Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TADRSGR:2019:120
Datum uitspraak:
03-06-2019
Datum publicatie:
17-06-2019
Zaaknummer(s):
17-970/DH/RO
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamtWat in het algemeen niet betaamt
Beslissingen:
Schrapping Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie:
Raadbeslissing. Klaagster is in klachtonderdeel a) niet-ontvankelijk verklaard. Klachtonderdeel b) dat er in de kern op neer komt dat verweerster in strijd met de waarheid stelt berichten te hebben gestuurd, is gegrond verklaard. De gedragingen van verweerster raken aan, in het bijzonder, de kernwaarde integriteit. Voor advocaten die deze kernwaarde met voeten treden is binnen de advocatuur geen plaats. De ernst van de gedragingen van verweerster en het gevaar voor herhaling zijn daarvoor te groot. Onderhavige klacht staat immers niet op zichzelf. Een andere klachtzaak tegen verweerster met nummer 18-359/DH/RO – die grote overeenkomsten vertoont met onderhavige klachtzaak – verklaart de raad bij eveneens vandaag genomen beslissing gegrond. Verweerster heeft naar aanleiding van eerdere voorvallen kennelijk geen, althans onvoldoende, maatregelen genomen om herhaling van dergelijke klachten te voorkomen. Schrapping.

Rotterdam

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 3 juni 2019

in de zaak 17-970/DH/RO

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

 

over:

 

verweerster

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Het verloop van de procedure blijkt uit de tussenbeslissing van 3 december 2018, waarbij de raad in afwachting van de voortgang in de klachtzaak met nummer 18-359/DH/RO iedere verdere beslissing heeft aangehouden.

1.2    Naar aanleiding van de (tussen)beslissing van 3 december 2018 in de zaak 18-359/DH/RO heeft de deken onderzoek verricht naar de vraag of verweerster, zoals zij heeft gesteld, een aantal stukken heeft ingediend bij de rechtbank.

1.3    Bij brief met bijlagen van 10 januari 2019 heeft de deken in die zaak zijn onderzoeksbevindingen naar de raad gezonden waarna die klacht nader is behandeld in raadkamer op 1 april 2019.

 

2    DE VERDERE BEOORDELING

2.1    Klachtonderdeel b) komt er in de kern op neer dat verweerster in strijd met de waarheid stelt berichten te hebben gestuurd.

2.2    Concreet verwijt klaagster verweerster dat verweerster met haar e-mail van 26 april 2017 in strijd met de waarheid aan E. heeft bericht dat verweerster klaagster nadrukkelijk had laten weten op 15 maart 2017 verhinderd te zijn en dat klaagster daarop niet heeft gereageerd alsmede dat verweerster verschillende data aan klaagster zou hebben doorgegeven maar daar evenmin een reactie op ontving en tevens dat klaagster niet zou zijn ingegaan op haar aanbod schriftelijk te reageren. Dit verwijt is naar het oordeel van de raad terecht. In haar e-mail van 5 mei 2017 aan klaagster heeft verweerster immers expliciet erkend dat verweerster tot 26 april 2017 geen enkele reactie aan haar, klaagster, had gezonden (en verweerster dus niet kon voldoen aan het verzoek van klaagster haar reacties nogmaals toe te zenden).

2.3    Gelet op het voorgaande is de raad van oordeel dat verweerster zich heeft schuldig gemaakt aan handelen dat een behoorlijk advocaat niet betaamt en daarmee het vertrouwen in haar eigen beroepsuitoefening en in de advocatuur ernstig heeft geschaad. De raad acht dit klachtonderdeel dan ook gegrond.

 

3    MAATREGEL

3.1    Het gedrag van verweerster schaadt het vertrouwen in haar eigen beroepsuitoefening en in de advocatuur in zijn algemeenheid. De gedragingen van verweerster raken aan de kernwaarden van de advocatuur, in het bijzonder de kernwaarde integriteit. Voor advocaten die deze kernwaarde met voeten treden is binnen de advocatuur geen plaats. De ernst van de gedragingen van verweerster en het gevaar voor herhaling zijn daarvoor te groot.

3.2    De onderhavige klacht staat immers niet op zichzelf. Uit het tuchtrechtelijk verleden van verweerster blijkt dat aan haar sinds 2012 driemaal een waarschuwing en twee berispingen zijn opgelegd. Daarnaast is het kantoor van verweerster eerder (in 2013) aan een onderzoek door de deken naar de praktijkoefening onderworpen geweest. Daarbij komt dat in een andere klachtzaak tegen verweerster met nummer 18-359/DH/RO – die grote overeenkomsten vertoont met onderhavige klachtzaak – de raad bij eveneens vandaag genomen beslissing die klacht gegrond verklaart. Verweerster heeft naar aanleiding van eerdere voorvallen kennelijk geen, althans onvoldoende, maatregelen genomen om herhaling van dergelijke klachten te voorkomen.

3.4    Gelet op de ernst van de aan verweerster gemaakte verwijten en de ambivalente houding van verweerster over haar eigen aandeel daarin, heeft de raad niet de overtuiging dat, voor zover verweerster al oprecht spijt heeft van haar gedragingen, zij in staat is haar handelen dusdanig aan te passen dat situaties als hier aan de orde voor de toekomst worden voorkomen.

3.5    Concluderend is de raad van oordeel dat een verdere uitoefening van de praktijk door verweerster een zodanig aanzienlijk risico voor de behartiging van de belangen van (toekomstige) cliënten van verweerster vormt, dat het vertrouwen in de advocatuur ernstig zou worden ondermijnd. De raad acht schrapping van het tableau dan ook de enige passende maatregel.

 

4    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

4.1    Omdat de raad de klacht deels gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e, vijfde lid, Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50 aan haar vergoeden.

4.2     Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 25 reiskosten van klaagster,

b) € 1000 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten

4.3     Verweerster moet het bedrag van € 25 reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden betalen aan klaagster. Klaagster geeft tijdig haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

4.4    Verweerster moet het bedrag van € 1000 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klaagster in klachtonderdeel a) niet-ontvankelijk;

-    verklaart klachtonderdeel b) gegrond;

-    legt aan verweerster de maatregel van schrapping op, ingaande op de tweede dag na het onherroepelijk worden van deze beslissing;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van EUR 50 aan klaagster;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van EUR 25 aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 4.3;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van EUR 1000 aan de Nederlandse Orde van Advocaten.

 

Aldus beslist door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. M. Aukema, H.E. Meerman,

L. Eenens en A.J.N. van Stigt, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2019.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens