ECLI:NL:TGZRZWO:2018:58 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 106/2017
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2018:58 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-03-2018 |
| Datum publicatie: | 06-03-2018 |
| Zaaknummer(s): | 106/2017 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts over het zonder noodzaak zeer langdurig voorschrijven van nitrofurantoïne, het nalaten van levercontroles en een gebrekkige communicatie. Het klachtonderdeel over het zeer langdurig voorschrijven van de medicatie is gegrond. Waarschuwing. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 6 maart 2018 naar aanleiding van de op 24 april 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
bijgestaan door mr. C. Sent, advocaat te Amsterdam,
k l a a g s t e r
-tegen-
C , huisarts, (destijds) werkzaam te B,
bijgestaan door mr. C. van der Kolk-Heinsbroek, advocaat te Eindhoven,
v e r w e e r d e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Dit blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- medisch huisartsdossier van gemachtigde klager d.d. 29 september 2017;
- het aanvullend verweerschrift;
- de brief namens verweerder d.d. 1 december 2017.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid mondeling gehoord te worden in vooronderzoek.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 26 januari 2018, alwaar partijen met hun gemachtigden zijn verschenen. Deze zaak vertoont samenhang met de zaken 107/2017, 108/2017 en 109/2017. Met goedvinden van partijen vond de mondelinge behandeling in de vier zaken gelijktijdig plaats.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster was vanaf 2003 tot medio 2014 patiënt in de huisartspraktijk van verweerder. Medio 2014 nam D, eveneens huisarts te B, de praktijk over van verweerder. Klaagster, geboren in het buitenland, beheerst de Nederlandse taal niet en is analfabeet.
In 1999 maakte klaagster een val, waarna bij haar sprake was van een urine-incontinentie. Vervolgens kreeg klaagster het middel nitrofurantoïne voorgeschreven met een dosering van 100 mg per dag. Na een baarmoederhersteloperatie in 2001 was geen sprake meer van (volledige) incontinentie. De behandelend uroloog schreef vervolgens tot begin januari 2002 dezelfde dosering nitrofurantoïne voor. Vanaf januari 2002 tot eind juni 2003 schreef E, de toenmalig huisarts van klaagster, herhaalrecepten uit voor dit middel.
Vanaf begin juli 2003 tot begin juli 2014 schreef (ook) verweerder herhaalrecepten uit voor het middel nitrofurantoïne. Verweerder noteerde hierover op 9 juli 2003 in het dossier: “Krijgt nog operatie bij gynaecoloog zou nitrofurantoine 100mg 1dd1 langdurig moeten gebruiken”. Dit betrof een profylactische onderhoudskuur. Incidenteel werd de medicatie door verweerder en/of de behandelend uroloog van klaagster tijdelijk gewijzigd naar aanleiding van een urineweginfectie.
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- onzorgvuldig gehandeld te hebben door:
1. zonder noodzaak daartoe zeer langdurig nitrofurantoïne voor te schrijven;
2. niet op regelmatige basis de leverwaarden van klaagster te (laten) controleren, althans tenminste voor de periode van 17 juli 2006 tot en met 9 september 2016;
3. onvoldoende met klaagster te communiceren, althans zich er niet van te hebben vergewist of sprake was van informed consent, met betrekking tot het medicijngebruik en de mogelijke risico’s bij langdurig gebruik.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER
Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij op meerdere momenten de noodzaak van het voorschrijven van het middel nitrofurantoïne heeft overwogen en dat de reden van profylactische aard was. Verweerder gaat ervan uit dat hij met klaagster de noodzaak van het voorschrijven van dit middel besprak en ook de baten en risico’s heeft afgewogen. Voorts heeft hij de gezondheidsklachten van klaagster serieus en adequaat behandeld en haar waar nodig doorverwezen.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
De behandeling van klaagster met het middel nitrofurantoïne was van profylactische aard. Volgens de (destijds) geldende richtlijnen, het Farmacotherapeutisch Kompas en de NHG-standaard Urineweginfecties, is de duur van een profylactische behandeling met dit middel 6 tot 12 maanden. Hierbij moeten de baten worden afgewogen tegen het risico van ernstige complicaties. Voorts vermeldt de NHG-standaard Urineweginfecties dat voor de optimale duur van de langdurige behandeling geen hard bewijs is, waarbij het advies geldt om na 6 tot 12 maanden de medicatie te staken. Verweerder schreef gedurende een periode van 11 jaar herhaalrecepten uit, nadat klaagster reeds een aantal jaar het middel innam. Hoewel gezien het verweer en de aantekeningen van verweerder in het dossier voldoende aannemelijk is dat hij in juli 2003 de noodzaak tot het voorschrijven van het middel toetste, is het college niet gebleken dat hij in de jaren daarna met voldoende regelmaat en/of actief heroverwoog of een dergelijke noodzaak nog bestond. Dat klaagster zelf telkens verzocht om het uitschrijven van herhaalrecepten doet hieraan onvoldoende af. Mede gezien voornoemde richtlijnen kan verweerder het ontbreken van momenten waarop hij de noodzaak van het voorschrijven op actieve wijze heroverwoog tuchtrechtelijk verweten worden. Klachtonderdeel 1 is gegrond.
5.3
Vooral bij langdurige behandeling moest verweerder volgens het Farmacotherapeutisch Kompas nauwgezet controleren op bijwerkingen op onder meer de longen, lever, het bloed (m.n. hemolyse) en het perifere zenuwstelsel. Klaagster verwijt verweerder dat hij niet regelmatig controles van haar leverwaarden plaats liet vinden. In het klinische beeld van klaagster waren echter geen aanwijzingen om alert te zijn op afwijkingen in de lever, zodat de noodzaak tot het controleren van leverwaarden niet in die mate bestond dat verweerder een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van het nalaten hiervan. Klachtonderdeel 2 is ongegrond.
5.4
Verweerder heeft zich, onder andere blijkens het medisch dossier, voldoende ingespannen om met klaagster te communiceren en haar te informeren, ook voor wat betreft het medicijngebruik. Desondanks verliep de communicatie met klaagster moeizaam. Dat kan echter niet op verweerders conto worden geschreven. Zoals het college zelf ter zitting (waar klaagster met bijstand van een professionele tolk verscheen) heeft moeten vaststellen, wordt de communicatie met klaagster niet alleen gehinderd doordat zij de Nederlandse taal niet beheerst, maar heeft deze ook te lijden onder haar onwil of onkunde om – ook zeer eenvoudige – vragen te beantwoorden. Van het ontbreken van een geïnformeerde toestemming, althans onvoldoende dossiervoering op dit vlak, is het college niet gebleken. Klachtonderdeel 3 is ongegrond.
5.5
Nu de klacht op een van haar kernonderdelen gegrond is, legt het college een maatregel op. Het college acht een maatregel van waarschuwing passend. Het college heeft daarbij in acht genomen dat van verweerder enerzijds een aanmerkelijk kritischer opstelling ten aanzien van de herhaalrecepten mocht worden verlangd, terwijl anderzijds belang toekomt aan het gegeven dat verweerder voortborduurde op een reeds ingeslagen profylactisch beleid en de communicatie met klaagster (buiten verweerders schuld om) te wensen overliet.
6. DE BESLISSING
Het college:
- verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;
- legt op de maatregel van waarschuwing;
- wijst de klacht voor het overige af;
- bepaalt dat deze beslissing nadat deze onherroepelijk is geworden in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.
Aldus gedaan door mr. A.M. Koene, voorzitter, dr. P.A.J. Buis en M.D. Klein Leugemors, leden-arts, in tegenwoordigheid van mr. M. Mostert, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2017 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.