Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TADRSGR:2019:124
Datum uitspraak:
03-06-2019
Datum publicatie:
17-06-2019
Zaaknummer(s):
18/359/DH/RO
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntVereiste communicatie met de cliënt Zorg voor de cliëntKwaliteit van de dienstverlening Wat een behoorlijk advocaat betaamtWat in het algemeen niet betaamt
Beslissingen:
Schrapping Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie:
Raadbeslissing. De klacht van klaagster dat verweerster haar belangen zwaar heeft verwaarloosd, haar willens en wetens op het verkeerde been gezet en de rechtbank in haar leugens heeft betrokken, is gegrond verklaard. Niet alleen is de aanpak van verweerster onjuist is geweest, maar met haar handelen heeft verweerster voorts aangetoond onvoldoende deskundig te zijn als bedoeld in artikel 10a, lid 1 onder c Advocatenwet. De door verweerster gegeven verklaring voor haar handelen wordt niet onderbouwd noch gestaafd met enig bewijs.  De onderhavige klacht staat niet op zichzelf. Een andere klachtzaak tegen verweerster met nummer 17-970/DH/RO – die grote overeenkomsten vertoont met onderhavige klachtzaak – verklaart de raad grotendeels gegrond. Gelet op de ernst en het repeterende karakter van de aan verweerster gemaakte verwijten en de ambivalente houding van verweerster over haar eigen aandeel daarin, heeft de raad niet de overtuiging dat, voor zover verweerster al oprecht spijt heeft van haar gedragingen, zij in staat is haar handelen dusdanig aan te passen dat situaties als hier aan de orde voor de toekomst worden voorkomen. Schrapping.

Rotterdam

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 3 juni 2019

in de zaak 18/359/DH/RO

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

 

verweerster

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Het verloop van de procedure blijkt uit de (tussen)beslissing van 3 december 2018. In deze beslissing heeft de raad de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) opgedragen om nader onderzoek te verrichten naar, zakelijk weergegeven, de vraag of verweerster op 16 augustus 2016  een beslagrekest en op 13 december 2016 een verzoekschrift namens klaagster heeft ingediend. Iedere verdere beslissing heeft de raad aangehouden. 

1.2    Bij brief met bijlagen van 10 januari 2019 heeft de deken zijn onderzoeksbevindingen naar de raad gezonden.

1.3    De raad heeft klaagster en verweerster de gelegenheid gegeven om op het nadere onderzoek van de deken te reageren. De gemachtigde van klaagster heeft dit bij brief van 5 februari 2019 gedaan.

1.4    De klacht is nader behandeld ter zitting van de raad van 1 april 2019 in aanwezigheid van klaagster, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld van haar zuster. Ook verweerster was ter zitting aanwezig. Partijen hebben de zaak wederom bepleit.

 

2    FEITEN

In de tussenbeslissing is een deel van de feiten, zoals hieronder weergegeven in randnummers 2.1 tot en met 2.27, opgenomen. De daarop volgende randnummers vormen een aanvulling daarop.

2.1    Tijdens een comparitie van partijen bij het gerechtshof op 22 maart 2016 heeft klaagster een schikking bereikt met de wederpartij, welke schikking is vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting. Nu de wederpartij zich niet aan de gemaakte afspraken hield heeft klaagster verweerster verzocht daarin actie te ondernemen. Verweerster heeft te kennen gegeven dat te zullen doen en het hof een brief te zullen schrijven.

2.2    Bij e-mail van 11 mei 2016 heeft verweerster aan klaagster bericht dat de brief aan het hof die avond zou volgen.

2.3    Bij e-mail van 13 juli 2016 heeft verweerster aan klaagster bericht haar uiterlijk dat weekeinde de brief aan het hof te sturen.

2.4    Op 15 juli 2016 heeft klaagster aan verweerster gevraagd of het beslag op het pand van de wederpartij inmiddels geregeld is, aangezien dat dringend vereist is met het oog op de handen zijnde verkoop en levering ervan aan derden.

2.5    Op 21 en 31 juli 2016 heeft klaagster wederom aan verweerster gevraagd of het  beslag inmiddels gelegd is.

2.6    Op 8 augustus 2016 heeft verweerster aan klaagster bericht dat de brief aan het hof gefaxt is en heeft zij haar tevens een concept beslagrekest toegezonden.

2.7    In haar faxbrief van 8 augustus 2016 heeft verweerster het gerechtshof verzocht de wederpartij op te roepen zich aan de gemaakte afspraken te houden en indien de wederpartij dat niet zou doen, een dwangsom op te leggen van € 1.000,- per dag.

2.8    Bij e-mail van 16 augustus 2016 heeft verweerster aan klaagster bericht het beslagrekest in tweevoud bij de centrale balie te hebben afgegeven.

2.9    Bij e-mail van 2 september 2016 heeft verweerster aan klaagster bericht dat zij die middag op de rechtbank is en langs zal gaan bij degene die het beslagrekest in behandeling heeft.

2.10    Bij e-mail van 16 september 2016 heeft verweerster aan klaagster bericht dat de toestemming is verleend en dat de deurwaarder elk moment kan overgaan tot beslaglegging.

2.11    Bij e-mail van 28 oktober 2016 heeft verweerster aan klaagster bericht dat zij dat weekeinde een aantal documenten aan haar zal toezenden.

2.12    Op 22 november 2016 heeft verweerster aan klaagster een concept dagvaarding toegezonden, die na goedkeuring door een deurwaarder zou worden uitgebracht.

2.13    Op 23 november 2016 heeft klaagster per WhatsApp aan verweerster bericht in te stemmen met het concept.

2.14    Bij e-mail 7 december 2016 heeft klaagster verweerster gevraagd naar de stand van zaken.

2.15    Bij e-mail van 8 december 2016 heeft verweerster aan klaagster laten weten dat alle stukken klaar zijn en alleen nog goedkeuring van klaagster behoefden. Zij heeft in deze mail tevens aangekondigd het concept met bijlagen in het  weekeind (zondag) aan klaagster te zullen doen toekomen.

2.16    Bij e-mails van 12 en 15 december 2016 heeft klaagster aan verweerster bericht nog altijd niets te hebben ontvangen. In reactie daarop heeft verweerster aan klaagster bericht het echt te hebben verstuurd en het voor de zekerheid nog een keer te zullen sturen.

2.17    Medio december 2016 heeft verweerster aan klaagster een brief gezonden met daarbij een concept “verzoekschrift betreffende vordering onrechtmatig handelen”. Blijkens deze brief zou dit verzoekschrift zijn ingediend. Bij navraag bij de rechtbank bleek daar geen verzoekschrift te zijn ontvangen.

2.18    Op 22 december 2016 heeft verweerster aan klaagster bericht dat zij het verzoekschrift naar een deurwaarder had gestuurd om te betekenen en ook naar de rechtbank.

2.19    Op 23 december 2016 heeft verweerster aan klaagster bericht dat het verzoekschrift die dag betekend zal worden.

2.20    Op 23 februari 2017 heeft verweerster klaagster bericht dat de rechtbank had verzocht om opgave van verhinderdata in de komende drie maanden.

2.21    De gemachtigde van klaagster heeft verweerster bij brief van 31 maart 2017 verzocht hem te informeren over de stand van zaken in deze kwestie. Omdat hij ondanks schriftelijke toezeggingen geen duidelijkheid verkreeg heeft hij zich op 26 april 2017 tot de deken gewend met het verzoek om bemiddeling. De deken heeft verweerster op dezelfde dag verzocht om een reactie op dit verzoek.

2.22    Op 26 april 2017 heeft de Rechtbank Rotterdam, team kanton, een verzoekschrift van verweerster ontvangen, voorzien van een begeleidende brief gedateerd 13 december 2016 en van een begeleidende brief gedateerd 25 april 2017, waarin verweerster meldt dat de zaak is overgenomen door de huidige gemachtigde van klaagster.

2.23    Op 27 april 2017 heeft de huidige gemachtigde van klaagster van verweerster een (incompleet) dossier ontvangen, waarin zich onder meer bevonden een ‘verzoekschrift betreffende vordering onrechtmatig handelen’ en een brief van verweerster van 25 april 2017 aan de rechtbank, waarin verweerster aangeeft geruime tijd ervoor een verzoekschrift te hebben ingediend maar ondanks haar inspanningen daarover nog niets te hebben vernomen.

2.24    De huidige gemachtigde van klaagster heeft de rechtbank Rotterdam bij brief van 10 mei 2017 laten weten dat hij voor het desbetreffende verzoekschrift en de procedure geen enkele verantwoordelijkheid neemt en verzocht het verzoekschrift aan verweerster te retourneren dan wel te vernietigen.

2.25    De rechtbank heeft verweerster op 11 mei 2017 een kopie van deze brief gestuurd en haar verzocht binnen een week te bevestigen dat het verzoekschrift als ingetrokken kan worden beschouwd, bij gebreke waarvan de kantonrechter een beschikking zou afgeven, inhoudende dat hij onbevoegd is van het verzoek kennis te nemen.

2.26    Op bovengenoemde brief van de rechtbank en het rappel van 30 mei 2017 heeft verweerster niet gereageerd, waarna de rechtbank haar bij brief van 9 juni 2017 heeft bericht de zaak als ingetrokken te beschouwen.

2.27    Bij brief van 30 juni 2017 heeft de gemachtigde van klaagster namens klaagster een klacht tegen verweerster ingediend.

2.28    In het kader van het nadere onderzoek door de deken heeft verweerster een  brief van 22 september 2016 getoond waarmee (door het kantoor van) verweerster per telefax een verzoekschrift wordt ingediend. De brief is gericht aan de rechtbank, bureau voorzieningenrechter. Daarbij is als faxnummer vermeld: 0883610549.

2.29    Uit het fax-verzendrapport betreffende het onder randnummer 2.28 genoemde verzoekschrift volgt dat dit op 22 september 2016 is toegezonden aan faxnummer: 0883610568 met als resultaat “OK”.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij klaagster niet goed heeft bijgestaan. Meer specifiek geeft klaagster aan dat verweerster haar belangen zwaar heeft verwaarloosd, haar willens en wetens op het verkeerde been gezet en de rechtbank in haar leugens heeft betrokken. 

 

4    VERWEER

4.1    Verweerster heeft ter zitting van 1 april 2019 erkend dat haar handelen voor klaagster in de door haar gewenste procedure ondermaats is geweest en daarvoor meermalen haar spijt betuigd. Evenwel heeft verweerster daarvoor een verklaring gegeven. In de periode van 2014 tot eind 2018 heeft verweerster driemaal een TIA gehad, ten gevolge waarvan verweerster ‘heel veel kwijt is geraakt in het geheugen’. Niettemin heeft verweerster haar werkzaamheden voor klaagster voortgezet.

4.2    Voorts heeft verweerster ter zitting toegelicht dat het verzoekschrift op 13 december 2016 door haar collega, mr. de J., is ingediend die dit tevens per fax heeft verzonden. Omdat verweerster toen in het ziekenhuis lag, heeft zij samen met mr. de J. de beslagleggingsdocumenten opgesteld. Mr. de J. heeft ook af en toe voor verweerster waargenomen. Volgens verweerster heeft zij de gewraakte documenten wel zelf ondertekend. 

4.4    Tot slot heeft verweerster aangegeven dat zij haar kantoor inmiddels heeft gereorganiseerd en dat zij na de vorige zitting van de raad (de raad begrijpt in klachtzaak 17-970/DH/RO) onder behandeling is geweest.

 

5    DE VERDERE BEOORDELING

5.1    De raad stelt voorop dat de tuchtrechter de kwaliteit van de dienstverlening in volle omvang toetst, rekening houdende met de vrijheid die de advocaat dient te hebben met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waarvoor een advocaat bij de behandeling kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat daarbij heeft is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

5.2    De raad zal de klacht aan de hand van het hiervoor in 5.1 weergegeven toetsingskader beoordelen.

5.3    Op grond van het klachtdossier stelt de raad vast dat klaagster in mei 2016 zich (opnieuw) tot verweerster heeft gewend voor bijstand, omdat haar wederpartij zich niet aan de ter zitting van 22 maart 2016 van het gerechtshof gemaakte afspraken hield. Na haar e-mail van 11 mei 2016 waarin zij toezegde over te zullen gaan tot actie (concreet: het gerechtshof aan te zullen schrijven) heeft verweerster pas op 13 juli 2016 klaagster laten weten dat zij in dat weekeinde daadwerkelijk die brief zou versturen. Bij e-mail van 15 juli 2016 heeft klaagster bij verweerster geïnformeerd naar de stand van zaken omtrent het te leggen beslag, omdat zich inmiddels kopers hadden aangediend voor het betreffende pand. Klaagster heeft daarbij benadrukt dat veel haast geboden was en dat zij met spoed een reactie van verweerster wenste. Daarna heeft klaagster bij e-mails van 21 en 31 juli 2016 wederom bij verweerster geïnformeerd naar de stand van zaken omtrent de beslaglegging en daarbij telkens verzocht om een reactie van  verweerster. Medio augustus 2016 heeft verweerster klaagster een e-mail gestuurd, waarin zij schrijft dat zij het verzoekschrift bij de rechtbank heeft afgegeven. Bij e-mail van 16 september 2016 heeft verweerster klaagster laten weten dat de rechtbank haar verzoek had geaccepteerd en dat de deurwaarder op elk moment beslag kon leggen. Omdat verweerster geen telefoon-en faxverbinding had, kon zij klaagster hierover niets schriftelijk bevestigen. Vervolgens heeft verweerster op 22 november 2016 een conceptdagvaarding aan klaagster toegezonden, waarop klaagster een dag later via een WhatsApp-bericht haar goedkeuring heeft gegeven. Nadien heeft klaagster middels e-mails en WhatsApp-berichten meermalen vergeefs om een reactie van verweerster verzocht. Op 13 december 2016 heeft verweerster klaagster een brief toegezonden, waaruit blijkt dat zij een concept “verzoekschrift betreffende vordering onrechtmatig handelen”, bij de rechtbank heeft ingediend.

5.4    De raad overweegt het volgende.

5.5    Verweerster heeft (ook ter zitting van 1 april 2019) erkend dat de door haar geëntameerde procedure ‘verzoekschrift vordering onrechtmatig handelen’, een verkeerde procedure is geweest. Daarbij heeft zij de kanttekening geplaatst dat zij deze procedure op aandringen van klaagster in gang heeft gezet en dat zij misschien teveel naar de wensen van klaagster heeft geluisterd.

5.6    De raad stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een advocaat bij de behandeling van een zaak de leiding heeft en vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid dient te bepalen met welke aanpak van zaken de belangen van zijn cliënt het beste zijn gediend. Wel moet de advocaat zijn cliënt duidelijk maken hoe hij te werk wil gaan en waartoe hij wel of niet bereid is. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is in het algemeen pas sprake als de advocaat bij de behandeling van de zaak kennelijk onjuist optreedt of adviseert en de belangen van de cliënt daardoor worden geschaad of kunnen worden geschaad.

5.7    De raad is van oordeel dat niet alleen de aanpak van verweerster onjuist is geweest, maar met het hiervoor in randnummer 5.3 geschetste handelen heeft verweerster voorts aangetoond onvoldoende deskundig te zijn als bedoeld in artikel 10a, lid 1 onder c Advocatenwet. In de eerste plaats heeft verweerster in het kader van de door klaagster verzochte bijstand aangekondigd een brief te zullen schrijven aan het gerechtshof, de instantie ten overstaan waarvan klaagster een schikking met haar wederpartij had bereikt. Deze aanpak is onjuist en kansloos. De schikking was immers getroffen met de wederpartij en alleen die kon worden aangesproken op de niet-nakoming ervan. Ook als het geen schikking zou zijn geweest maar een veroordeling door het gerechtshof geldt dit. Een rechterlijke instantie wordt niet bij brief betrokken bij een uitvoeringsgeschil tussen partijen. In november/december 2016 heeft zij wederom een onjuiste, niet-bestaande, rechtsgang gekozen voor klaagster, namelijk een verzoekschriftprocedure houdende een vordering uit onrechtmatig handelen in plaats van de daarvoor geëigende dagvaardingsprocedure Daarnaast heeft verweerster onvoldoende en niet adequaat gereageerd op de vele berichten die klaagster haar heeft gestuurd en is zij gedane toezeggingen niet nagekomen. Zo heeft zij de hiervoor besproken brief aan het gerechtshof pas drie maanden na haar toezegging aan klaagster dienaangaande verstuurd. Daarmee heeft verweerster klaagster geruime tijd in onzekerheid en onwetendheid gelaten. Tevens heeft verweerster vanaf medio mei 2016 tot eind april 2017 doen voorkomen dat ze werkzaamheden voor klaagster verrichtte en stukken bij de rechtbank had ingediend, terwijl met name dat laatste in het geheel niet uit het klachtdossier en het nadere onderzoek van de deken is gebleken. Dat onderzoek heeft immers uitgewezen dat er een discrepantie is tussen het faxnummer waarmee (het kantoor van) verweerster op 22 september 2016 per telefax een verzoekschrift heeft ingediend bij de rechtbank en het faxnummer wat op het fax-verzendrapport is vermeld. De berichten die verweerster klaagster heeft doen toekomen aangaande het volgens verweerster door haar in augustus 2016 namens klaagster ingediende beslagrekest doen met een hoge mate van waarschijnlijkheid vermoeden dat verweerster hierin onware mededelingen doet. Het ‘afgeven’ van een beslagrekest bij een rechtbank, het ruim twee weken later langsgaan bij ‘degene die het beslagrekest in behandeling heeft’ en het dan weer twee weken later verkrijgen van toestemming past niet in een dergelijke procedure die naar zijn aard een spoedeisend karakter heeft. Er is geen enkele reden aangevoerd door verweerster om aan te kunnen nemen dat in het onderhavige geval de beslagprocedure anders moest, en is, gelopen dan gebruikelijk.

5.8    Verweerster heeft een verklaring voor haar handelen gegeven, inhoudende dat dit het gevolg is geweest van de meerdere TIA’s die zij gedurende de periode van 2014 en 2018 heeft gehad. Deze stelling wordt niet onderbouwd noch gestaafd met bewijs daarvan. Maar wat hiervan ook zij, naar het oordeel van de raad was het de taak van verweerster om de belangen van klaagster te behartigen en, als zij hiertoe om welke redenen dan ook, niet (langer) in staat was, de zaak tijdig aan een andere advocaat over te dragen zodat de zaak van klaagster (voortvarend) op- en aangepakt zou worden en blijven. De stellingen van verweerster bij gelegenheid van de mondelinge behandeling dat een confrère van haar de uitvoering van de opdracht zou hebben waar- of overgenomen en verzoekschriften zou hebben ingediend worden niet onderbouwd. Daar komt bij dat de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat verweerster contact met klaagster heeft getraineerd of vermeden. Indien en voor zover wel sprake was van contact tussen klaagster en verweerster, heeft verweerster telkens uitvluchten gebruikt voor haar handelen teneinde de ware redenen voor haar (ondermaatse) werkzaamheden te verhullen. Verweerster heeft haar verantwoordelijkheid niet genomen en de belangen van klaagster veronachtzaamd. De raad betrekt daarbij tevens zijn waarneming dat verweerster, (ook) nadat zij ter zitting van 1 april 2019 door de raad werd geconfronteerd met ongerijmdheden en inconsistenties in haar verklaringen, telkens haar verklaring (iets) heeft aangepast en daarbij niet heeft geschroomd om de schuld (deels) bij anderen te leggen.

5.9    Gelet op het voorgaande is de raad van oordeel is dat verweerster zich heeft schuldig gemaakt aan handelen dat een behoorlijk advocaat niet betaamt en daarmee het vertrouwen in haar eigen beroepsuitoefening en in de advocatuur ernstig heeft geschaad. In het bijzonder is verweerster in ernstige mate en bij voortduring tekort geschoten in de zorg die zij voor klaagster had behoren te betrachten en zij heeft daarmee een onaanvaardbaar risico genomen dat klaagster in haar belangen zou worden geschaad.

5.10    Concluderend is de raad van oordeel dat de klacht gegrond is.

 

6    MAATREGEL

6.1    Het gedrag van verweerster schaadt het vertrouwen in haar eigen beroepsuitoefening en in de advocatuur in zijn algemeenheid. De gedragingen van verweerster raken aan de kernwaarden van de advocatuur, in het bijzonder de kernwaarden vakkundigheid en integriteit. Voor advocaten die deze kernwaarden met voeten treden is binnen de advocatuur geen plaats. De ernst van de gedragingen van verweerster en het gevaar voor herhaling zijn daarvoor te groot.

6.2    De onderhavige klacht staat immers niet op zichzelf. Uit het tuchtrechtelijk verleden van verweerster blijkt dat aan haar sinds 2012 driemaal een waarschuwing en twee berispingen zijn opgelegd. Daarnaast is het kantoor van verweerster eerder (in 2013) aan een onderzoek door de deken naar de praktijkoefening onderworpen geweest. Daarbij komt dat in een andere klachtzaak tegen verweerster met nummer 17-970/DH/RO – die grote overeenkomsten vertoont met onderhavige klachtzaak – de raad bij eveneens vandaag genomen beslissing die klacht grotendeels gegrond verklaart. Verweerster heeft naar aanleiding van eerdere voorvallen kennelijk geen, althans onvoldoende, maatregelen genomen om herhaling van dergelijke klachten te voorkomen.

6.3    Gelet op de ernst en het repeterende karakter van de aan verweerster gemaakte verwijten en de ambivalente houding van verweerster over haar eigen aandeel daarin, heeft de raad niet de overtuiging dat, voor zover verweerster al oprecht spijt heeft van haar gedragingen, zij in staat is haar handelen dusdanig aan te passen dat situaties als hier aan de orde voor de toekomst worden voorkomen.

6.4    Concluderend is de raad van oordeel dat een verdere uitoefening van de praktijk door verweerster een zodanig aanzienlijk risico voor de behartiging van de belangen van toekomstige cliënten van verweerster vormt, dat het vertrouwen in de advocatuur ernstig zou worden ondermijnd. De raad acht schrapping van het tableau dan ook de enige passende maatregel.

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e, vijfde lid, Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50 aan haar vergoeden.

7.2     Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 25 reiskosten van klaagster,

b) € 1000 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten

7.3     Verweerster moet het bedrag van € 25 reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden betalen aan klaagster. Klaagster geeft tijdig haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

7.4    Verweerster moet het bedrag van € 1000 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht gegrond;

-    legt aan verweerster de maatregel van schrapping op, ingaande op de tweede dag na het onherroepelijk worden van deze beslissing;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van EUR 50 aan klaagster;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van EUR 25 aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van EUR 1000 aan de Nederlandse Orde van Advocaten.

Aldus beslist door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. M. Aukema en H.E. Meerman, leden, bijgestaan door mr. D.L. van Lijf als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2019.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens