Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TADRAMS:2019:49
Datum uitspraak:
11-03-2019
Datum publicatie:
18-03-2019
Zaaknummer(s):
18-756/A/A
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijVrijheid van handelen Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijWat nooit geoorloofd is
Beslissingen:
Voorwaardelijke schorsing
Inhoudsindicatie:
Gegronde klacht over de advocaat van de wederpartij. Op de cliënte van verweerster rustte een inspanningsverplichting om de informatie op de computer te ontsluiten en, voor zover de informatie relevant was, aan de deurwaarder ter beschikking te stellen. Nu de computer op het kantoor van verweerster aanwezig was en ter zitting de indruk is gegeven dat de opgeslagen gegevens gekoppeld zouden worden aan het kantoorsysteem van verweerster, heeft verweerster, door de computer op de laatste dag van de door de rechtbank gestelde termijn aan haar cliënte te versturen, in strijd gehandeld met hetgeen van haar verwacht mocht worden. Nu de door verweerster overtreden norm een kernwaarde – integriteit – betreft kan niet worden volstaan met een lichtere maatregel dan een voorwaardelijke schorsing van vier weken. Het dekenbezwaar dat op hetzelfde feitencomplex ziet (18-757/A/A/D) is eveneens gegrond verklaard en in beide zaken zal de raad één en dezelfde maatregel opleggen.

Amsterdam

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 11 maart 2019

in de zaak 18-756/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

    

verweerster

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brief van 16 november 2017 hebben de gemachtigden van klaagster namens klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2 Bij brief aan de raad van 24 september 2018 met kenmerk 2017-111712, door de raad ontvangen op 27 september 2018, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht. Bij die brief heeft de deken met betrekking tot hetzelfde feitencomplex tevens een dekenbezwaar over verweerster ter kennis van de raad gebracht. De raad doet in die zaak vandaag eveneens uitspraak (zaaknummer 18-757/A/A/D).

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 5 februari 2019 in aanwezigheid van mrs. De Bie Leuveling Tjeenk en Soeharno namens klaagster, en verweerster, bijgestaan door mr. Loorbach en mr. R. Sanders. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van de in 1.2 genoemde brief van de deken met de bijlagen 1 tot en met 16, 

1.5 De gemachtigde van verweerster heeft bij brief met bijlagen van 22 maart 2018 een zogenoemd afgeschermd verweer bij de deken ingediend, waarvan klaagster geen kennis heeft genomen. Na een debat hierover ter zitting is besloten dat de raad wel kennis zal nemen van dit afgeschermde verweer. Omdat er aan de zijde van verweerster geen behoefte bestond aan een mondelinge behandeling van het afgeschermde verweer en de raad hierover ook geen vragen had, is het verzoek van verweerster om de behandeling van de klacht gedeeltelijk achter gesloten deuren dan wel voor dat gedeelte buiten aanwezigheid van klaagster en haar gemachtigden te laten plaatsvinden afgewezen.

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1 De cliënte van verweerster, een Roemeens olie- en gasconcern, heeft in 2007 en 2009 in twee fasen aandelen in een vennootschap verkocht aan klaagster. De cliënte van verweerster heeft klaagster in dat kader contractueel gevrijwaard in verband met een destijds lopende Roemeense strafzaak tegen een dochtermaatschappij van die vennootschap. Deze strafzaak heeft geleid tot schade, voor welke schade klaagster de cliënte van verweerster heeft aangesproken op grond van de vrijwaring.

2.2 Op 30 april 2016 heeft een arbitraal scheidsgerecht de cliënte van verweerster veroordeeld tot betaling aan klaagster van USD 200.000.000 (en € 191.315,42 voor honorarium en voorschotten). Op 24 mei 2016 heeft de rechtbank Amsterdam verlof verleend voor de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis.

2.3 Op 22 januari 2015 heeft klaagster conservatoir beslag doen leggen op de aandelen van twee dochtermaatschappijen van de cliënte van verweerster. Na verkrijging van een executoriale titel heeft klaagster op 28 juli 2016 de rechtbank Amsterdam verzocht te bepalen op welke wijze en onder welke voorwaarden de verkoop van de aandelen plaats zou vinden. Klaagster heeft in dat kader de rechtbank Amsterdam verzocht de cliënte van verweerster te bevelen alle voor de waardering en verkoop van de aandelen relevante (financiële) gegevens betreffende de dochterondernemingen ter beschikking te stellen.

2.4 Op 10 oktober 2016 heeft er een zitting bij de rechtbank plaatsgevonden. Tijdens deze zitting is door mr. Leijten namens klaagster blijkens het proces-verbaal onder meer het volgende verklaard:

”Wij zijn niet uit op nodeloze dwangsomdiscussies, wel op executie van aandelen. (…). Aan de levering van de basisinformatie, te weten de informatie die kennelijk beschikbaar is bij Deloitte, bij [de cliente van verweerster] zelf, al dan niet op de laptop van de voormalig bedrijfsjurist, kunt u naar onze visie een dwangsom verbinden.(…)“

2.5 Volgens het proces-verbaal van die zitting heeft een kantoorgenoot van verweerster, mr. Van L, tijdens de zitting onder meer het volgende verklaard:

“[De cliënte van verweerster] is bereid de informatie te verstrekken. (…)

Gelet op de geschetste omstandigheden acht ik een termijn van 14 dagen te kort. De informatie ligt op het corporate address van [de cliënte van verweerster], en het nieuwe bestuur heeft een en ander nog niet kunnen onderzoeken. [De cliënte van verweerster] beschikt al een tijd niet meer over een bedrijfsjurist. De laatst werkzame bedrijfsjurist heeft wel zijn computer overgedragen. Deze computer is evenwel nog niet compatibel met ons systeem, maar daar wordt aan gewerkt. Daarnaast ligt er informatie bij de accountant. Ik verzoek u in verband met de kwestie van de laptop een langere termijn te bepalen dan [klaagster] voorstaat.”

2.6 Bij beschikking van 24 november 2016 heeft de rechtbank het informatieverzoek van klaagster toegewezen en de cliënte van verweerster opgedragen om binnen veertien dagen na de beschikking onder andere de voor de waardering en verkoop van de aandelen relevante (financiële) informatie ten aanzien van de vennootschappen voor zover deze voorhanden is op de computer van de bedrijfsjurist aan de deurwaarder te verstrekken, op straffe van een dwangsom. Hiertoe heeft de rechtbank onder meer overwogen:

“4.6. (…) Immers is opgehelderd dat [klaagster] slechts verzoekt om informatie die [de cliënte van verweerster] onder zich heeft voor zover deze informatie ziet op de vennootschappen althans nodig is om de waarde van de aandelen te bepalen. [De cliënte van verweerster] heeft zich bereid verklaard deze informatie te verschaffen. (…) De voor de waardering en verkoop van de aandelen relevante (financiële) informatie ten aanzien van de vennootschappen kan onderverdeeld worden in twee categorieën, te weten:

a) De relevante informatie voor zover deze voorhanden is: 1) bij de accountant (…), 2) op de computer van de voormalige bedrijfsjurist van [de cliënte van verweerster], 3) op het kantoor van [de cliënte van verweerster];

b) (…)

4.7. Ter terechtzitting is gebleken dat de onder a) gecategoriseerde informatie relatief eenvoudig door [de cliënte van verweerster] kan worden verstrekt.”

2.7 De deurwaarder heeft de cliënte van verweerster op 22 december 2016, 6 januari en 28 februari 2017 verzocht aan de beschikking van 24 november 2016 te voldoen.

2.8 Op 22 mei 2017 heeft de voorzieningenrechter op verzoek van klaagster verlof verleend voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag op de informatie op de in de beschikking van 24 november 2016 genoemde computer.

2.9 Op 23 mei 2017 is tijdens het bezoek van de deurwaarder aan het kantoor van verweerster gebleken dat verweerster de hiervoor genoemde computer op 8 december 2016 had verzonden naar een onbekend (door verweerster geanonimiseerd) adres. Het proces-verbaal van de deurwaarder luidt, voor zover relevant:

“Na voorlezing van de beschikking en mijn doel van komst te hebben meegedeeld werd ik begeleid door [verweerster] naar een vergaderruimte, na kort overleg deelde [verweerster] mij mede dat er een overleg plaats diende te vinden, op mijn eerste vraag of de relevante computer op locatie aanwezig was werd geen mededeling over gedaan.

Enkele momenten later retourneerde [verweerster] naar de vergaderruimte en deelde mede dat de relevante computer ter plaatse niet aanwezig was, op de vraag of meegedeeld kon worden waar de computer zich wel bevond, werd opnieuw geen mededeling gedaan. (…)

De gemoederen liepen hoog op nadat ik een verzoek had gedaan te kunnen verifieren of de computer inderdaad niet langer aanwezig was op de locatie, in beginsel werd hier dan ook geen goedkeuring voor gegeven. Vervolgens heb ik opnieuw dringend verzocht om mij te begeleiden, en dat indien hier enige bezwaren voor waren (of enige andere bezwaren over de uitvoering van het beslag) dat [verweerster] de voorzieningenrechter kon raadplegen voor overleg cq opheffing. [Verweerster] deelde mij mede hier geen tijd voor te hebben en zodoende in ieder geval de komende twee dagen geen gebruik van te zullen maken. Kort daarop volgend verliet [verweerster] de vergaderruimte om opnieuw overleg te hebben.

In de tussentijd heb ik de beschikking opnieuw bestudeerd en geconstateerd dat er een vraag was gerezen (…) Nu hier voor mij geen duidelijkheid over bestond heb ik (…) telefonisch contact gezocht met de voorzieningenrechter teneinde hier een uitsluitsel over te verkrijgen. (…)

Uit het gesprek bleek ook dat de voorzieningenrechter de wens had om met alle partijen kort telefonisch overleg te voeren (…) Hier wenste [verweerster] in beginsel niet bij aanwezig te zijn nu zij het gesprek alleen wilde vervolgen in het bijzijn van [haar advocaat] (…) Na een korte tijd heeft [verweerster] toch besloten aanwezig te zijn bij het telefoongesprek. (…)

[Verweerster] werd door mij opnieuw verzocht medewerking te verlenen bij de uitvoering (…) van de beschikking, de vertegenwoordiger van de deken ondersteunde dit verzoek door te stellen dat een advocaat gehouden is om medewerking te verlenen aan een bevel van een rechter. [Verweerster] zou dit opnieuw overwegen door wederom in overleg te treden en verliet de vergaderruimte.

Na circa één uur retourneerde [verweerster] tezamen met [een kantoorgenoot] terug in de vergaderruimte en had een kopie meegenomen van een verzendbewijs van een koeriersdienst. Uit dit verzendbewijs werd duidelijk dat er op 8 december 2016 een verzending heeft plaatsgevonden, de geadresseerde op het verzendbewijs is onleesbaar gemaakt. (…)

Eenmaal de verzendbewijzen te hebben gelezen heb ik besloten een verklaring van [verweerster] en [een kantoorgenoot] op te nemen, in welke verklaring door mij is gevraagd: Kunt u verklaren en bevestigen dat de zending zoals is opgenomen in de verzendbewijzen de laptop betreft zoals is omschreven in het verzoekschrift, en dat deze laptop is verzonden op 8 december 2016 aan een onbekend persoon/bedrijf? Na deze vraag te hebben gesteld heb ik geregistreerd dat zowel [verweerster] en [de kantoorgenoot] bevestigend hebben geantwoord op deze vraag.”

2.10 Op 29 mei 2017 heeft klaagster verlof gevraagd voor het leggen van bewijsbeslag op het niet-geanonimiseerde verzendbewijs. Bij beschikking van 16 juni 2017 heeft de voorzieningenrechter dat verlof verleend. De beschikking luidt, voor zover relevant:

“5.2. Het verzochte bewijsbeslag op het verzendbewijs van de computer zal wel worden toegewezen. Voorshands is voldoende aannemelijk dat aan de vereisten van artikel 843a Rv met betrekking tot rechtmatig belang, rechtsbetrekking en bepaaldheid wordt voldaan. Daarnaast is voldoende aannemelijk dat de situatie ernstig genoeg is om de toepassing van een ingrijpend dwangmiddel als het bewijsbeslag te rechtvaardigen, en dat het in beslag te nemen verzendbewijs zich onder [het kantoor van verweerster] bevindt. Ook bestaat gegronde vrees voor verduistering. Weliswaar heeft [het kantoor van verweerster] benadrukt dat zij geen bewijsmateriaal zal vernietigen of kwijtmaken, maar dit valt niet uit te sluiten. De computer bevond zich immers op het kantoor van [het kantoor van verweerster], en is in haar opdracht naar elders verzonden enkele weken na de beschikking van 24 november 2016 waarin [de cliënte van verweerster] werd bevolen de computer aan de deurwaarder af te geven. [Het kantoor van verweerster] heeft er op deze wijze aan meegewerkt dat haar cliënt (…) in strijd heeft gehandeld met de beschikking van 24 november 2016, en het is niet onmogelijk dat [het kantoor van verweerster] opnieuw het belang van haar cliënt zal laten prevaleren.” 

2.11 Op 19 juni 2017 is bewijsbeslag gelegd op het verzendbewijs.

2.12 Klaagster heeft het kantoor van verweerster vervolgens op 14 juli 2017 in kort geding gedagvaard en inzage in het verzendbewijs gevorderd. Een dag voor de zitting heeft (de advocaat van) het kantoor van verweerster een conclusie van antwoord genomen waarin onder meer staat dat de computer op instructie van de enig bevoegd bestuurder van de cliënte van verweerster is gezonden aan die enig bevoegde bestuurder (in Zwitserland dan wel Cyprus). Klaagster heeft de kortgedingprocedure vervolgens ingetrokken.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij er welbewust aan heeft meegewerkt dat haar cliënte niet heeft voldaan aan het rechterlijk bevel van 24 november 2016, door op de laatste dag van de door de rechter gegeven termijn – op 8 december 2016 – de computer naar het buitenland te versturen.

3.2 Klaagster heeft haar klacht als volgt toegelicht. Nadat een kantoorgenoot van verweerster namens de cliënte van verweerster op de zitting van 10 oktober 2016 had verklaard bereid te zijn bepaalde informatie te verstrekken, die stond op een computer die zich op het kantoor van verweerster bevond, beval de rechter bij beschikking van 24 november 2016 aan de cliënte van verweerster om deze informatie binnen veertien dagen aan een deurwaarder te verstrekken. Op 8 december 2016 – de laatste dag van de door de rechter gestelde termijn – heeft verweerster de computer weggezonden, terwijl zij wist dat haar cliënte niet aan het rechterlijk bevel had voldaan. Naar later bleek heeft verweerster op die dag de computer naar het buitenland gestuurd.

4 VERWEER

4.1 Verweerster voert, zakelijk weergegeven, het volgende aan. Het gaat om een computer, waarvan vaststaat dat deze eigendom was van de cliënte van verweerster (en dus niet van het kantoor van verweerster of een derde). Het kantoor van verweerster was houder in het kader van haar al enkele jaren bestaande opdrachtrelatie met de cliënte van verweerster, niet noodzakelijkerwijs ten behoeve van de behandeling van het geschil tussen de cliënte van verweerster en klaagster. Het kantoor van verweerster heeft de computer ter uitvoering van een instructie binnen het kader van die opdrachtrelatie verzonden aan een persoon, die bevoegd was namens de cliënte (alleen) te instrueren en namens die cliënte te ontvangen. De verzending was een passende, en zelfs niet te weigeren daad van nakoming van een verplichting die ontstond door een instructie binnen de opdrachtrelatie. Deze instructie zou de cliënte van verweerster in staat stellen om te voldoen aan de aan haar in de beschikking van de rechtbank opgelegde verplichting; de uit de beschikking voortvloeiende verplichting om informatie te verschaffen berustte immers op de cliënte van verweerster en niet op (het kantoor van) verweerster. Klaagster heeft nooit gevorderd dat de computer in bezit moest blijven van het kantoor van verweerster, en heeft ook pas in mei 2017 gepoogd beslag te leggen op de computer. Klaagster kon er gelet op de door haar gevorderde maatregel en verkregen beschikking niet van uit gaan dat het kantoor van verweerster in het bezit zou blijven van de computer. Integendeel, het kantoor van verweerster had als opdrachtnemer simpelweg de instructie van haar cliënte te respecteren. Nakoming van verplichtingen die in een civielrechtelijke opdrachtrelatie ontstaan, kan moeilijk tegenover derden onbetamelijk (of zelfs onrechtmatig) zijn.

4.2 Verweerster betwist voorts dat haar gedraging ertoe kon leiden, en er dus ook de facto niet toe heeft geleid, dat de nakoming van de veroordeling daardoor werd bemoeilijkt. Verweerster betwist dat het oogmerk van haar cliënte was om door de computer weer in eigen beheer te nemen, de nakoming van de veroordeling te ontgaan. Temeer betwist verweerster dat zij gehoor gaf aan een verzoek van haar cliënte in de wetenschap van of zelfs met het doel om haar cliënte er behulpzaam bij te zijn om bewijs onbereikbaar te maken voor klaagster. De interactie tussen verweerster en haar cliënte had tot het moment van verzending van de computer, en ook daarna, een zodanig karakter en een zodanige inhoud, dat verweerster geen reden had om aan te nemen dat haar cliënte voornemens was naleving van het rechterlijk bevel te ontgaan. De cliënte van verweerster had daartoe ook allerminst een motief. Bij de beoordeling van de klacht kan dus niet worden uitgegaan van opzet van de cliënte van verweerster om nakoming van het rechterlijk bevel te ontgaan. Voor zover de cliënte van verweerster wel het oogmerk van het ontgaan van het rechterlijk bevel heeft gehad, geldt dat verweerster aan het verzoek tot overdracht van de computer van haar cliënte heeft voldaan zonder eigen opzet om haar cliënte te faciliteren in dit bewust en actief niet nakomen van het rechterlijk bevel. Aldus nog steeds verweerster.

5 BEOORDELING

5.1 Klaagster verwijt verweerster dat zij er welbewust aan heeft meegewerkt dat haar cliënte niet heeft voldaan aan het rechterlijk bevel van 24 november 2016, door op de laatste dag van de door de rechter gegeven termijn – op 8 december 2016 – de computer naar het buitenland te versturen.

5.2 De raad overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van de zitting van 10 oktober 2016 (zie 2.4) volgt dat de kantoorgenoot van verweerster heeft verklaard dat de cliënte van verweerster bereid is de informatie (die onderwerp van geschil is) te verstrekken, dat de laatst werkzame bedrijfsjurist zijn computer heeft overgedragen, dat die computer nog niet compatibel is met het systeem van het kantoor van verweerster maar dat daaraan wordt gewerkt. Hierdoor heeft de kantoorgenoot van verweerster bij de rechter, zoals ook wordt bevestigd in de later op 16 juni 2017 gegeven beschikking, en bij klaagster het vertrouwen gewekt dat de cliënte van verweerster bereid was de informatie te verstrekken, dat het kantoor van verweerster over een computer beschikte met daarop mogelijk relevante informatie en dat zij die informatie, nadat de computer ontsloten was – waar hard aan gewerkt werd – ter beschikking zou stellen. Verweerster heeft aangevoerd dat het proces-verbaal op dit punt niet juist althans onvolledig is, maar daaraan gaat de raad voorbij, alleen al omdat gesteld noch gebleken is dat verweerster stappen heeft ondernomen om het proces-verbaal op dit punt aan te laten passen.

5.3 Op de cliënte van verweerster rustte aldus een inspanningsverplichting om de informatie op de computer te ontsluiten en, voor zover die informatie relevant was, aan de deurwaarder ter beschikking te stellen. Nu de computer op het kantoor van verweerster aanwezig was en ter zitting de indruk is gegeven dat de opgeslagen gegevens gekoppeld zouden worden aan het kantoorsysteem van verweerster, heeft verweerster, door de computer op 8 december 2016, de laatste dag van de in de beschikking van 24 november 2016 gegeven termijn, aan haar cliënte te versturen, in strijd gehandeld met hetgeen van haar verwacht mocht worden.

5.4 Dat de cliënte van verweerster geen reden had om de mogelijk op de computer aanwezige gegevens onbereikbaar te houden, zij de gegevens waar het om ging, zij het uit andere bronnen, heeft verschaft en die andere bronnen waarschijnlijk beter, rijker en recenter waren dan de informatie op de gedateerde computer, zoals verweerster stelt, doet aan het voorgaande niet af. Bovendien kan dit niet worden vastgesteld nu tot op heden niet duidelijk is welke informatie er op de computer staat.

5.5 Dat verweerster de computer op instructie van haar cliënte, een instructie die zij niet kon weigeren, aan haar cliënte heeft gestuurd moge zo zijn, maar het had gelet op de mededelingen van haar kantoorgenoot op de weg van verweerster gelegen om nadere maatregelen te treffen, alvorens tot verzending over te gaan. Verweerster had bijvoorbeeld  een kopie met alle gegevens op de laptop aan haar cliënte kunnen versturen of zelf een kopie  kunnen behouden, dan wel kunnen overleggen met de voorzieningenrechter, X, de deurwaarder en/of de deken. Met name dat laatste had voor de hand gelegen in geval verweerster, mede gelet op haar geheimhoudingsplicht, destijds van oordeel zou zijn geweest, dat mogelijk sprake was van een belangenconflict, te weten enerzijds de kennelijk bestaande wens van de cliënte tot terugzending en anderzijds de ter zitting gedane mededelingen. Verweerster heeft dit allemaal niet gedaan. Zij heeft de computer zonder mededeling aan wie dan ook aan haar cliënte gestuurd en over het versturen van de computer tot 23 mei 2017, de dag waarop de deurwaarder bewijsbeslag wilde leggen, gezwegen.

5.6 Door op de laatste dag van de door de rechter gestelde termijn de computer fysiek naar Zwitserland dan wel Cyprus te sturen kon de cliënte van verweerster onmogelijk nog diezelfde dag aan het rechterlijk bevel voldoen en verweerster wist dat of had dat redelijkerwijs kunnen weten. Verweerster heeft dan ook tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. In het afgeschermde verweer heeft de raad geen stukken aangetroffen die de verwijtbaarheid van verweersters handelen kunnen wegnemen.

5.7 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht gegrond is. De overige aangevoerde verweren behoeven in het licht van al het voorgaande geen bespreking.

6 MAATREGEL

6.1 Het gedrag van verweerster heeft niet voldaan aan de professionele standaard, dat een advocaat dient te handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Nu de door verweerster overtreden norm een kernwaarde – integriteit – betreft kan niet volstaan worden met een lichtere maatregel dan een voorwaardelijke schorsing voor de duur van vier weken, ook al is niet eerder aan verweerster een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd. 

6.2 De deken heeft naar aanleiding van de handelwijze van verweerster waarover ook klaagster heeft geklaagd en waarop deze beslissing ziet een dekenbezwaar tegen verweerster ingediend. Dat bezwaar onder zaaknummer 18-757/A/A/D is bij eveneens vandaag genomen beslissing gegrond verklaard. De raad acht oplegging van de maatregel voor de onderhavige zaak en het heden gegrond verklaarde dekenbezwaar passend en geboden. In beide zaken zal de raad dan ook één en dezelfde maatregel opleggen.

7 KOSTENVEROORDELING 

7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e, vijfde lid, Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50 aan haar vergoeden.

7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

- € 1.000 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten.

7.3  Verweerster moet het bedrag van € 1.000 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart de klacht gegrond;

- legt aan verweerster in deze zaak en in het dekenbezwaar met zaaknummer 18-757/A/A/D tezamen éénmaal de maatregel van schorsing voor de duur van vier weken op;

 - bepaalt dat deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder binnen de hierna te vermelden proeftijd zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;

-  stelt de proeftijd op een periode van 2 jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;

- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50 aan klaagster;

-  veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1000 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

 - bepaalt dat de in artikel 8a, derde lid, van de Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot 2 jaar.

Aldus beslist door mr. E.J. van der Molen, voorzitter, mrs. E.C. Gelok, G. Kaaij, S. Wieberdink en C. Wiggers, leden, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2019.

Griffier Voorzitter

verzending

Deze beslissing is in afschrift op 11 maart 2019 verzonden.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens