Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TADRAMS:2019:48
Datum uitspraak:
11-03-2019
Datum publicatie:
18-03-2019
Zaaknummer(s):
18-757/A/A/D
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamtBezwaren van de deken Wat een behoorlijk advocaat betaamtBelangenconflict
Beslissingen:
Voorwaardelijke schorsing
Inhoudsindicatie:
Gegrond dekenbezwaar. Op de cliënte van verweerster rustte een inspanningsverplichting om de informatie op de computer te ontsluiten en, voor zover de informatie relevant was, aan de deurwaarder ter beschikking te stellen. Nu de computer op het kantoor van verweerster aanwezig was en ter zitting de indruk is gegeven dat de opgeslagen gegevens gekoppeld zouden worden aan het kantoorsysteem van verweerster, heeft verweerster, door de computer op de laatste dag van de door de rechtbank gestelde termijn aan haar cliënte te versturen, in strijd gehandeld met hetgeen van haar verwacht mocht worden. Nu de door verweerster overtreden norm een kernwaarde – integriteit – betreft kan niet worden volstaan met een lichtere maatregel dan een voorwaardelijke schorsing van vier weken. De klacht die op hetzelfde feitencomplex ziet (18-756/A/A) is eveneens gegrond verklaard en in beide zaken zal de raad één maatregel opleggen.

Amsterdam

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 11 maart 2019

in de zaak 18-757/A/A/D

naar aanleiding van het bezwaar van:

de heer mr. S. Burmeister in zijn hoedanigheid van waarnemend deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam

deken

over:

   

verweerster

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brief aan de raad van 24 september 2018 met kenmerk 2017-111712, door de raad ontvangen op 27 september 2018, heeft de deken zijn bezwaar ter kennis van de raad gebracht. Bij die brief heeft de deken met betrekking tot hetzelfde feitencomplex tevens een klacht over verweerster ter kennis van de raad gebracht. De raad doet in die zaak vandaag eveneens uitspraak (zaaknummer 18-756/A/A).

1.2 Het bezwaar is achter gesloten deuren behandeld ter zitting van de raad van 5 februari 2019 in aanwezigheid van mr. J.I.M.G. Jahae, lid van de Raad van de Orde in het arrondissement Amsterdam, vergezeld door mevrouw mr. A.S. Reijnders-Sluis, directeur Bureau van de Orde, en mevrouw mr. A.A. van Ochten, stafmedewerker van de deken, en verweerster, bijgestaan door mr. Loorbach en mr. R. Sanders. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.3 De raad heeft kennisgenomen van de in 1.1 genoemde brief van de deken met de bijlagen 1 tot en met 16. Daarnaast heeft de raad kennisgenomen van het zogenoemde afgeschermde verweer met bijlagen van de gemachtigde van verweerster van 22 maart 2018, de brief met bijlagen van de gemachtigde van verweerster aan de raad van 20 december 2018 en de e-mail van de deken aan de raad van 31 januari 2019.

2 FEITEN

Voor de beoordeling van het bezwaar wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1 De cliënte van verweerster, een Roemeens olie- en gasconcern, heeft in 2007 en 2009 in twee fasen aandelen in een vennootschap verkocht aan X. De cliënte van verweerster heeft X in dat kader contractueel gevrijwaard in verband met een destijds lopende Roemeense strafzaak tegen een dochtermaatschappij van die vennootschap. Deze strafzaak heeft geleid tot schade, voor welke schade X de cliënte van verweerster heeft aangesproken op grond van de vrijwaring.

2.2 Op 30 april 2016 heeft een arbitraal scheidsgerecht de cliënte van verweerster veroordeeld tot betaling aan X van USD 200.000.000 (en € 191.315,42 voor honorarium en voorschotten). Op 24 mei 2016 heeft de rechtbank Amsterdam verlof verleend voor de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis.

2.3 Op 22 januari 2015 heeft X conservatoir beslag doen leggen op de aandelen van twee dochtermaatschappijen van de cliënte van verweerster. Na verkrijging van een executoriale titel heeft X op 28 juli 2016 de rechtbank Amsterdam verzocht te bepalen op welke wijze en onder welke voorwaarden de verkoop van de aandelen plaats zou vinden. X heeft in dat kader de rechtbank Amsterdam verzocht de cliënte van verweerster te bevelen alle voor de waardering en verkoop van de aandelen relevante (financiële) gegevens betreffende de dochterondernemingen ter beschikking te stellen.

2.4 Op 10 oktober 2016 heeft er een zitting bij de rechtbank plaatsgevonden. Tijdens deze zitting is door mr. Leijten namens klaagster blijkens het proces-verbaal onder meer het volgende verklaard:

”Wij zijn niet uit op nodeloze dwangsomdiscussies, wel op executie van aandelen. (…). Aan de levering van de basisinformatie, te weten de informatie die kennelijk beschikbaar is bij Deloitte, bij [de cliente van verweerster] zelf, al dan niet op de laptop van de voormalig bedrijfsjurist, kunt u naar onze visie een dwangsom verbinden.(…)“

2.5 Volgens het proces-verbaal van die zitting heeft een kantoorgenoot van verweerster, mr. Van L, tijdens de zitting onder meer het volgende verklaard:

“[De cliënte van verweerster] is bereid de informatie te verstrekken. (…)

Gelet op de geschetste omstandigheden acht ik een termijn van 14 dagen te kort. De informatie ligt op het corporate address van [de cliënte van verweerster], en het nieuwe bestuur heeft een en ander nog niet kunnen onderzoeken. [De cliënte van verweerster] beschikt al een tijd niet meer over een bedrijfsjurist. De laatst werkzame bedrijfsjurist heeft wel zijn computer overgedragen. Deze computer is evenwel nog niet compatibel met ons systeem, maar daar wordt aan gewerkt. Daarnaast ligt er informatie bij de accountant. Ik verzoek u in verband met de kwestie van de laptop een langere termijn te bepalen dan [X] voorstaat.”

2.6 Bij beschikking van 24 november 2016 heeft de rechtbank het informatieverzoek van X toegewezen en de cliënte van verweerster opgedragen om binnen veertien dagen na de beschikking onder andere de voor de waardering en verkoop van de aandelen relevante (financiële) informatie ten aanzien van de vennootschappen voor zover deze voorhanden is op de computer van de bedrijfsjurist aan de deurwaarder te verstrekken, op straffe van een dwangsom. Hiertoe heeft de rechtbank onder meer overwogen:

“4.6. (…) Immers is opgehelderd dat [X] slechts verzoekt om informatie die [de cliënte van verweerster] onder zich heeft voor zover deze informatie ziet op de vennootschappen althans nodig is om de waarde van de aandelen te bepalen. [De cliënte van verweerster] heeft zich bereid verklaard deze informatie te verschaffen. (…) De voor de waardering en verkoop van de aandelen relevante (financiële) informatie ten aanzien van de vennootschappen kan onderverdeeld worden in twee categorieën, te weten:

a) De relevante informatie voor zover deze voorhanden is: 1) bij de accountant (…), 2) op de computer van de voormalige bedrijfsjurist van [de cliënte van verweerster], 3) op het kantoor van [de cliënte van verweerster];

b) (…)

4.7. Ter terechtzitting is gebleken dat de onder a) gecategoriseerde informatie relatief eenvoudig door [de cliënte van verweerster] kan worden verstrekt.”

2.7 De deurwaarder heeft de cliënte van verweerster op 22 december 2016, 6 januari en 28 februari 2017 verzocht aan de beschikking van 24 november 2016 te voldoen.

2.8 Op 22 mei 2017 heeft de voorzieningenrechter op verzoek van X verlof verleend voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag op de informatie op de in de beschikking van 24 november 2016 genoemde computer.

2.9 Op 23 mei 2017 is tijdens het bezoek van de deurwaarder aan het kantoor van verweerster gebleken dat verweerster de hiervoor genoemde computer op 8 december 2016 had verzonden naar een onbekend (door verweerster geanonimiseerd) adres. Het proces-verbaal van de deurwaarder luidt, voor zover relevant:

“Na voorlezing van de beschikking en mijn doel van komst te hebben meegedeeld werd ik begeleid door [verweerster] naar een vergaderruimte, na kort overleg deelde [verweerster] mij mede dat er een overleg plaats diende te vinden, op mijn eerste vraag of de relevante computer op locatie aanwezig was werd geen mededeling over gedaan.

Enkele momenten later retourneerde [verweerster] naar de vergaderruimte en deelde mede dat de relevante computer ter plaatse niet aanwezig was, op de vraag of meegedeeld kon worden waar de computer zich wel bevond, werd opnieuw geen mededeling gedaan. (…)

De gemoederen liepen hoog op nadat ik een verzoek had gedaan te kunnen verifieren of de computer inderdaad niet langer aanwezig was op de locatie, in beginsel werd hier dan ook geen goedkeuring voor gegeven. Vervolgens heb ik opnieuw dringend verzocht om mij te begeleiden, en dat indien hier enige bezwaren voor waren (of enige andere bezwaren over de uitvoering van het beslag) dat [verweerster] de voorzieningenrechter kon raadplegen voor overleg cq opheffing. [Verweerster] deelde mij mede hier geen tijd voor te hebben en zodoende in ieder geval de komende twee dagen geen gebruik van te zullen maken. Kort daarop volgend verliet [verweerster] de vergaderruimte om opnieuw overleg te hebben.

In de tussentijd heb ik de beschikking opnieuw bestudeerd en geconstateerd dat er een vraag was gerezen (…) Nu hier voor mij geen duidelijkheid over bestond heb ik (…) telefonisch contact gezocht met de voorzieningenrechter teneinde hier een uitsluitsel over te verkrijgen. (…)

Uit het gesprek bleek ook dat de voorzieningenrechter de wens had om met alle partijen kort telefonisch overleg te voeren (…) Hier wenste [verweerster] in beginsel niet bij aanwezig te zijn nu zij het gesprek alleen wilde vervolgen in het bijzijn van [haar advocaat] (…) Na een korte tijd heeft [verweerster] toch besloten aanwezig te zijn bij het telefoongesprek. (…)

[Verweerster] werd door mij opnieuw verzocht medewerking te verlenen bij de uitvoering (…) van de beschikking, de vertegenwoordiger van de deken ondersteunde dit verzoek door te stellen dat een advocaat gehouden is om medewerking te verlenen aan een bevel van een rechter. [Verweerster] zou dit opnieuw overwegen door wederom in overleg te treden en verliet de vergaderruimte.

Na circa één uur retourneerde [verweerster] tezamen met [een kantoorgenoot] terug in de vergaderruimte en had een kopie meegenomen van een verzendbewijs van een koeriersdienst. Uit dit verzendbewijs werd duidelijk dat er op 8 december 2016 een verzending heeft plaatsgevonden, de geadresseerde op het verzendbewijs is onleesbaar gemaakt. (…)

Eenmaal de verzendbewijzen te hebben gelezen heb ik besloten een verklaring van [verweerster] en [een kantoorgenoot] op te nemen, in welke verklaring door mij is gevraagd: Kunt u verklaren en bevestigen dat de zending zoals is opgenomen in de verzendbewijzen de laptop betreft zoals is omschreven in het verzoekschrift, en dat deze laptop is verzonden op 8 december 2016 aan een onbekend persoon/bedrijf? Na deze vraag te hebben gesteld heb ik geregistreerd dat zowel [verweerster] en [de kantoorgenoot] bevestigend hebben geantwoord op deze vraag.”

2.10 Op 29 mei 2017 heeft X verlof gevraagd voor het leggen van bewijsbeslag op het niet-geanonimiseerde verzendbewijs. Bij beschikking van 16 juni 2017 heeft de voorzieningenrechter dat verlof verleend. De beschikking luidt, voor zover relevant:

“5.2. Het verzochte bewijsbeslag op het verzendbewijs van de computer zal wel worden toegewezen. Voorshands is voldoende aannemelijk dat aan de vereisten van artikel 843a Rv met betrekking tot rechtmatig belang, rechtsbetrekking en bepaaldheid wordt voldaan. Daarnaast is voldoende aannemelijk dat de situatie ernstig genoeg is om de toepassing van een ingrijpend dwangmiddel als het bewijsbeslag te rechtvaardigen, en dat het in beslag te nemen verzendbewijs zich onder [het kantoor van verweerster] bevindt. Ook bestaat gegronde vrees voor verduistering. Weliswaar heeft [het kantoor van verweerster] benadrukt dat zij geen bewijsmateriaal zal vernietigen of kwijtmaken, maar dit valt niet uit te sluiten. De computer bevond zich immers op het kantoor van [het kantoor van verweerster], en is in haar opdracht naar elders verzonden enkele weken na de beschikking van 24 november 2016 waarin [de cliente van verweerster] werd bevolen de computer aan de deurwaarder af te geven. [Het kantoor van verweerster] heeft er op deze wijze aan meegewerkt dat haar cliënt (…) in strijd heeft gehandeld met de beschikking van 24 november 2016, en het is niet onmogelijk dat [het kantoor van verweerster] opnieuw het belang van haar cliënt zal laten prevaleren.” 

2.11 Op 19 juni 2017 is bewijsbeslag gelegd op het verzendbewijs.

2.12 X heeft het kantoor van verweerster vervolgens op 14 juli 2017 in kort geding gedagvaard en inzage in het verzendbewijs gevorderd. Een dag voor de zitting heeft (de advocaat van) het kantoor van verweerster een conclusie van antwoord genomen waarin onder meer staat dat de computer op instructie van de enig bevoegd bestuurder van de cliënte van verweerster is gezonden aan die enig bevoegde bestuurder (in Zwitserland dan wel Cyprus). X heeft de kortgedingprocedure vervolgens ingetrokken.

3 BEZWAAR

3.1 Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door, nadat haar kantoorgenoot ten overstaan van partijen en de rechter had verklaard dat de informatie die zich bevond op een computer die in het bezit was van het kantoor van verweerster aan X zou worden verstrekt, de nakoming hiervan (tijdelijk) onmogelijk te maken door de computer aan haar cliënte te verzenden. Een advocaat dient op zijn woord te worden geloofd.

4 VERWEER

4.1 Verweerster voert, zakelijk weergegeven, het volgende aan. Namens de deken en door hemzelf is bij herhaling het vertrouwen gewekt dat hij zou volstaan met een schriftelijke behandeling van de partij-klacht, met inzending zonder eigen oordeel. Het indienen van een dekenbezwaar staat volledig haaks op die aanzegging en verweerster hoefde daar dan ook geen rekening mee te houden. Sterker, zij mocht erop vertrouwen dat het bij een onpartijdige procedure en inzending zou blijven. Verweerster heeft er om die reden ook van afgezien vast te houden aan het verzoek tot verwijzing naar een andere deken. De argumentatie waarmee de deken verweerster heeft bewogen haar verwijzingsverzoek niet te handhaven en de omstandigheid dat de deken heeft nagelaten alsnog door te verwijzen toen hij een dekenbezwaar overwoog, staan eraan in de weg dat thans van dat beleid (een neutraal onderzoek naar de klacht zonder dekenstandpunt) en in strijd met de verwachtingen die hij opwekte, wordt afgeweken. Om die reden dient de deken niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn bezwaar. De deken dient voorts niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn bezwaar, omdat in strijd met artikel 46f Advocatenwet geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden.

4.2 Verweerster voert voorts aan dat haar cliënte de beschikking van 24 november 2016 wel degelijk is nagekomen doordat voor het verstrijken van de in de beschikking genoemde termijn uit andere bron dan de computer de informatie aan de deurwaarder is verschaft waar het volgens de beschikking om moest gaan. Hoewel verweerster meende en meent dat de voor 9 december 2016 door haar cliënte toegezonden informatie summier was en verweerster om die reden haar cliënte is blijven aansporen meer informatie te verschaffen, staat geenszins vast dat zich op de computer meer relevante informatie bevond dan de informatie die al aan de deurwaarder was gezonden. Aan (de gegevens op) de computer kwam daarna dus geen wezenlijk belang meer toe – ook al niet omdat die computer geen recentere gegevens bevatte dan die op het relevante moment al meer dan twee jaar oud waren. De cliënte van verweerster was eerder onmachtig dan onwillig en verweerster heeft zeker nooit hoeven te bevroeden dat het op instructie van haar cliënte terugzenden van de computer een verwijtbare bijdrage aan vermeend doelbewust obstructief gedrag van haar cliënte zou zijn. Integendeel: de situatie was ontstaan dat het kantoor van verweerster ter zake geen ondersteunende opdracht (meer) had, zodat een voortgezet houderschap alleen maar blokkerend zou zijn geworden om de cliënte tot nakoming van de beschikking in staat te stellen, waartoe zij veroordeeld was en niet het kantoor van verweerster. Het feit dat de terugzending van de computer gepaard ging met toezending aan de deurwaarder van relevante gegevens als bedoeld in de beschikking, welke waren geput uit andere, recentere bronnen, en de feiten dat de computer niet specifiek diende voor opslag van relevante gegevens en al meer dan twee jaar niet “gevoed” was geweest met nieuwe data, mochten voor verweerster temeer redenen zijn om niet te hoeven (be)denken dat de verzending van de computer naar haar cliënte enige norm zou schenden die ten behoeve van X in acht had moeten worden genomen.

4.3 Blijkens de stukken heeft mr. Van L op de zitting van 10 oktober 2016 verklaard dat de cliënte van verweerster bereid was de informatie te verstrekken. Het door de advocaat op feitelijk juiste wijze mededeling doen van een door zijn cliënt aan hem gedane bereidverklaring, is iets anders dan de feitelijke aankondiging van een feitelijke – in het verschiet liggende – gebeurtenis, te weten een overdracht. De mededeling van mr. Van L constitueerde geen enkele eigen verplichting van mr. Van L ter zake van gegevensverschaffing en leidde niet tot enige beperking van zijn geheimhoudingsplicht jegens de cliënte van verweerster. Dat geldt ook voor verweerster.  Mr. Van L heeft op de zitting in het midden gelaten of nu wel of niet de facto relevante informatie op de computer aanwezig was. Hij wist dat domweg niet. Mr. Van L heeft de mogelijkheid van gegevens op de computer slechts genoemd als argument voor het vragen van een wat langere nakomingstermijn omdat het zich liet aanzien van het toegankelijk en doorzoekbaar maken van de computer – en het feitelijk doorzoeken – tijdrovend zou zijn.

5 BEOORDELING

Ontvankelijkheid

5.1 Verweerster heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat de deken niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn bezwaar. De raad volgt dit verweer niet. Verweerster heeft een beroep gedaan op een brief van de deken aan verweerster, waarin hij de bestendige Amsterdamse werkwijze, waarbij de deken anders dan bijvoorbeeld de deken Rotterdam geen standpunt inneemt met betrekking tot de merites van de klacht bij het inzenden van een partijklacht aan de raad van discipline, beschrijft. Die werkwijze betekent niet dat de deken in het geval hij een partijklacht onderzoekt en doorstuurt naar de raad geen dekenbezwaar meer zou mogen formuleren naar aanleiding van het onderzoek dat hij heeft verricht naar die partijklacht. Dat de deken met die mededeling bij verweerster het vertrouwen heeft gewekt dat hij geen dekenbezwaar tegen haar zou indienen, valt dan ook niet in te zien.

5.2 De deken heeft er voorts terecht op gewezen dat in artikel 46f Advocatenwet, waarin de bevoegdheid van de deken om een dekenbezwaar in te dienen is neergelegd, alleen is bepaald dat de deken gehouden is om de advocaat tegen wie de bezwaren zijn gerezen schriftelijk op de hoogte te stellen dat zijn klacht ter kennis van de raad is gebracht. Een wettelijk voorschrift op grond waarvan de deken dit vooraf zou moeten doen en pas nadat hij de advocaat in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze daarop te geven, ontbreekt. Vaststaat dat de deken verweerster overeenkomstig artikel 46f Advocatenwet heeft geïnformeerd over het door hem bij de raad ingediende dekenbezwaar. De deken is dan ook ontvankelijk in zijn bezwaar.

5.3 De raad overweegt ten overvloede nog dat verweerster niet in haar belangen is geschaad nu wel - en uitgebreid - hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden ten aanzien van de partijklacht en de partijklacht hetzelfde feitencomplex betreft als het dekenbezwaar. Bovendien heeft verweerster op de zitting bij de raad alle gelegenheid gehad om haar standpunt over het dekenbezwaar naar voren te brengen.

Het dekenbezwaar

5.4 De deken verwijt verweerster dat zij, nadat haar kantoorgenoot op de zitting van 10 oktober 2016 ten overstaan van partijen en de rechter had verklaard dat de informatie die zich bevond op een computer die in het bezit was van het kantoor van verweerster aan X zou worden verstrekt, de nakoming hiervan onmogelijk heeft gemaakt door de computer aan haar cliënte op een adres in het buitenland te verzenden.

5.5 De raad overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van de zitting van 10 oktober 2016 (zie 2.4) volgt dat de kantoorgenoot van verweerster heeft verklaard dat de cliënte van verweerster bereid is de informatie (die onderwerp van geschil is) te verstrekken, dat de laatst werkzame bedrijfsjurist zijn computer heeft overgedragen, dat die computer nog niet compatibel is met het systeem van het kantoor van verweerster maar dat daaraan wordt gewerkt. Hierdoor heeft de kantoorgenoot van verweerster bij de rechter en X het vertrouwen gewekt dat de cliënte van verweerster bereid was de informatie te verstrekken, dat het kantoor van verweerster over een computer beschikte met daarop mogelijk relevante informatie en dat zij die informatie, nadat de computer ontsloten was – waar hard aan gewerkt werd – ter beschikking zou stellen. Op de cliënte van verweerster rustte aldus een inspanningsverplichting om de informatie op de computer te ontsluiten en, voor zover die informatie relevant was, aan de deurwaarder ter beschikking te stellen.

5.6 Door de computer op 8 december 2016, de laatste dag van de in de beschikking van 24 november 2016 gegeven termijn, aan haar cliënte te versturen, heeft verweerster in strijd gehandeld met hetgeen gelet op de mededelingen van haar kantoorgenoot van haar verwacht mocht worden. Dat aan (de gegevens op) de computer geen wezenlijk belang meer toekwam omdat binnen de gestelde termijn uit andere bron dan de computer de informatie aan de deurwaarder was verschaft en niet vaststaat dat op de computer meer relevante informatie stond dan die al aan de deurwaarder was gegeven, zoals verweerster stelt, doet aan het voorgaande niet af. Bovendien kan dit, zoals verweerster zelf terecht opmerkt, niet worden vastgesteld nu tot op heden niet duidelijk is welke gegevens er op de computer staan.

5.7 Dat verweerster de computer op instructie van haar cliënte, een instructie die zij niet kon weigeren, aan haar cliënte heeft gestuurd moge zo zijn, maar het had gelet op de mededelingen van haar kantoorgenoot op de weg van verweerster gelegen om nadere maatregelen te treffen, alvorens tot verzending over te gaan. Verweerster had bijvoorbeeld  een kopie met alle gegevens op de laptop aan haar cliënte kunnen versturen of zelf een kopie  kunnen behouden, dan wel kunnen overleggen met de voorzieningenrechter, X, de deurwaarder en/of de deken. Met name dat laatste had voor de hand gelegen in geval verweerster, mede gelet op haar geheimhoudingsplicht, destijds van oordeel zou zijn geweest, dat mogelijk sprake was van een belangenconflict, te weten enerzijds de kennelijk bestaande wens van de cliënte tot terugzending en anderzijds de ter zitting gedane mededelingen. Verweerster heeft dit allemaal niet gedaan. Zij heeft de computer zonder mededeling aan wie dan ook aan haar cliënte gestuurd en over het versturen van de computer tot 23 mei 2017, de dag waarop de deurwaarder bewijsbeslag wilde leggen, gezwegen.

5.8 Door op de laatste dag van de door de rechter gestelde termijn de computer fysiek naar Zwitserland dan wel Cyprus te sturen kon de cliënte van verweerster onmogelijk nog diezelfde dag aan het rechterlijk bevel voldoen en verweerster wist dat of had dat redelijkerwijs kunnen weten. Verweerster heeft dan ook tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. In het afgeschermde verweer heeft de raad geen stukken aangetroffen die de verwijtbaarheid van verweersters handelen kunnen wegnemen. Het dekenbezwaar is dan ook gegrond. De overige verweren van verweerster behoeven in het licht van al het voorgaande geen bespreking.

6 MAATREGEL

6.1 Naar aanleiding van de handelwijze van verweerster is ook afzonderlijk een klacht over verweerster ingediend. In die klachtzaak met zaaknummer 18-756/A/A heeft de raad bij eveneens vandaag genomen beslissing de klacht gegrond verklaard.

6.2 Het dekenbezwaar ligt zo zeer in het verlengde van voornoemde klachtzaak dat de raad geen aanleiding ziet om in deze zaak een andere maatregel op te leggen. De raad acht het opleggen van de maatregel van voorwaardelijke schorsing voor de duur van vier weken voor de onderhavige zaak en de heden gegrond verklaarde klacht passend en geboden. In beide zaken zal de raad dan ook één en dezelfde maatregel opleggen.

7 KOSTENVEROORDELING 

7.1  Nu verweerster in de klachtzaak met zaaknummer 18-756/A/A reeds in de kosten is veroordeeld ziet de raad in de onderhavige zaak ervan af om verweerster opnieuw overeenkomstig artikel 48, zesde lid, Advocatenwet te veroordelen in de kosten die ten laste komen van de Nederlandse Orde van Advocaten in verband met de behandeling van de zaak.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart het dekenbezwaar gegrond;

- legt aan verweerster in deze zaak en in de klachtzaak met zaaknummer 18-756/A/A tezamen éénmaal de maatregel van schorsing voor de duur van vier weken op;

 - bepaalt dat deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder binnen de hierna te vermelden proeftijd zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;

-  stelt de proeftijd op een periode van 2 jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;

 - bepaalt dat de in artikel 8a, derde lid, van de Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot 2 jaar.

Aldus beslist door mr. E.J. van der Molen, voorzitter, mrs. E.C. Gelok, G. Kaaij, S. Wieberdink en C. Wiggers, leden, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2019.

Griffier Voorzitter

verzending

Deze beslissing is in afschrift op11 maart 2019 verzonden.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens