Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TADRAMS:2019:136
Datum uitspraak:
08-07-2019
Datum publicatie:
11-07-2019
Zaaknummer(s):
18-034/A/A
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijFouten Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijJegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Ongegronde klacht over de advocaat van de wederpartij. Het verwijt dat verweerster het verzoek van de advocaat van klaagster om rond de tafel te gaan zitten en gesprekken te voeren om tot een minnelijke regeling te komen niet heeft doorgegeven aan haar cliënt en heeft genegeerd mist feitelijke grondslag. Dat er in de door verweerster opgestelde stukken een groot aantal feiten staan die onjuist zijn heeft klaagster onvoldoende onderbouwd.

Amsterdam

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 8 juli 2019

in de zaak 18-034/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 17 juli 2017, aangevuld bij brief van 16 augustus 2017, heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Bij brief aan de raad van 18 januari 2018 met kenmerk 4017-00485, door de raad ontvangen op 19 januari 2018, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    De klacht zou behandeld worden ter zitting van de raad van 12 juni 2018. Partijen hebben echter kort voor de zitting verzocht om aanhouding in verband met schikkingsonderhandelingen. Partijen hebben uiteindelijk geen schikking bereikt.

1.4    De klacht is vervolgens behandeld ter zitting van de raad van 27 mei 2019 in aanwezigheid van klaagster, vergezeld van mevrouw Fuijk en de heer Geel, en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.5    De raad heeft kennisgenomen van de in 1.2 bedoelde brief van de deken aan de raad en van de stukken 1 tot en met 23 van de bij die brief gevoegde inventarislijst.

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1    Verweerster staat de (inmiddels) ex-echtgenoot van klaagster (hierna ook: de man) bij in de echtscheidingsprocedure tegen klaagster. Op 7 juni 2016 heeft verweerster namens de man een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend.

2.2    Op 29 september 2016 heeft verweerster de toenmalige advocaat van klaagster, mr. S, een uitgebreide brief gestuurd over (onder meer) de financiële afwikkeling van de echtscheiding. Bij e-mail van 26 oktober 2016 heeft mr. S verweerster onder meer geschreven:

“Uw brief d.d. 29 september jl. heb ik tot nu toe slechts vluchtig met cliënte kunnen bespreken. (…) De vraag is hoe de zorgregeling zich de komende periode gaat ontwikkelen en of partijen in overleg tot afspraken kunnen komen over de financiën rondom de kinderen. Dat hoopt cliënte wel. In dat kader merk ik op dat cliënte positief staat tegenover overleg aan de tafel, waarbij aangetekend dat zij dat dan het liefst zou zien in de u bekende vorm van twee drie-gesprekken.”

2.3    Bij e-mail van 27 oktober 2016 heeft verweerster mr. S meegedeeld dat zij met haar cliënt zou overleggen of hij heil ziet in drie-gesprekken en dat het prettig zou zijn om op korte termijn een inhoudelijke reactie op haar brief te krijgen. Bij e-mail van 16 november 2016 heeft verweerster mr. S onder meer geschreven:

“Helaas heb ik tot op heden geen inhoudelijke reactie van u op mijn brief dd. 29 september jl. Cliënt is wel bereid tot drie-gesprekken, maar in de tussentijd zal er wel meer duidelijkheid moeten komen over de financiën.”

2.4    Op 21 december 2016 heeft verweerster namens de man een verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken van klaagster bij de rechtbank ingediend. Daarin is opgenomen dat klaagster in privé een lening van € 132.000 heeft bij de vennootschap van de man, die zij dient af te lossen. Bij brief van 26 mei 2017 heeft verweerster de rechtbank meegedeeld dat dit feitelijk onjuist is en dat het niet gaat om een lening in privé aan klaagster, maar om een vordering die de vennootschap van de man via aan andere vennootschap had op de onderneming van klaagster, welke vordering door de vennootschap van de man is geïnd.

2.5    Op 6 juni 2017 heeft de mondelinge behandeling van het echtscheidingsverzoek met nevenvorderingen plaatsgevonden. Bij beschikking van 18 juli 2017 is onder meer de echtscheiding tussen klaagster en de man uitgesproken.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)    zij een verzoek van de advocaat van klaagster om rond de tafel te gaan zitten en gesprekken te voeren om tot een minnelijke regeling te komen niet heeft doorgegeven aan haar cliënt en het verzoek voorts heeft genegeerd;

b)    het negeren van het hiervoor genoemde verzoek tot veel extra kosten heeft geleid voor de man (en voor klaagster zelf);

c)    zij in de door haar opgestelde stukken een groot aantal feiten heeft gesteld die onjuist zijn.

4    VERWEER

4.1    Verweerster voert verweer dat hierna, voor zover van belang, zal worden weergegeven.

5    BEOORDELING

5.1    De klacht ziet op het handelen en/of nalaten van verweerster als advocaat van de wederpartij. Uitgangspunt is dat die advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdelen a) en b)

5.2    Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.3    De raad stelt bij de beoordeling voorop dat de advocaat zich voor ogen dient te houden dat een regeling in der minne vaak de voorkeur verdient boven een proces (zoals ook is neergelegd in regel 3 van de Gedragsregels 1992).

5.4    Uit het klachtdossier volgt dat mr. S verweerster in een e-mail van 26 oktober 2016 (zie 2.2) heeft meegedeeld dat klaagster positief staat tegenover een overleg in de vorm van driegesprekken. Verweerster heeft mr. S hierop bij e-mail van 27 oktober 2016 (zie 2.3) meegedeeld dat zij dit met haar cliënt zal overleggen. Bij e-mail van 16 november 2016 (zie 2.3) heeft verweerster mr. S meegedeeld dat haar cliënt bereid is tot driegesprekken, maar dat er in de tussentijd wel meer duidelijkheid zal moeten komen over de financiën. Verweerster heeft onbetwist gesteld dat mr. S niet heeft gereageerd op de e-mails van 27 oktober en 16 november 2016, waardoor de gesprekken niet van de grond zijn gekomen. Het verwijt van klaagster dat verweerster het verzoek van mr. S om rond de tafel te gaan zitten en gesprekken te voeren om tot een minnelijke regeling te komen niet heeft doorgegeven aan haar cliënt en heeft genegeerd mist gelet op het voorgaande feitelijke grondslag en is daarom ongegrond. Verweerster heeft overigens ter zitting onbetwist gesteld dat er de afgelopen jaren meerdere overleggen met de (opvolgend) advocaten van klaagster hebben plaatsgevonden om tot een minnelijke regeling te komen, maar dat dit tot op heden niet is gelukt. Ook is de onderhavige klachtzaak aangehouden in verband met schikkingsonder-handelingen. Dat verweerster niet bereid zou zijn om te schikken is dan ook niet gebleken.

5.5    Het voorgaande brengt met zich mee dat ook klachtonderdeel b), voor zover dit klachtonderdeel ziet op de extra kosten voor klaagster, ongegrond is.  Voor zover klachtonderdeel b) ziet op de extra kosten voor de man geldt dat klaagster hierbij een onvoldoende rechtstreeks belang heeft als bedoeld in de Advocatenwet. Klaagster is in zoverre niet-ontvankelijk in klachtonderdeel b).

Klachtonderdeel c)

5.6    Klaagster verwijt verweerster in dit klachtonderdeel dat in de door verweerster opgestelde stukken een groot aantal feiten staan die onjuist zijn.

5.7    De raad overweegt als volgt. Verweerster heeft erkend dat in het verweerschrift dat zij namens de man op 21 december 2016 bij de rechtbank heeft ingediend een fout stond; het daarin opgenomen bedrag van € 132.000 betrof geen lening van de vennootschap van de man aan klaagster in privé, maar een vordering die de vennootschap van de man via een andere vennootschap had op de onderneming van klaagster. Deze vergissing is echter onvoldoende om verweerster daarvan een tuchtrechtelijk verwijt te maken, te meer nu niet is gebleken van opzet aan de zijde van verweerster en verweerster de vergissing in een brief aan de rechtbank van 26 mei 2017 (zie 2.4) heeft rechtgezet. Dat in de door verweerster opgestelde stukken overigens feiten staan waarvan verweerster wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat die onjuist waren heeft klaagster onvoldoende onderbouwd. Voor zover klaagster hierbij doelt op onder meer de hoogte van het inkomen van de man, het niet meewerken door klaagster aan de verkoop van huizen en panden en de vraag of de zoon van klaagster en de man in- of uitwonend is heeft verweerster terecht aangevoerd dat dit de inhoud van de civiele procedure tussen klaagster en de man betreft en zij bovendien mag afgaan op de mededelingen hierover van haar cliënt. Ook klachtonderdeel c) is derhalve ongegrond.  

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdelen a), b) voor zover dit klachtonderdeel ziet op de extra kosten voor klaagster, en c) ongegrond;

-    verklaart klaagster niet-ontvankelijk in klachtonderdeel b) voor zover dit klachtonderdeel ziet op de extra kosten voor de man.

Aldus beslist door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, voorzitter, mrs. P. van Lingen en C. Wiggers, leden, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2019.

Griffier    Voorzitter

mededelingen van de griffier ter informatie:

verzending

Deze beslissing is in afschrift op 8 juli 2019 verzonden.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens