ECLI:NL:TGZRZWO:2018:170 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 125/2018
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2018:170 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-10-2018 |
| Datum publicatie: | 26-10-2018 |
| Zaaknummer(s): | 125/2018 |
| Onderwerp: | Schending beroepsgeheim |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts kennelijk ongegrond. Verweerster heeft betreffende het consult van de zoon van klager conform afspraak schriftelijk verslag gedaan. Verweerster is binnen grenzen redelijk bekwame beroepsuitoefening gebleven. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 26 oktober 2018naar aanleiding van de op 30 april 2018 bij het Regionaal
Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
bijgestaan door mr. F.W. graaf van Hogendorp,
k l a g e r
-tegen-
C , huisarts, werkzaam te B,
bijgestaan door mr. A.W. Hielkema, verbonden aan de VvAA te Utrecht,
v e r w e e r s t e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het aanvullend klaagschrift, met de bijlagen;
- het aanvullende verweer.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid mondeling gehoord te worden in het vooronderzoek.
Tegen verweerster is eerder een klacht ingediend door klager (zaaknummer 285/2016) die op 2 juni 2017 deels gegrond is verklaard en een waarschuwing is uitgesproken.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken (waaronder het huisartsenjournaal) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klager is de vader van D, geboren in 2007 (hierna: de zoon). Verweerster is de huisarts van zowel klager als de zoon.
Op 25 september 2017 heeft klager een uitdraai van het EPD van de zoon verzocht over de periode 12 mei 2017 tot 25 september 2018. 29 maart 2018 heeft klager een afschrift van het EPD verzocht van de zoon tot die datum. Klager neemt in zijn e-mail naar verweerster onder meer op:
“wilt u mij bevestigen dat er geen registraties zijn weggelaten of aangepast in het overzicht dat u voor mij maakt?”
Op 3 april 2018 uitte moeder (tevens de ex-partner van klager) zorgen over de zoon bij de huisarts in verband met uitlatingen over zelfmoord. Op 5 april 2018 heeft moeder per e-mail bij verweerster nogmaals haar zorgen geuit.
Op 11 april 2018 e-mailde moeder klager dat zij een consult voor de zoon wenste bij de huisarts in verband met suïcidale uitlatingen. Verweerster liet per e-mail weten dat zij de zoon alléén wenste te spreken en nadien de ouders per brief zou inlichten.
Klager en de moeder gaven toestemming voor het consult.
Verweerster heeft op 12 april 2018 in haar brief aan de moeder en klager opgetekend, voor zover thans van belang:
“Zoals afgesproken stuur ik u een verslag van het gesprek wat ik heden met [voornaam zoon, RTG] had en mijn behandelvoorstel.
[Voornaam zoon, RTG] en ik hebben een uitgebreid gesprek gehad waarbij hij heeft aangegeven zich niet veilig te voelen wanneer hij bij zijn vader is. Hij heeft hierbij voorbeelden genoemd waarvan hij mij heeft gevraagd die voorbeelden niet te delen met zijn ouders. Dat verzoek wens ik te respecteren.
Ik beoordeel de situatie die [voornaam zoon, RTG] mij schetst als onveilig en ongewenst voor hem.
We hebben besproken dat het lijkt of het boze gedrag wat [voornaam zoon, RTG] soms vertoont veroorzaakt wordt door de onmachtige situatie waar hij in zit en die ontstaan is na de scheiding en de moeizame communicatie tussen de ouders.
Ik ben voornemens om contact te leggen met [naam,RTG], de betrokken gemeente regisseur jeugd, met het verzoek om leiding te nemen in het onderzoek waarbij mijns inziens het accent moet komen te liggen op wat [voornaam zoon, RTG] zelf aangeeft en hem ook te horen. Naar mijn opvatting moet worden beoogd om een veilige en prettige omgeving voor [voornaam zoon, RTG] te creeeren.
Kunt u mij beiden per omgaande berichten of met dit voorstel kan worden ingestemd.”
Op 16 april 2018 heeft klager per e-mail verzocht om een afschrift van het EPD van de zoon en schrijft onder meer:
“Ik verzoek u – zo daar sprake van zou zijn – duidelijk aan te geven weke of welke soort gegevens door u zijn verwijderd voorafgaand aan het afdrukken van het uittreksel.”
Op 17 april 2018 vond een gesprek plaats tussen klager en verweerster over de door verweerster aan klager en de moeder verstrekte brief van het consult met de zoon van 12 april 2018.
Op diezelfde dag heeft verweerster overleg gevoerd met de vertrouwensarts van Veilig Thuis waarin zij advies vroeg met betrekking tot de zoon. In het huisartsenjournaal heeft verweerster opgetekend dat de vertrouwensarts heeft aangegeven dat een melding bij Veilig Thuis gerechtvaardigd is in deze omstandigheden. Op 19 april 2018 heeft verweerster haar voornemen gedeeld met de jeugdconsulente E. Zij namen gezamenlijk de meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld door. Verweerster heeft die dag ook contact met klager en meldde haar besluit om een melding te doen bij Veilig Thuis. Tevens heeft verweerster in verband met de omstandigheden op dat moment een spoedbeoordeling door F verzocht voor de zoon.
In het huisartsenjournaal is opgetekend dat klager en de moeder akkoord waren met een melding bij Veilig Thuis.
Op 24 april 2018 vond een gesprek plaats van klager met verweerster over de melding bij Veilig Thuis.
Op 1 mei 2018 verzocht klager om een afschrift van het EPD van de zoon vanaf zijn inschrijving in de praktijk tot 1 mei 2018. Klager verzocht verweerster te bevestigen dat in de te verstrekken afschriften het gesprek van 24 april 2018 is opgetekend.
Verweerster heeft klager en de moeder op 18 mei 2018 een brief geschreven waarin zij aangeeft dat zij de zoon niet meer de huisartsenzorg kan bieden en zij mee wil denken in het vinden van een nieuwe huisarts. Verweerster merkt daarbij op dat de vertrouwensband met de ouders inmiddels is komen te vervallen, althans zodanig is geschonden, dat perspectief op herstel van deze band in de optiek van verweerster niet (meer) reëel is.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt verweerster -zakelijk weergegeven- :
1. het doen van een onjuiste verklaring op 12 april 2018;
2. dat zij haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden doordat zij haar bevindingen aan de moeder van de zoon heeft afgegeven;
3. schending van de meldcode kindermishandeling;
4. misleiding, omdat er contactmomenten/stukken/e-mails niet in het huisartsenjournaal van de zoon zijn opgenomen;
In het aanvullend klaagschrift heeft klager zijn klachtonderdelen uitgebreider onderbouwd.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER
Verweerster voert -zakelijk weergegeven- aan dat zij met haar handelen binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Zo nodig wordt hieronder nader ingegaan op het verweer.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Verweerster heeft na toestemming van klager en moeder op 12 april 2018 een gesprek met de zoon alleen gehad en daarvan, conform afspraak, schriftelijk verslag gedaan. Dat verweerster het verslag, zoals afgesproken, ook aan de moeder heeft gestuurd is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat moeder het verslag zou kunnen inbrengen in een procedure over het ouderlijk gezag van de zoon maakt het voorgaande niet anders nu verweerster in dat verslag schrijft over de zoon en een mogelijke behandeling voor hem voorstelt. Het college oordeelt dat het verslag van verweerster de tuchtrechtelijke toets kan doorstaan. Het college kan zich niet vinden in klagers opvatting dat verweerster zich uit heeft gelaten over de thuissituatie bij klager. Verweerster schetst de situatie voor de zoon en spreekt niet over een thuissituatie, laat staan bij één van de ouders. Het college leest dat verweerster de situatie waarin de zoon zich bevindt, tussen beide ouders, voor hem als onveilig beoordeelt. Voor wat betreft het niet noemen van de door de zoon genoemde voorbeelden is geen sprake van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. De vertrouwensband tussen de zoon en verweerster en de veelvuldige contacten die er waren kunnen het niet inhoudelijk noemen van de voorbeelden rechtvaardigen. Verweerster was al geruime tijd betrokken bij de zoon en de problematiek. Verweerster heeft een-op-een met de zoon gesproken. Daarmee heeft verweerster, voor dat moment, voldoende onderzoek gedaan. Dat verweerster daarbij buiten haar deskundigheidsgebied is getreden bij de inschatting van de situatie als onveilig en ongewenst voor de zoon ziet het college niet. Veeleer heeft verweerster zich tot het uiterste ingespannen om de zoon te helpen in de voor hem penibele situatie en geprobeerd nader onderzoek in te laten zetten ten behoeve van de verbetering van het welzijn van de zoon.
Daarmee zijn het eerste en tweede klachtonderdeel ongegrond.
5.3
Ten aanzien van het derde klachtonderdeel.
Verweerster had op basis van het gesprek met de zoon op 12 april 2018 twijfels, heeft deze besproken met betrokken hulpverleners en advies gevraagd bij de vertrouwensarts. Deze melding beoogde dat meer onderzoek gedaan wordt naar de situatie van de jeugdige. Dat verweerster niet voorafgaand aan de melding in gesprek is gegaan met vader kan evenmin een gegrond tuchtrechtelijk verwijt opleveren. Gelet op de omstandigheden in de onderhavige situatie, het veelvuldig contact met de zoon, klager en de moeder en de betrokken hulpverleningsinstanties, kon verweerster volstaan met een mededeling aan klager dat een melding bij Veilig Thuis zou worden gedaan. Er is geen voorschrift of regel dat verweerster met alle betrokken hulpverleners van een kind zou moeten overleggen. Verweerster heeft daarmee gehandeld naar het stappenplan van de meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld en is binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening gebleven.
5.4
Ten aanzien van het vierde klachtonderdeel.
De hulpverlener heeft een (wettelijke) dossierplicht. Hij moet zijn bevindingen over de patiënt kunnen noteren om goede zorg te kunnen verlenen. De hulpverlener voert vanuit zijn professionele rol de regie over de inhoud van het dossier. In een behandeldossier (een medisch curatief dossier) wordt in het algemeen het volgende vastgelegd: de inhoud van het medisch handelen; gegevens die een rol spelen bij het onderhouden van de continuïteit van de zorg en gegevens die voor een patiënt ook bij de volgende behandeling of een volgend onderzoek relevant zijn.
Klager heeft herhaaldelijk om een afschrift van het EPD van de zoon gevraagd. Klager heeft het EPD vergeleken met door klager via andere instanties ontvangen informatie en geconcludeerd dat verweerster onvoldoende heeft opgenomen in het EPD dan wel daaruit stukken zou hebben verwijderd.
Uiteraard hoeft verweerster niet alle correspondentie en e-mails van klager en aan klager op te nemen in het huisartsenjournaal. Verweerster kan evenmin stukken waar zij geen kennis van heeft genomen en/of waar zij geen beschikking over heeft aan het journaal toevoegen. Het college heeft evenmin aanwijzingen dat verweerster stukken uit het dossier zou hebben verwijderd. Overigens zal indien een ouder op het spreekuur komt om te praten over zorgen omtrent een kind dit worden genoteerd in het dossier van de ouder die op het spreekuur komt.
Het college is van oordeel dat verweerster voldoende informatie in het huisartsenjournaal heeft opgenomen gelet op het doel van het medisch dossier en binnen de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening gebleven.
5.5
Gelet op het voorgaande is de klacht kennelijk ongegrond en dient als volgt te worden beslist.
6. DE BESLISSING
Het college wijst de klacht af.
Aldus gegeven in raadkamer door A.L. Smit, voorzitter, P.A.J. Buis en A.S.M. Kraak, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.