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd bij arrest van 15 november 2016.

2.4    Verweerder heeft op verzoek van mr. H. een cassatieadvies gegeven. Het cassatieadvies van 22 november 2016 was negatief. Verweerder heeft in verband met dit cassatieadvies een toevoeging aangevraagd ten behoeve van huurders.

2.5    Uit een brief van 25 november 2016 van verweerder aan de medewerkster blijkt dat verweerder na overleg met de huurders inzage heeft gevraagd in het “vergunningendossier van de Gemeente”. Dit heeft, aldus verweerder, evenwel iets anders ten gunste van huurders opgeleverd:

“(…) aan het licht gebracht dat verhuurder in strijd met de waarheid heeft gesteld dat hij gedurende een tijdvak van tenminste 12 maanden voorafgaand aan het tijdstip waarop de woning laatstelijk geheel is komen leeg te staan onafgebroken geheel of grotendeels door de eigenaar als eigenaar bewoond is geweest […]. Uit de vergunning-aanvraag d.d. 26 september, waarvan ik een kopie aanhecht, blijkt uit bladzij 1 onder 3B dat verhuurder dat heeft verklaard, waarmee het door hem gepleegde bedrog is bewezen. (…)”

Verweerder heeft geschreven dat hij een dagvaarding zal opstellen om een herroepingsprocedure in te stellen en dat hij mogelijk ook een executieprocedure zal moeten voeren. Verweerder heeft verder uiteengezet welke werkzaamheden hij heeft verricht teneinde de ontruiming uit te stellen. 

2.6    Op 28 november 2016 heeft de medewerkster de opdracht aan verweerder bevestigd. Zij heeft onder meer het volgende geschreven:

“(…) De uitbestedingsopdracht behelst het voeren van een herzieningsprocedure bij het Gerechtshof en, indien noodzakelijk, het voeren van een executiegeschil.

Ik verzoek u mij te informeren over wijzigingen in de omvang of aard van de zaak. Als u naar aanleiding van deze wijzigingen werkzaamheden verricht, dan vergoeden wij de redelijke kosten alleen als u de wijzigingen heeft gemeld en wij hier expliciet opdracht voor hebben gegeven.

De uitbestedingsopdracht beperkt zich tot de opdracht zoals ik die hiervoor heb omschreven. De opdracht eindigt bij de einduitspraak of een schikking. Wij verzorgen zelf de eventuele betekening en tenuitvoerlegging van de einduitspraak. (…)”

2.7    Op 9 januari 2017 heeft verweerder een declaratie ingediend bij de rechtsbijstandsverzekeraar. Op 16 januari 2017, 9.08 uur, heeft de medewerkster naar aanleiding daarvan geschreven dat zij heeft vastgesteld dat het corrigeren van werkzaamheden van mr. K, kantoorgenoot van verweerder, door verweerder is gedeclareerd. De medewerkster heeft erop gewezen dan corrigeerwerk en “dubbelwerk” niet wordt vergoed en heeft verzocht om een aangepaste declaratie.

2.8    Op 16 januari 2017, 14.22 uur, heeft verweerder gereageerd. Hij heeft uiteengezet dat op zijn kantoor het ‘vier ogen principe’ wordt gehanteerd en dat dit niet leidt tot meer werk en een hogere declaratie. Verweerder heeft verder geschreven:

“(…) Ik verzoek u daarom Uw standpunt te heroverwegen en de 110 controleminuten ook te betalen. Het lijkt mij niet redelijk dat het advocatenkantoor dat “het zinkende schip behouden aan de wal moet krijgen” wordt beknot op gedeclareerde tijde die de dubbele redelijkheidstoets ruimschoots kan doorstaan. Als u vindt dat dat anders is, dan moet U de advocaat die het hoger beroep van de ontruimingsprocedure voor zijn rekening heeft genomen maar aanspreken omdat die, evenals degene die de ontruimingsprocedure in eerste instantie heeft behandeld, eraan had moeten denken dat inzage had moeten worden genomen in het vergunningendossier van de Gemeente (…). Het niet inzien van dat dossier moet worden aangemerkt als een beroepsfout, waarvoor de betreffende behandelaar aansprakelijk is. (…)”

2.9    Op 19 januari 2017 heeft de medewerkster gereageerd. Zij heeft erop gewezen dat, zakelijk weergegeven, uren van kantoorgenoten slechts worden vergoed als toestemming is gegeven voor het inschakelen van de kantoorgenoot. De medewerkster heeft haar ongenoegen geuit over de toon van de reactie van verweerder en de omstandigheid dat hij in een debat over zijn declaratie de kwaliteit van de dienstverlening van derden ter discussie stelt. De medewerkster heeft tot slot gevraagd om inzage in de (proces)stukken die zijn genoemd in de declaratie van 9 januari 2017 en om een bewijsstuk voor gedeclareerde reiskosten. 

2.10    Op 20 januari 2017 heeft verweerder het volgende aan de medewerkster geschreven:

“(…) 1. Wat er verder ook zij van Uw verwijt dat ik U niet heb bericht dat ik mij bij de behandeling van de zaak zou laten bijstaan door een kantoorgenoot, was U dat ten tijde van Uw laatste mail in ieder geval bekend. Ik zie daarom niet in wat de toegevoegde waarde is van Uw opmerkingen ter zake.

2. Zoals ik U eerder heb bericht - waarmee U het blijkens de derde alinea van Uw mail eens bent - is er één criterium van belang, te weten of mijn declaraties de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan. ln dat verband moet U de declaraties bekijken.

3. Ik kan u niet zonder toestemming van cliënten inzage geven in de processtukken. Het is mij bekend dat rechtsbijstandsverzekeraars daar moeite mee hebben, maar ik moet voorrang geven aan mijn beroepsgeheim. Ik zal cliënten verzoeken of zij toestemming geven, maar verwacht niet dat zij daartoe bereid zijn.

4. Met betrekking tot de reiskosten kan ik U berichten dat ik 192 km ad € 1,- per kilometer (inclusief BTW) in rekening is gebracht. (…)”

2.11    Op 24 januari 2017 heeft de medewerkster herhaald dat zij graag stukken ontvangt en dat het haar heeft verbaasd dat verweerder zich beroept op geheimhouding en de noodzaak van toestemming van zijn cliënten, omdat verweerder al afschriften van de kort gedingdagvaarding en de herroepingsdagvaarding heeft verstrekt.

2.12    In een e-mail van 10 februari 2017 aan de medewerkster heeft verweerder het conceptpetitum van de dagvaarding weergegeven.

2.13    Op 20 februari 2017 heeft verweerder de rechtsbijstandsverzekeraar laten weten dat de herzieningsdagvaarding is betekend en zal worden aangebracht. Hij heeft verder gewezen op een aantal openstaande declaraties. Op 23 februari 2017 heeft de medewerkster gereageerd en onder meer geschreven dat zij nog in afwachting is van dossierstukken en dat de uren van mr. K (vooralsnog) niet zullen worden betaald.

2.14    Op 28 februari 2017 heeft verweerder de medewerkster op de hoogte gesteld van de stand van zaken in de bodemprocedure en gewezen op het nog onbetaalde deel van zijn declaraties. In haar reactie van 6 maart 2017 heeft de medewerkster gewezen op haar eerdere verzoeken om overlegging van stukken die de declaratie kunnen onderbouwen en heeft zij dat verzoek herhaald.

2.15    Op 6 maart 2017 heeft verweerder een volgende declaratie gezonden aan de rechtsbijstandsverzekeraar.

2.16    Op 8 maart 2017 heeft verweerder aan de medewerkster processtukken uit de herzieningsprocedure gestuurd. Hij heeft verder gewezen op het pleidooi in het spoedappel van het executie kort geding op 9 maart 2017 en zijn pleitnota toegezonden. Diezelfde dag heeft de medewerkster bij verweerder een aantal brieven uit de dossiers opgevraagd.

2.17    Bij e-mail van 10 maart 2017 heeft verweerder verslag gedaan van de zitting bij het gerechtshof. Verweerder heeft verder geschreven:

“(…) U hebt nog niet gereageerd op mijn herhaalde betalingsverzoeken. Tenzij U mij heden vóór 15.00 uur bericht dat [rechtsbijstandsverzekeraar] het openstaande bedrag (…) vóór a.s. woensdag zal voldoen, zal ik mij vrij achten om [rechtsbijstandsverzekeraar] in rechte te betrekken en met betrekking tot Uw optreden in deze zaak een klacht in te dienen bij Uw directie.

Ik heb heden getracht met U telefonisch te overleggen, maar dat bleek (zonder opgave van redenen door de receptioniste) niet mogelijk. Ik ben het grootste deel van de dag telefonisch op kantoor bereikbaar. (…)”

2.18    De medewerkster heeft dezelfde dag als volgt gereageerd:

“(…) De reden dat wij uw declaraties nog niet inhoudelijk hebben kunnen beoordelen is, omdat u ondanks herhaalde verzoeken daartoe de opgevraagde stukken niet hebt aangeleverd. Twee dagen geleden (woensdag 8 maart om 16:22 uur) hebben wij de stukken pas van u ontvangen. Dat betekent dat wij de declaraties nu pas kunnen beoordelen waarbij wij ons op geen enkele wijze zullen laten leiden door de door u zeer onredelijke gestelde termijn.

Voor wat betreft uw opmerking over het telefonisch overleg, het volgende. Zoals u weet, hebben wij vanochtend wel telefonisch overleg gehad, maar bleek dat de onderstaande e-mail waarover u mij wilde spreken niet door uw secretaresse aan mij was verzonden. Na ons telefoongesprek heb ik uw onderstaande e-mail ontvangen, maar nadien heeft u geen telefonisch contact meer met mij opgenomen. Uw opmerkingen kan ik dan ook niet plaatsen. (…)”

2.19    Op 10 maart 2017 heeft verweerder het volgende aan de medewerkster geschreven:

“(…) Naar aanleiding van Uw mail van heden 13 .23 uur bevestig ik U wat ik U ook telefonisch om circa 13.40 uur heb meegedeeld, te weten dat mijn sommatie zoals vervat in mijn eerdere mail van vandaag van 11.27 uur handhaaf. 

U hebt bij elke declaratie een specificatie ontvangen. U hebt niet onverwijld om toezending van schriftelijke stukken gevraagd. Het feit dat U de juistheid van de aan U toegezonden specificaties in twijfel trekt is ongepast. U denkt toch niet echt dat een dossier waarin twee advocaten werkzaam zijn en waarin de financiële administratie wordt uitgevoerd door (in dit geval) twee secretaresses valse specificaties aan U zouden worden toegestuurd. Ik verzoek U mij nog heden de contactgegevens van Uw leidinggevende toe te zenden, zodat ik daar een klacht kan indienen. Ik bevestig nogmaals mijn telefonische mededeling dat ik bij gebreke van betaling aanstaande woensdag mij vrij acht om [rechtsbijstandsverzekeraar] in rechte te betrekken. (…)”

2.20    Op 16 maart 2017, 9.36 uur, heeft de rechtsbijstandsverzekeraar gereageerd op de declaraties van verweerder en uiteengezet welke onderdelen wel en welke niet voor vergoeding in aanmerking komen. Zakelijk weergegeven komen de uren van mr. K slechts in beperkte mate voor vergoeding in aanmerking. Verder meent de rechtsbijstandsverzekeraar dat verweerder voor bepaalde werkzaamheden te veel heeft gedeclareerd en dat het “overleg met kantoorgenoot” niet voor vergoeding in aanmerking komt.

2.21    In een interne e-mail van 16 maart 2017 van de rechtsbijstandsverzekeraar wordt verslag gedaan van een telefoongesprek met verweerder, waarin verweerder zich, zakelijk weergegeven, volgens de rechtsbijstandsverzekeraar onredelijk en onbeleefd heeft gedragen.

2.22    Op 23 maart 2017 heeft verweerder gemaild met de rechtsbijstandsverzekeraar over zijn vergeefse pogingen om telefonisch contact te krijgen met de rechtsbijstandsverzekeraar en de medewerkster. Hij heeft geschreven:

“(…) Wat daarvan zij, als de openstaande declaraties niet met valutadatum a.s. maandag door mij zijn ontvangen zal [rechtsbijstandsverzekeraar] in verzuim zijn. De gevolgen daarvan hoe ik U niet uit te leggen. (…)”

2.23    Bij e-mail van 28 maart 2017, 12.00 uur, aan de rechtsbijstandsverzekeraar  heeft verweerder zijn bezwaar kenbaar gemaakt tegen de beslissing om delen van de declaratie niet te voldoen. Verweerder heeft geschreven:

“(…) Gaarne Uw omgaande bericht dat het bedrag alsnog zal worden betaald, bij gebreke waarvan ik niet zal schromen om de Kantonrechter te adiëren.

Ik maak van deze gelegenheid gebruik om [rechtsbijstandsverzekeraar] in gebreke te stellen en aansprakelijk te houden voor alle schade die cliënten hebben geleden en nog zullen lijden vanwege de ondeskundige en gebrekkige verleende rechtsbijstand in de ontruimingsprocedure in twee instanties. [Medewerkster] (die om onduidelijke redenen haar meisjesnaam niet vermeldt in haar correspondentie) heeft niet gehandeld zoals van een redelijk bekwame redelijk handelende rechtsbijstandverlener bij een rechtsbijstandverzekeringsmaatschappij mag worden verwacht. Ik verzoek U mij omgaand te bevestigen dat [rechtsbijstandsverzekeraar] de aansprakelijkheid terzake aanvaardt. (…)”

2.24    Op 11 april 2017 heeft het gerechtshof arrest gewezen in het executiegeschil. Het gerechtshof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en heeft, zakelijk weergegeven, de verhuurder opgedragen de executie van het vonnis van 24 oktober 2016 te staken.

2.25    Op 21 april 2017 heeft verweerder een declaratie ingediend bij de rechtsbijstandsverzekeraar.

2.26    In de reactie van 21 april 2017 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar, zakelijk weergegeven, geschreven dat verweerder buitensporig veel uren in rekening heeft gebracht in verband met de voorbereiding van het spoedappel.

2.27    In zijn brief van 24 april 2017 heeft verweerder zijn bezwaar kenbaar gemaakt tegen de weigering van de rechtsbijstandsverzekeraar om delen van de declaratie te voldoen. Verweerder heeft onder meer geschreven:

“(…) Gelet op het feit dat het spoedappel voor mijn cliënten “erop of eronder” betekende gelet op het feit dat de ervaring leert dat schriftelijke stukken minder indruk maken op Rotterdamse rechter dan mondeling voorgedragen pleidooien heb ik vrij veel tijd moeten besteden aan het volledig doorlezen van alle dossiers, ook de onder leiding van [rechtsbijstandsverzekeraar] verknoeide ontruimingsprocedures in twee instanties. (…)

U hebt kennelijk evenmin als [medewerkster] enig benul hoeveel voorbereiding een belangrijke zitting vergt. Voorts hebt U kennelijk geen idee hoe omvangrijk inmiddels het dossier is.

De intensieve correspondentie met [rechtsbijstandsverzekeraar] behoeft natuurlijk niet gratis te gebeuren, al was het alleen maar omdat de thans ontstane situatie volledig veroorzaakt is door de incompetentie van [medewerkster] en de door haar ingeschakelde advocaat. Ik herhaal dat [medewerkster] voor de daardoor ontstane schade volledig aansprakelijk is, welke schade niet valt onder de dekking van de polis. (…)

Tenslotte verzoek ik U mij te berichten wie Uw leidinggevende is. Uw optreden in dit dossier is onacceptabel (…)”

2.28    In een bericht van 19 mei 2017 aan mr. K heeft de rechtsbijstandsverzekeraar samengevat wat er tot dat moment is voorgevallen met betrekking tot het debat over de declaraties. De rechtsbijstandsverzekeraar heeft geschreven:

“(…) [rechtsbijstandsverzekeraar] stelt voor de declaratie van 4 april 2017 voor te leggen aan de Geschillencommissie Advocatuur. In de algemene voorwaarden die uw kantoor hanteert, hoewel op zichzelf niet in deze kwestie van toepassing, wordt ook naar deze commissie verwezen. Conform de polisvoorwaarden en conform de verstrekte opdrachtbevestiging, voldoet [rechtsbijstandsverzekeraar] enkel de 'redelijke en nodige' tijdsbesteding. De redelijkheid is in de declaraties wat [rechtsbijstandsverzekeraar] betreft al lange tijd ver te zoeken. Dit betekent dat wij verzekerden zullen inlichten dat wij met uw kantoor in dispuut zijn over de declaraties die tot op heden zijn opgesteld. Indien uw kantoor en [rechtsbijstandsverzekeraar] elkaar niet vinden in een redelijke vorm van declareren, zal de opdracht door [rechtsbijstandsverzekeraar] ofwel worden ingetrokken, of zal met verzekerden moeten worden kort gesloten dat hetgeen de redelijkheid van de facturen te boven gaat, rechtstreeks voor rekening van verzekerden komt.

Tot slot, en dat is ook de reden dat de reactie even op zich heeft laten wachten, geldt het volgende. [Rechtsbijstandsverzekeraar] heeft herhaaldelijk aan [verweerder] laten weten dat de wijze waarop hij communiceert niet acceptabel is. Bij elke legitieme vraag van [rechtsbijstandsverzekeraar] wordt door [verweerder] gedreigd met een aansprakelijkheidstelling aan het adres van [rechtsbijstandsverzekeraar] en wordt gedreigd met het onder de aandacht brengen van gepretendeerde beroepsfouten. Sterker, herhaaldelijk heeft [verweerder] laten weten dat een aansprakelijkheidstelling zou volgen als openstaande declaraties niet zouden worden voldaan. Daarnaast heeft [verweerder] verschillende collega's onheus bejegend. De wijze waarop [verweerder] [rechtsbijstandsverzekeraar] in dit kader denkt te kunnen 'chanteren' alsook zijn grievende uitlatingen passen niet bij wat van een redelijk handelend advocaat mag worden verwacht.. Daarom heeft [rechtsbijstandsverzekeraar] inmiddels besloten tot het neerleggen van een klacht bij de deken.

Mochten verzekerden van oordeel zijn dat de behandeling van onderhavig dossier in eerste aanleg onder de maat is geweest, dan staat het verzekerden vrij daarover bij [rechtsbijstandsverzekeraar] een klacht in te dienen (…).

Met betrekking tot de factuur van 5 mei 2017 zal separaat een reactie worden gestuurd. Ook deze factuur kan wat ons betreft, indien nodig, aan de Geschillencommissie Advocatuur worden voorgelegd. (…)”

2.29    Op 22 mei 2017 heeft mr. K, namens verweerder, gereageerd op het bericht van 19 mei 2017. Ten aanzien van het voorleggen van het geschil aan de Geschillencommissie heeft hij geschreven dat dat “op zich (…) akkoord [is] om de declaraties voor te leggen aan de Geschillencommissie Advocatuur”, maar dat dat beide partijen veel niet declarabele tijd kost. Mr. K heeft daarom voorgesteld om, zakelijk weergegeven, het betwiste deel van de declaraties bij helfte te delen.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft zich onbehoorlijk gedragen tegen klaagster sub 2 en heeft zich onnodig grievend uitgelaten over haar.

b)    Verweerder heeft in deze klachtprocedure onjuiste informatie naar voren gebracht.

3.2    Ter onderbouwing van klachtonderdeel a hebben klagers verwezen naar de e-mails van verweerder van 16 januari 2017, 10 maart 2017, 23 maart 2017, 28 maart 2017 en 24 april 2017.

3.3    Ter onderbouwing van klachtonderdeel b hebben klagers aangevoerd dat zij, om het declaratiegeschil te beslechten bij herhaling aan verweerder hebben voorgesteld om het voor te leggen aan de Geschillencommissie. Volgens klagers heeft verweerder dit voorstel telkens van de hand gewezen. Klagers verwijzen naar een niet overgelegde e-mail van 19 juni 2017, waarin verweerder geschreven zou hebben dat hij “er niet mee akkoord [is] om e.e.a. voor te leggen aan de Geschillencommissie”. In zijn antwoord in deze klachtprocedure heeft verweerder echter het volgende geschreven:

“(…) Ondanks het feit dat onzerzijds geen bezwaar bestond om de zaak bij de Geschillencommissie aanhangig te maken, heeft [klaagster sub 1] dat niet gedaan, zodat [kantoor verweerder] thans betaling heeft gevorderd bij de Kantonrechter. (…)”

 

4    VERWEER

4.1    In verband met klachtonderdeel a is verweerder ingegaan op de voor de huurders verrichtte werkzaamheden. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat, zakelijk weergegeven, de declaraties voor de werkzaamheden terecht zijn. De rechtsbijstandsverzekeraar heeft volgens verweerder onnodig lang getalmd met het betalen van de declaraties. De rechtsbijstandsverzekeraar heeft zelf bepaald onbehoorlijk gehandeld, aldus verweerder. Verweerder heeft zijn ergernis over de rechtsbijstandsverzekeraar geuit en stelt dat klagers niet voldoende deugdelijk en zorgvuldig hebben gehandeld in het dossier van huurders. Volgens verweerder hebben klagers de e-mail van 16 januari 2017 onjuist gelezen. De opmerking in die e-mail is niet grievend of klachtwaardig, het staat verweerder vrij om een klacht aan te kondigen. De opmerking over de meisjesnaam van de medewerkster is ook niet grievend. Verweerder heeft niet gedreigd met aansprakelijkstelling, hij heeft de rechtsbijstandsverzekeraar aansprakelijk gesteld en dat staat hem vrij.

4.2    Ten aanzien van klachtonderdeel b heeft verweerder aangevoerd dat hij aanvankelijk bereid was om het declaratiegeschil voor te leggen aan de Geschillencommissie en dat dit blijkt uit zijn e-mail van 22 mei 2017. Klagers hebben het geschil echter niet voorgelegd. Toen verweerder rechtsmaatregelen had aangekondigd was hij echter niet meer bereid om de geschillencommissie in te schakelen.

 

5    BEOORDELING

    Klachtonderdeel a)

5.1    De huurders hebben gebruik gemaakt van hun recht op vrije advocaatkeuze Dit recht stelt de rechtzoekende in staat om onafhankelijk van zijn verzekeraar de advocaat van zijn keuze in te schakelen en het stelt de advocaat in staat om onafhankelijk van de verzekeraar een zaak wel of niet aan te nemen. Verweerder heeft de behandeling van de zaak aangenomen en heeft zich daarbij geconformeerd aan de voorwaarden zoals deze zijn weergegeven in de brief van de rechtsbijstandsverzekeraar 28 november 2016. Deze gebondenheid aan de door de rechtsbijstandsverzekeraar gestelde voorwaarden brengt mee dat, ook al dient verweerder de belangen van de huurders, hij ook gehouden is te antwoorden op legitieme vragen van de rechtsbijstandsverzekeraar over zijn werkzaamheden en declaraties.

5.2    Op 9 januari 2017 heeft de medewerkster een vraag gesteld over een ingediende declaratie (zie hiervoor in 2.7). Naar het oordeel van de raad is het een legitieme vraag waarop verweerder een behoorlijk antwoord verschuldigd is. In plaats van de vraag te beantwoorden heeft verweerder op 16 januari 2017 laten weten dat hij “als advocaat die het zinkende schip aan wal moet krijgen niet moet worden beknot in zijn declaraties”. Naar het oordeel van de raad is dit onbehoorlijk. Verweerder heeft verder gewezen op de beroepsfouten die raadslieden van de huurders die hem voorgingen volgens hem hebben gemaakt. Deze gestelde beroepsfouten, wat daar ook van zij, hebben niets van doen met de declaraties van verweerder en ontslaan hem niet van zijn plicht om vragen over zijn werkzaamheden en declaraties te beantwoorden. Het heeft er minst genomen de schijn van, dat met deze toespeling op beroepsfouten,  verweerder  geen ander doel heeft gehad dan de medewerkster te intimideren en zodoende de aandacht af te leiden van de gestelde vragen. 

5.3    Het debat tussen verweerder en de rechtsbijstandsverzekeraar heeft zich in februari en begin maart voortgezet, waarbij een toelichting van verweerder op zijn declaraties is uitgebleven. In zijn berichten van vrijdag 10 maart 2017 heeft verweerder vervolgens aan de medewerkster geschreven dat hij een procedure zal starten tegen de rechtsbijstandsverzekeraar en een klacht tegen haar zal indienen, tenzij de openstaande declaraties uiterlijk woensdag 15 maart 2017 worden betaald. Verweerder heeft aldus gedreigd met een vordering en een klacht teneinde betaling van declaraties waarover hij nog uitleg verschuldigd is af te dwingen. Opnieuw heeft verweerder de medewerkster op intimiderende wijze tegemoet getreden. Hij heeft aan zijn sommatie de oneigenlijke consequenties van een klacht verbonden en heeft de op hem rustende plicht om zijn gedeclareerde werkzaamheden te specificeren en om welwillendheid te betrachten miskend.

5.4    De discussie tussen partijen over de declaraties heeft zich ook daarna nog voortgezet. Het bericht van verweerder aan de rechtsbijstandsverzekeraar van 28 maart 2017 vormt onderdeel van de discussie. In die mail merkt verweerder op dat de medewerkster “om onduidelijke redenen haar meisjesnaam niet vermeldt in haar correspondentie”. Het is opnieuw een opmerking die als enig doel lijkt te hebben om te intimideren en geen enkel verband houdt met de discussie tussen partijen over gedeclareerde werkzaamheden. Net als in de eerdere berichten laat verweerder zich ook hier uit op een wijze die escalerend werkt en waarin op geen enkele wijze blijkt van welwillendheid en inzicht in de op hem rustende plichten en verantwoordelijkheden als advocaat op basis van de vrije advocaatkeuze.

5.5    De raad is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich jegens de medewerkster en de rechtsbijstandsverzekeraar niet heeft gedragen zoals dat een behoorlijk handelend advocaat betaamt en verklaart klachtonderdeel a gegrond.

    Klachtonderdeel b)

5.6    De raad stelt als onweersproken vast dat verweerder in zijn bericht van 19 juni 2017 heeft laten weten dat hij niet instemt met het voorleggen van de kwestie aan de geschillencommissie. Eerder, op 22 mei 2017 had verweerder aan klagers laten weten dat inschakelen van de Geschillencommissie “op zich akkoord is”, maar dat daaraan volgens hem praktische bezwaren kleven. Verweerder heeft in deze klachtprocedure geschreven dat klagers, hoewel hij daartegen geen bezwaar had, het declaratiegeschil niet hebben voorgelegd aan de Geschillencommissie.

5.7    Verweerder had, gelet op het vorenstaande, wel degelijk bezwaren tegen het inschakelen van de Geschillencommissie. Met zijn stellingname op dit punt in de klachtprocedure heeft verweerder dan ook de onterechte suggestie gewekt dat het niet aan hem heeft gelegen dat de kwestie niet is voorgelegd aan de Geschillencommissie, maar uitsluitend aan klagers, terwijl het ontbreken van instemming van verweerder een beletsel vormde om de Geschillencommissie in te schakelen. Naar het oordeel van de raad is dat handelen op een manier die een behoorlijk handelend advocaat niet betaamt. Ook klachtonderdeel b is gegrond.

 

6    MAATREGEL

6.1    Verweerder heeft zich in een geschil met de rechtsbijstandsverzekeraar intimiderend, onwelwillend en escalerend opgesteld. Daarnaast heeft hij binnen de klachtprocedure onjuiste informatie verstrekt met het doel klagers in een kwaad daglicht te stellen. Dit alles is niet zoals het een behoorlijk advocaat betaamt en de raad acht de maatregel van berisping passend.

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e, vijfde lid, Advocatenwet het door klagers betaalde griffierecht van € 50 aan vergoeden.

7.2     Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 25 reiskosten van klagers,

b) € 1000 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten.

7.3     Verweerder moet het bedrag van € 25 reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden betalen aan klagers. Klaagster sub 1 geeft tijdig haar rekeningnummer schriftelijk door aan verweerder.

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1000 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht gegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50 aan klagers;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25 aan klagers, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1000 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

 

Aldus beslist door mr. M.P.J.G. Göbbels, voorzitter, mrs. M.G. van den Boogaard, P.J.E.M. Nuiten, P. Rijpstra en P.C.M. van Schijndel, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2019.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens