ECLI:NL:TGZRZWO:2018:168 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 123/2018

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2018:168
Datum uitspraak: 23-10-2018
Datum publicatie: 23-10-2018
Zaaknummer(s): 123/2018
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen huisarts ongegrond. Patiënte deed veelvuldig beroep op de huisarts en op de praktijk. Huisarts heeft voldoende maatwerk geboden en zich voldoende toegankelijk opgesteld. Ook ten aanzien van (de wijze van) de beëindiging van de behandelrelatie is de huisarts geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 23 oktober 2018 naar aanleiding van de op 24 april 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

k l a a g s t e r

-tegen-

C , huisarts, werkzaam te B,

bijgestaan door mr. M.H.M. Mook, verbonden aan ARAG rechtsbijstand,

v e r w e e r s t e r

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met de bijlage;

- het aanvullende klaagschrift met bijlagen;

- het verweerschrift met de bijlagen;

- de repliek met de bijlagen;

- de dupliek;

- de aanvullende stukken van klaagster ontvangen op 24 augustus 2018;

- de aanvullende stukken van de zijde van verweerster ontvangen op 3 september 2018;

- het proces-verbaal van het op 3 september 2018 gehouden gehoor in het kader van het vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 11 september 2018, alwaar klaagster en verweerster beiden zijn verschenen. Verweerster werd ter zitting bijgestaan door haar voornoemde gemachtigde.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier en een grote hoeveelheid

e-mailberichten tussen klaagster en verweerster) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagster, geboren in 1968, is op 16 januari 2018 ingeschreven in de huisartsenpraktijk waar verweerster werkzaam is.

Klaagster heeft via e-mail, telefoon en berichten in het zorgportaal van de praktijk veelvuldig een beroep gedaan op verweerster en de praktijk.

Op 23 januari 2018 werd bloed afgenomen bij klaagster. Toen de uitslag van het laboratorium binnen was, werd deze op 30 januari 2018 vanuit de praktijk aan klaagster doorgebeld. De waarde van vitamine D was 34 nmol/l en lag daarmee ruim onder de normaalwaarde van >50 nmol/l. Verweerster stelde voor om dit tekort aan te vullen zoals de NHG-richtlijn beschrijft. Klaagster beëindigde het telefoongesprek waarin verweerster en klaagster hierover spraken abrupt.

Het patiëntendossier van de vorige huisarts is door verweerster ontvangen. Klaagster heeft op 25 januari 2018 een verzoek gedaan om geen informatie te verstrekken aan D en verzocht om verwijdering van brieven van fysiotherapeut D uit haar dossier. Verweerster heeft klaagster in kennis gesteld dat er geen informatie van/over D in het dossier bestond.

Klaagster diende vervolgens, onder meer in het patiëntenportaal, vele verzoeken in tot contact. Klaagster vroeg daarin onder meer om andere (hoeveelheden) medicatie en om doorverwijzing naar verschillende specialisten. Verweerster besloot de verzoeken te bundelen en klaagster in één e-mailbericht te beantwoorden. Zij verzocht klaagster om het aantal e-mails aan de praktijk te beperken en deelde haar mee dat verwijzingen alleen plaatsvinden na een spreekuurcontact.

Op de verzoeken om uitbreiding en/of wijziging van medicatie heeft verweerster afwijzend gereageerd.

Op 31 januari 2018 werd klaagster gemeld dat het patiëntenportaal niet meer voor haar open stond. Over en weer zijn herhaalde berichten gestuurd omtrent het weer aan kunnen melden door klaagster bij het patiëntenportaal.

Op 1 februari 2018 stuurde klaagster acht e-mailberichten naar de praktijk.

Op 8 februari 2018 e-mailde klaagster:

Ik denk dat 10 min. ruim voldoende zullen zijn. Maar als C 20 min. beter vindt, dan zal ik daar rekening mee houden. Het consult is tenslotte op verzoek van C en consulten bij huisarts gaan niet ten koste van mijn eigen risico dus zal dit consult mij dan ook geen geld kosten.

Het standpunt van C lijkt al vast te liggen. Zij heeft duidelijk aangegeven alleen volgens de richtlijnen NHG te werken, en mijn zorgen over mijn gezondheid lijken bij haar niet bespreekbaar te zijn, hoewel de Richtlijnen duidelijk aangeven dat maatwerk geleverd moet worden. Ook vindt zij dat ik moet vertrekken omdat zij ICT-problemen heeft.

Ik ben op dit moment NIET van plan weg te gaan omdat ik C minimaal een half jaar als huisarts de kans wil geven. Als C de arts-patientrelatie geen kans wil geven, dan is dat jammer maar zij kan mij met en zonder mijn instemming de praktijk uitzetten en heb ik daar weinig tot niets over te vertellen. Zij kan dat ook zelf allemaal regelen zonder inbreng van mij.”

Op 9 februari 2018 nodigde verweerster klaagster per e-mail uit voor een gesprek.

Klaagster is op 20 februari 2018 in de praktijk verschenen. Verweerster stelde voor om klaagster naar een internist te verwijzen, aangezien haar klachten niet konden worden verklaard door een tekort aan vitamine D.

Vanwege klaagsters slechte ervaringen met het E heeft verweerster klaagster in de gelegenheid gesteld om haar de naam van een internist te noemen waarnaar zij verwezen wilde worden. Klaagster heeft op 23 februari 2018 per e-mail een naam doorgegeven. Er was sprake van een reguliere verwijzing naar de internist. Verweerster heeft de verwijzing op 6 maart 2018 op schrift gesteld en de verwijzing gemaakt.

De verwijsbrief luidde als volgt:

Graag uw beoordeling van uiteenlopende klachten en symptomen. Er is lab bepaald en daar wordt alleen een te laat vit D gevonden van 34. Verder geen afwijkingen, vit B12 221 en TSH 0.6. Goede nierfunctie. PTH is niet bepaald. Echter mw vindt dat de waarden in de loop van de jaren dalen en voelt zich daar niet prettig bij, heeft onduidelijke tintelingen, vermoeidheidsklachten al jaren. Graag uw advies.

Tevens zijn door verweerster in de brief opgenomen de deelcontacten met klaagster van 20 februari 2018, 1 februari 2018, 30 januari 2018, 29 januari 2018 en 23 januari 2018, alsmede een relevante probleem-/episodelijst en een medicatieoverzicht. Opgetekend is dat de verwijzing is besproken met klaagster.

Op 7 maart 2018 stuurde klaagster 28 e-mailberichten naar de praktijk. Klaagster vroeg per e-mail om een verwijzing naar de oogarts. Klaagster heeft deze dag ook verzocht om de verwijzing naar een orthopeed en internist te ontvangen, met de tekst en medische informatie die verweerster verstrekt heeft. Verweerster heeft klaagster per e-mail op

8 maart laten weten dat e-mails van klaagsters niet meer gelezen en beantwoord werden. Verweerster nodigde klaagster uit voor een gesprek op de praktijk om een andere manier van samenwerking te bespreken.

Op 8 maart 2018 stuurde klaagster vier e-mailberichten naar de praktijk. Klaagster achtte een consult niet nodig.

Op 28 maart 2018 stuurde verweerster navolgend e-mailbericht naar klaagster:

Ik heb u al eerder aangegeven in het gesprek op de praktijk dat u recht hebt op stukken uit uw dossier. Het is niet gebruikelijk dat patiënten de verwijsbrieven ook meekrijgen, omdat deze digitaal via zorgdomein verzonden worden.

Maar als u deze toch graag wilt hebben, kan u deze ophalen op de praktijk. Gaat het om de twee verwijzingen naar internist en orthopeed? Dan liggen ze vanaf morgen klaar voor u. Bij veel papier vragen wij wel een vergoeding van 10 eurocent per kopie.

Het is teleurstellend dat u wederom dreigt met de rechtbank en ook in voorgaande mails met tuchtcollege. U stuurt zoveel mail dat dit voor ons niet werkbaar is. Hierdoor ontstaan veel onduidelijkheden. Ik heb u al eerder aangeraden om bij vragen een afspraak te maken of telefonisch contact te zoeken met de praktijk, maar bij zoveel mail is het mij niet meer duidelijk wat uw vraag is.

U heeft recht op vernietiging van uw dossier of bepaalde stukken in uw dossier. Ik zal u het echter niet aanraden omdat er medische informatie verloren gaat. U mag ook een kopie van de stukken van de fysiotherapeut vragen (tegen vergoeding) en thuis bewaren. Dit verzoek van verwijdering of vernietiging moet u wel schriftelijk met handtekening bij ons indienen. In uw dossier was al wel netjes genoteerd dat de stukken van de fysiotherapeut niet gebruikt mochten worden, wij hadden begrepen dat ook dat uw vraag was in eerste instantie.

Ik hoop u zo voldoende te hebben geïnformeerd. Bij verdere vragen graag een afspraak maken op de praktijk.

Op 28 maart 2018 stuurde klaagster een e-mailbericht met navolgende inhoud:

Ik vind het jammer dat u een onjuiste voorstelling van zaken geeft:

-      In geen enkel gesprek met u is gesproken over de wijze van verstrekken van stukken

-      U reageert pas nu inhoudelijk op mijn verzoek om stukken en om verwijdering van stukken, en u heeft mij tot nu alleen verwezen naar de klachtenfunctionaris toen ik u erop attendeerde dat u niet reageerde op mijn verzoeken en klacht; het antwoord op een vraag van mij over verstrekken van stukken via e-consult van 29-1 heeft mij niet bereikt omdat uw ict-systeem problemen gaf en u heeft niet gereageerd toen ik u op 30-1 erop attendeerde dat ik vanwege deze storing geen kennis heb kunnen nemen van uw antwoord en ik alsnog om een antwoord vroeg.

-      Het is jammer dat u mij heeft gegeven voor contact met klachtenfunctionaris en het moeten dreigen met een rechtszaak : immers u reageert niet inhoudelijk op mijn verzoek om stukken

-      Ik heb u sinds 8-3 zeer weinig mails gestuurd, ik meen 3, aangezien u aangegeven heeft dat dit niet zinvol zou zijn omdat u niet zou reageren. U refereert dan ook aan oude mails nl. die van t/m 8-3-19, u haalt oude koeien uit de sloot

-      Op 25-1-18 was mijn vraag al verwijdering van verslag fysiotherapeut

Op dit moment heb ik geen andere vraag dan verwijdering verslag fysiotherapeut en afschrift verwijzingen naar specialisten. Het is goed om te weten dat u alsnog bereid bent hieraan mee te werken.

Ik ga ervan uit dat de mailwisseling (incl. uw dreigement mij uit uw praktijk te zetten) in mijn dossier zit. Ik verzoek u daarom ook bovenstaande met de bijlagen in mijn dossier op te nemen.

Op 29 maart 2018 heeft verweerster klaagster laten weten dat het e-mailbericht van

28 maart 2018 in haar dossier werd opgenomen, inclusief de bijlagen. Op 24 april 2018 is per e-mail vanuit de praktijk laten weten dat er op verzoek van klaagster een brief uit haar dossier is verwijderd.

Op 31 maart 2018 heeft klaagster gereageerd op het e-mailbericht van 29 maart 2018. Klaagster schrijft hierin dat verweerster niet eerder heeft aangegeven dat er geen verslag was van D maar daarmee gewacht heeft tot een formeel verzoek tot verwijdering werd gedaan door klaagster. Klaagster meldde dat door verweersters werkwijze haar dossier onnodig vervuild was door verweerster.

In de eerste week van april 2018 heeft klaagster in een e-mailbericht opgenomen dat de verwijsbrief naar de internist zonder overleg met klaagster is opgesteld en verzonden en onjuistheden zou bevatten. Klaagster wilde dat het e-mailbericht in haar dossier werd opgenomen en vroeg verweerster dit binnen één dag te bevestigen.

Op 20 april 2018 stuurde klaagster een bericht naar de praktijk dat zij geen bericht had ontvangen naar aanleiding van het bericht van 7 april 2018. Klaagster heeft in het bericht opgenomen dat verweerster het tot een klacht laat komen.

Klaagster heeft in maart 2018 een klacht ingediend tegen verweerster bij G. Op het verzoek om op gesprek te komen in F heeft klaagster afwijzend gereageerd. Op 12 april 2018 heeft klaagster in een e-mailbericht aangegeven dat zij geen vertrouwen had in de met de klachtafhandeling belaste persoon en heeft zij verzocht om een andere klachtenfunctionaris.

Op 26 april 2018 stuurde verweerster klaagster een bericht dat zij open stond voor een gesprek.

Op 12 mei 2018 stuurde klaagster verschillende e-mailberichten naar de praktijk. Zij wilde een verwijzing voor een orthopeed in een academisch ziekenhuis.

Op 19 mei 2018 e-mailde klaagster dat een consult niet nodig was en zij een verwijzing naar een internist in een ander ziekenhuis wilde.

Op 23 mei 2018 heeft verweerster navolgend e-mailbericht aan klaagster gezonden:

Ik zal geen verwijzing maken naar een internist in een ander ziekenhuis, maar ik adviseer u eerst op het spreekuur te komen, dan kunnen tevens de vragen rondom medicatie besproken worden.

Ik wil u nogmaals aangeven dat u de praktijk en het patiëntenportaal onnodig belast met mail en administratieve taken, zonder op het spreekuur te komen. U verstoort hierdoor in ernstige mate de werkzaamheden in de praktijk.

Ik geef u hierbij een officiële waarschuwing. Als u de praktijk zo blijft belasten, dan is het voor mij en de assistenten niet meer werkbaar en dan kunnen wij niet de noodzakelijke zorg verlenen. Ik geef u een optie om maximaal 1 keer per dag, indien daar noodzaak voor is, contact te zoeken met de praktijk. Mocht u door blijven gaan met u mails en het onnodig belasten van de praktijk en de medewerkers, dan zal ik de behandelovereenkomst opzeggen. Daarbij zal spoedhulp verleend worden totdat er een nieuwe huisarts is gevonden.

Op 24 mei 2018 e-mailde klaagster dat zij bewijzen wenste van de beweringen van de huisarts omtrent de e-mails en het patiëntenportaal.

Op 27 mei 2018 stuurde klaagster 16 e-mailberichten naar de praktijk van verweerster.

Op 1 juni 2018 stuurde verweerster navolgend e-mailbericht naar klaagster:

Na de officiële waarschuwing die ik u gegeven heb op woensdag 23 mei, betreffende het onnodige mailverkeer, blijft u mij en de praktijk meerdere mails sturen en meerdere e-mailconsulten via het patiëntenportaal. Daarmee belemmert u de zorg en de praktijk dermate dat ik geen goede zorg kan verlenen, aan u en aan andere patiënten. Opnieuw wijs ik u op mijn eerdere waarschuwing en voorgestelde optie. Wanneer u toch doorgaat en de praktijk blijft belasten met veel onnodige mails, dan zal ik vervolgens per direct de behandelovereenkomst beëindigen, omdat de vertrouwens relatie daarmee nog verder geschonden wordt.

Als huisarts kan en mag ik u niet zonder medische reden verwijzen. Dit wordt als oneigenlijk gebruik van medische zorg gezien. Dit heeft directe consequenties voor de zorgcontracten van de praktijk met de zorgverzekeraars en indirect consequenties voor andere patiënten.

Mocht het nodig zijn om de behandelovereenkomst te beëindigen, dan betekent dit dat er door onze huisartsenpraktijk alleen nog spoedhulp wordt verleend. Herhaalrecepten worden alleen geschreven als blijkt dat het tijd is voor de 3 maandelijkse herhaling van de chronische medicatie.

Op 19 juni 2018 schreef verweerster het navolgende aan klaagster:

Op 23 mei en 1 juni jl. heb ik u per mail een waarschuwing gezonden in verband met uw mailgedrag richting mij en de praktijk. In deze waarschuwing heb ik u tevens een voor de praktijk werkbare optie gegeven. Daarnaast heb ik u laten weten dat verwijsbrieven alleen geschreven worden, indien daarvoor aanleiding is en u voor de klachten op het spreekuur bent geweest. Tevens kan de medicatie, zoals normaal gebruikelijk is, elke 3 maanden herhaald worden. Helaas hebben de waarschuwingen enkel geleid tot meer mails van uw zijde en de inhoud van de mails is buitengewoon onheus.

Met deze brief laat ik u weten de behandelovereenkomst met u te beëindigen. Er zijn verschillende redenen waardoor de vertrouwensrelatie, die ik met u probeerde op te bouwen vanaf januari 2018, is geschonden. Er is een niet werkbare situatie ontstaan, waardoor ik u niet meer die zorg kan verlenen die van mij verlangd wordt als huisarts. De grote hoeveelheid mails, maar ook de inhoud daarvan, geven er geen blijk van dat u mijn eerdere waarschuwingen ter harte neemt.

Daarnaast heeft u over mij en de praktijk inmiddels meerdere klachten ingediend bij zowel de klachtenfunctionaris als het Regionale Tuchtcollege. Dit alles heeft geleid tot een vertrouwensbreuk. De beëindiging van de behandelovereenkomst gaat per 1 augustus 2018 in. In de komende weken heeft u dan voldoende tijd om een nieuwe huisarts te zoeken. Zodra deze dan gevonden is, zal ik het dossier aan hem/haar toesturen. Mocht het niet lukken om een andere huisarts te vinden, dan kan ik (of een van mijn collega’s) u daarbij behulpzaam zijn.

Spoedhulp zal gedurende deze periode aan u verleend blijven worden, tevens zullen recepten worden geschreven, die noodzakelijk zijn .”

Op 31 juli 2018 heeft verweerster klaagster de gegevens doorgegeven van twee huisartsen die verweerster bereid had gevonden om met klaagster kennis te maken.

Met een van hen heeft klaagster contact gezocht, maar die leek haar als huisarts niet geschikt. De ander is door klaagster tot dusver niet benaderd. Klaagster is er naar eigen zeggen echter helemaal klaar mee en neemt op de koop toe dat zij momenteel geen zorg en begeleiding krijgt.

3.    HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster heeft verweerster verschillende verwijten gemaakt, die het college -zakelijk weergegeven- als volgt rubriceert:

1.    het niet leveren van maatwerk aan klaagster;

2.    dat verweerster geen concrete informatie geeft aan klaagster;

3.    dat verweerster niet zo spoedig mogelijk reageert op verzoeken tot het verstrekken van stukken uit het medisch dossier dan wel vernietiging van stukken uit het medisch dossier;

4.    dat verweerster onjuiste/onvolledige informatie in het patiëntendossier van klaagster heeft opgenomen;

5.    dat verweerster geen voortvarendheid heeft betracht bij verwijzing van klaagster naar de internist;

6.    dat verweerster onjuistheden/onvolledigheden heeft opgenomen in de verwijzing en daar geen actie op heeft ondernomen;

7.    dat verweerster een negatief beeld van klaagster heeft gegeven aan de internist;

8.    het op onjuiste wijze handelen met betrekking tot beëindiging van de behandelingsovereenkomst (door klaagster nog weer onderverdeeld in negen klachtonderdelen).

4.    HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER

Verweerster voert -zakelijk weergegeven- aan dat zij zich heeft ingespannen om als goed hulpverlener op te treden jegens klaagster. Verweerster heeft getracht om afspraken te maken met klaagster over haar talloze verzoeken en het belasten van de praktijk hiermee. Verweerster betreurt het dat zij daarin niet is geslaagd. Wat betreft de verwijzing naar de internist voert verweerster aan dat in verband met de griepepidemie en het onverwachts overlijden van twee van patiënten de reguliere verwijzing, na melding van klaagster op 23 februari 2018 van de door haar gewenste internist, pas op

5 maart 2018 heeft plaatsgevonden. Verweerster voert aan dat zij met haar handelen binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Voor zover nodig zal hieronder nader ingegaan worden op het verweer.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1          

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het college zal hieronder de afzonderlijke klachtonderdelen bespreken en daarna nog een opmerking in algemene zin maken.

5.3

De klacht dat verweerster (naar het college begrijpt: bij het signaleren van een laag vitamine D gehalte) geen maatwerk heeft geleverd (klachtonderdeel 1) treft geen doel. Verweerster heeft telefonisch uitleg gegeven, deze werd door klaagster echter niet aanvaard: klaagster beëindigde zelf het telefoongesprek. Het uiteindelijke advies om een internist te raadplegen was ook adequaat, maar dit werd door klaagster zelf belemmerd doordat zij niet in wilde gaan op het verzoek om eerst naar de praktijk te komen, hetgeen gelet op de omstandigheden een redelijke en gebruikelijke (en bovendien op maat gesneden) eerste stap was.

Klachtonderdeel 2 treft om dezelfde redenen hetzelfde lot: ook die klacht slaagt niet.

5.4    

De klacht dat verweerster onvoldoende snel op klaagsters verzoeken tot het verstrekken dan wel vernietigen van stukken is ingegaan (klachtonderdeel 3) kan evenmin slagen. De verzoeken die klaagster voorlegde aan verweerster waren van dusdanig groot aantal en volgden elkaar dermate snel op dat het voor verweerster ondoenlijk was om deze in getal en in snelheid bij te benen. Uit de stukken komt naar voren dat verweerster op de juiste wijze en gelet op de ontbrekende spoedeisendheid voldoende snel heeft gereageerd. Het college voegt daar nog aan toe dat verweerster klaagster daarbij ook op de consequenties van haar wensen ten aanzien van te verwijderen stukken heeft gewezen.

5.5

Van een onzorgvuldige dossiervoering (klachtonderdeel 4) is het college niet gebleken. Het college begrijpt dat klaagster hier doelt op een onjuistheid in de genoteerde overlijdensdatum van haar vader en op onjuistheden ten aanzien van door de oogarts voorgeschreven medicatie. Het eerste is echter, hoe gevoelig voor klaagster ook, in de context van de behandelrelatie van geringe betekenis en het tweede is door verweerster voldoende snel hersteld. Deze kleine omissies zijn onvoldoende om het gemaakte  tuchtrechtelijke verwijt te dragen. Het college merkt hierbij op dat de bewuste episodes zijn meegekomen met het overzetten van het dossier van de vorige huisarts; deze zijn dus niet door verweerster zelf genoteerd.

5.6

In klachtonderdeel 5 wordt betoogd dat verweerster onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij de verwijzing naar de internist. Uit het dossier blijkt dat verweerster er na 23 februari 2018 tien dagen over deed om de verwijsbrief te schrijven. Dat is naar het oordeel van het college voldoende snel, omdat het hier om een reguliere verwijzing ging. Daarbij moet bedacht worden dat deze termijn van tien dagen ook twee weekenden omvat. Dat het mogelijk sneller had gekund is gelet op het hiervoor onder 5.1 omschreven toetsingskader onvoldoende om de klacht te doen slagen.

5.7

De klachtonderdelen 6 en 7 betreffen de inhoud van de verwijsbrief en het beeld dat verweerster daarmee mogelijk van klaagster heeft geschapen.  

Het college acht de verwijsbrief zelf voldoende feitelijk, daarin worden geen waardeoordelen gegeven die het beeld onnodig beïnvloeden.

Uit de stukken blijkt dat verweerster met haar verwijsbrief ook een deel van het huisartsenjournaal meestuurde. Dat had mogelijkerwijs niet per se op die manier gehoeven, maar de werkwijze is niet ongebruikelijk en het college acht dit ook niet verwijtbaar. Het is voorstelbaar dat dit klaagster een ongemakkelijke entree bij de specialist heeft opgeleverd, in die zin is de handelwijze niet heel fijngevoelig. Het levert echter geen gegrond tuchtrechtelijk verwijt op. Hierbij moet in dit geval bovendien bedacht worden dat de verwijzing de beoordeling van uiteenlopende klachten en symptomen betrof, zodat achtergrondinformatie relevant kon zijn.

5.8

Klachtonderdeel 8 ziet op de manier waarop verweerster de behandelovereenkomst heeft beëindigd. In de WGBO is geregeld dat een arts een behandelingsovereenkomst niet zomaar mag beëindigen. Het college zoekt voor de beoordeling van dit klachtonderdeel aansluiting bij de richtlijn die de KNMG op dit punt geeft en de daarmee verband houdende Handreiking. Het college volgt verweerster in haar standpunt dat er gewichtige redenen waren om de relatie te beëindigen. Klaagster verstoorde de praktijk in hoge mate en was niet bevattelijk voor correctie. Dat deze gewichtige redenen in de ziekte van klaagster zijn gelegen is onvoldoende gebleken. Partijen zijn het overigens ook eens dat de relatie moet worden beëindigd. De manier waarop verweerster dit heeft gedaan kan de toets der kritiek doorstaan. Zij heeft klaagster schriftelijk gewaarschuwd en haar ook alternatieven geboden. Zij heeft zich daarbij rekenschap gegeven van de persoon van klaagster. Het aanbod om desnoods eenmaal per dag contact met de praktijk te hebben is in dat opzicht ruimhartig te noemen. Verder heeft verweerster klaagster gestimuleerd om contact te houden met een psycholoog. Verweerster is pas tot beëindiging overgegaan toen ook die suggesties op onwil stuitten. Het feit dat zij daarbij, in strijd met de bedoelde Handreiking, geen persoonlijk gesprek meer met klaagster heeft gevoerd wordt in dit geval goedgemaakt door de vele vruchteloze pogingen die verweerster eerder deed om met klaagster over de behandelingsrelatie in gesprek te komen. Verweerster heeft ter zitting goed uitgelegd dat zij heeft geprobeerd om klaagster op een bij haar, klaagsters, persoon passende manier te blijven benaderen en dat de weg naar de beëindiging van de behandelrelatie daarom relatief lang heeft geduurd. Toen de relatie definitief onhoudbaar bleek heeft verweerster de opzegging doorgezet en concrete alternatieven voor klaagster gevonden, in de gerechtvaardigde verwachting dat klaagster daar snel op in zou gaan. Verweerster kan ook niet worden verweten dat zij klaagster ná de opzegging nog medicatie heeft verstrekt. Het geheel overziend blijft het handelen van verweerster rondom de beëindiging binnen de grenzen van wat van een redelijk bekwaam handelend huisarts mocht worden verwacht.

5.9

Het college hecht eraan om in aanvulling op het voorgaande nog in te gaan op de rode draad in de klacht, te weten het niet van de grond komen van goed contact tussen klaagster en verweerster. Klaagster heeft daarover ter zitting erkend dat zij verweerster een tijdlang overmatig met berichten heeft belast. Zij deed dit naar eigen zeggen uit een frustratie die al in de eerste contacten met verweerster was ontstaan doordat verweerster haar “vrijwel meteen afkapte”. Klaagster heeft uitgesproken ideeën over wat voor haar de beste behandeling is, verweerster had deze serieus moeten nemen, aldus klaagster. Het college stelt met klaagster vast dat partijen geen werkbare behandelrelatie hebben bereikt. Dat klaagster bereid is om op dit punt de hand ook in eigen boezem te steken door toe te geven dat zij in de e-mailcontacten min of meer uit de bocht is gevlogen, siert haar. Het college wil wel aannemen dat de eerste contacten ongemakkelijk zijn verlopen doordat verweerster, die klaagster toen uiteraard nog niet goed kende, haar standaard werkwijze op klaagster losliet terwijl klaagster gelet op haar kwetsbaarheid waarschijnlijk een zeer behoedzame benadering behoeft. In die zin is mogelijk inderdaad sprake geweest van een valse start. Het college ziet echter, anders dan klaagster, niet dat verweerster daar belangrijke steken heeft laten vallen. En voor zover er al iets op zou zijn aan te merken heeft zij dat naar het oordeel van het college meer dan goed gemaakt door het geduld en de toegankelijkheid die zij in de latere contacten met klaagster aan de dag heeft gelegd. Het is jammer dat klaagster daar op dat moment niet meer bevattelijk voor was, maar dat is niet aan verweerster te verwijten. Toen duidelijk was dat de relatie niet meer hersteld kon worden is verweerster zich om klaagster blijven bekommeren en heeft zij het pad naar een andere huisarts voor klaagster geëffend. Het college spreekt, zoals het ook ter zitting al heeft gedaan, de hoop uit dat klaagster de kans aangrijpt om met een volgende behandelaar meteen in het eerste contact haar bijzondere kwetsbaarheid voor frustraties te bespreken, om wederzijds onbegrip te voorkomen maar vooral om te voorkomen dat klaagster verstoken blijft van medische zorg en begeleiding en tot zorgmijder verwordt.

5.10

Slotsom

De conclusie is dat de klachtonderdelen niet kunnen slagen en dat de klacht ongegrond zal worden verklaard.

6.    DE BESLISSING

Het college verklaart de klacht - in al haar onderdelen - ongegrond.

Aldus gegeven door A.M. Koene, voorzitter, E. Plomp, lid-jurist, R.J. Wolters,

M.H. Braakman en J. Schuur, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van

J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2018 door A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.