Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2019:56 Accountantskamer Zwolle 19/471 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2019:56
Datum uitspraak: 12-08-2019
Datum publicatie: 12-08-2019
Zaaknummer(s): 19/471 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: De klacht houdt in dat het accountantskantoor waarvoor de accountant werkzaam is, moedwillig een verkeerd beeld heeft gegeven van de waarde van het bedrijf van klager en dat de accountant daarvoor tuchtrechtelijk verantwoordelijk is. Volgens vaste jurisprudentie van de Accountantskamer is een accountant in beginsel niet tuchtrechtelijk aansprakelijk voor handelen van een kantoorgenoot die zelf onder het bereik van accountantstuchtrecht of ander (fiscaal) tuchtrecht valt. De werkzaamheden zijn niet door de accountant verricht maar door een kantoorgenoot die als Register Belastingadviseur zelfstandig bij een ander college aan te spreken is. De klacht is dan ook ongegrond.

ACCOUNTANTSKAMER

BESLISSING ex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de zaak met nummer 19/471 Wtra AK van 12 augustus 2019 van

X ,

wonende te [woonplaats1],

K L A G E R ,

t e g e n

Y ,

accountant-administratieconsulent,

kantoorhoudende te [plaats1],

B E T R O K K E N E ,

raadsman: mr. R.L. Boerman.

1.         Het verloop van de procedure

1.1       De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de aan partijen bekende stukken van het dossier in deze zaak, waaronder:

-        het op 11 maart 2019 ingekomen klaagschrift van 8 maart 2019 met bijlagen;

-        het op 12 maart 2019 ingekomen e-mailbericht van klager;

-        het op 14 maart 2019 ingekomen e-mailbericht van klager met bijlage;

-        het op 10 april 2019 ingekomen verweerschrift van 9 april 2019.

1.2       De Accountantskamer heeft de klacht behandeld op de openbare zitting van 15 juli 2019 waar naast klager is verschenen, betrokkene, bijgestaan door mr. R.L. Boerman.

1.3       Klager en betrokkene hebben op genoemde zitting hun standpunten toegelicht (klager aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de Accountantskamer zijn overgelegd) en geantwoord op vragen van de Accountantskamer.

2.         De vaststaande feiten

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde op de zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

2.1       Betrokkene is sinds [datum1] ingeschreven als accountant- administratieconsulent in het register van (thans) de Nba. Betrokkene is mede-eigenaar van  [A] Accountants en Belastingadviseurs B.V. (hierna [A] Accountants).

2.2       Klager heeft een eenmanszaak: Administratiekantoor [B]. Hij is nog gehuwd met [C] (hierna [C]), maar zij zijn in een echtscheidingsprocedure verwikkeld.

2.3       In het kader van de afwikkeling van de echtscheiding heeft [C] zich gewend tot [A] Accountants. Zij heeft op 4 september 2018 gesproken met [D] Register Belastingadviseur (hierna [D]) die als fiscalist werkzaam is bij [A] Accountants. Zij heeft hem gevraagd een indicatie te geven van de waarde van de onderneming van klager. [D] heeft de opdracht op 6 september 2018 bevestigd en [C] tegelijk de “Berekening van de goodwill bij benadering iz Administratiekantoor [B[” toegezonden.

2.4       Op 14 september 2018 heeft klager aan mevrouw [E] (hierna [E]) van [A] Accountants laten weten dat de berekening niet correct is en hij heeft haar verzocht ofwel daarvan afstand te nemen ofwel de bijlage op papier van het kantoor uit te printen en te laten ondertekenen door een tekenbevoegde persoon.

[E] heeft op 21 september 2018 namens [A] Accountants aan klager meegedeeld zijn verzoek niet in behandeling te kunnen nemen omdat [C] de opdrachtgever is.

2.5       Klager heeft vervolgens [F] & Co Accountants te [plaats2] opdracht gegeven de goodwill van zijn onderneming te berekenen. Op 25 september 2018 heeft dat kantoor een geheel andere waardering van de goodwill aan klager toegezonden.

3.         De klacht

3.1       Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

3.2       Aan de klacht ligt, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door klager gegeven toelichting, het verwijt ten grondslag dat [A] Accountants moedwillig een verkeerd beeld heeft gegeven van de waarde van het bedrijf van klager waardoor klager onnodig hoge advocaatkosten heeft moeten maken.

3.3       Wat door klager bij de mondelinge behandeling als nieuwe standpunten naar voren is gebracht, is door de Accountantskamer niet opgevat als nieuwe klachtonderdelen  (waarvan de inbreng op een dergelijk laat tijdstip overigens ook in strijd zou zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde) maar - voor zover het daartoe kan dienen - als ondersteuning van de betwisting van het gestelde in de door betrokkene gegeven weerspreking van de klacht.

4.         De gronden van de beslissing

Over de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende. 

4.1       Op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) is de accountant ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

4.2       Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

4.3       Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klager is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.4       Het is vaste jurisprudentie van de Accountantskamer dat een accountant alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor eigen handelen of nalaten, tenzij de accountant als vaktechnisch verantwoordelijke voor handelen of nalaten van een ander heeft te gelden. [1] Een accountant is in beginsel niet tuchtrechtelijk aansprakelijk voor handelen van een kantoorgenoot die zelf onder het bereik van accountantstuchtrecht of ander (fiscaal) tuchtrecht valt.

4.5       De klacht ziet op werkzaamheden betreffende de goodwill-berekening en die zijn door [D] uitgevoerd. [D] is daarvoor zelfstandig als Register Belastingadviseur tuchtrechtelijk bij een ander college (de Raad van Tucht van de Vereniging Register Belastingadviseurs) aan te spreken. Vaststaat dat betrokkene niet betrokken is geweest bij de advisering van [C] of de waardering van de onderneming van klager. Het feit dat [A] Accountants zich enkel een accountantskantoor mag noemen omdat betrokkene (als enige) accountant bij dit kantoor werkzaam is, leidt er niet toe dat betrokkene tuchtrechtelijk (mede) verantwoordelijk is voor het handelen van [D], zoals klager, naar de Accountantskamer begrijpt, aanvoert. Dat betrokkene achteraf kennis heeft gekregen van het bestaan van de berekening en de inhoudelijke bezwaren van klager daartegen maakt evenmin dat betrokkene als gevolg daarvan toch tuchtrechtelijk verantwoordelijk is te houden.

4.6       De klacht zal dan ook ongegrond worden verklaard.

5.         Beslissing

De Accountantskamer:

·       verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. drs. Stempher, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. I. Tubben (rechterlijke leden) en mr. drs. J.B. Backhuijs RA en D.J. ter Harmsel AA RB (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2019.

_________                                                                                          __________

secretaris                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Ingevolge artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift dient de gronden van het beroep te bevatten en te zijn ondertekend.


[1] Zie ook ECLI:NL:CBB:2014:158 en ECLI:NL:TACKN:2019:39