ECLI:NL:TGZRZWO:2018:167 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 179/2018
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2018:167 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-10-2018 |
| Datum publicatie: | 23-10-2018 |
| Zaaknummer(s): | 179/2018 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen tandarts kennelijk ongegrond. Verweerster is met haar handelen binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening gebleven. Verweerster heeft op verzoek van de administratie aan klager een mededeling gedaan omtrent de nota van een andere afdeling (het CCT) en zijn reactie teruggemeld aan de administratie. Het college oordeelt dat op verweerster niet de plicht rustte zelf inhoudelijk terug te komen op de totstandkoming van het bedrag op de nota(‘s). |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 23 oktober 2018 naar aanleiding van de op 18 juni 2018 bij het Regionaal
Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
k l a g e r
-tegen-
C , tandarts, werkzaam te B,
bijgestaan door D, verbonden aan het E te B,
v e r w e e r s t e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;
- de aanvullende stukken van klager, binnengekomen op 13 juli 2018;
- het verweerschrift met de bijlagen.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid mondeling gehoord te worden in het vooronderzoek.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klager, geboren in 1946, is behandeld binnen drie verschillende klinieken, onderdeel van de afdeling Tandheelkunde van het E.
In 2008 is klager in behandeling gekomen bij de onderwijspraktijk (OWP). In 2014 is er contact geweest over nota’s die door klager nog niet waren betaald. De OWP heeft deze gecrediteerd wegens verjaring.
In december 2014 is klager door zijn huisarts verwezen naar het F. Van daaruit is klager verwezen naar het G . In verband met blijvende klachten in oktober 2015 en januari 2016 over de onderprothese werd klager doorverwezen naar het F. Over de door klager te betalen bijdrage in de behandeling is een discussie ontstaan met het G.
Klager was het niet eens met de incassoprocedure van het G.
Verweerster is sinds 2009 werkzaam bij het F en heeft klager in maart 2016 voor het eerst en in juni 2016 voor het laatst gezien. In deze periode is in mei 2016 de eerste, de geperste prothese geplaatst en in augustus 2016 de tweede, gefreesde prothese.
Op 29 maart 2016 heeft verweerster klager, op verzoek van de administratie, gewezen op de openstaande kosten bij het G. Verweerster heeft de reactie van klager teruggemeld aan de administratie. Verweerster heeft op 31 mei 2016 op aangegeven klachten van klager de prothese bijgewerkt en gepolijst. Tijdens de controle van 29 augustus 2016 heeft verweerster een drukplek ontlast.
Op 22 september 2016 heeft het Dagelijks Bestuur Tandheelkunde besloten de behandeling van klager te stoppen vanwege incassoproblemen van nota’s betreffende de behandeling bij het F in 2015. Op 3 januari 2017 heeft klager de geperste prothese en studiemodellen opgehaald bij het F. Klager weigert de factuur te voldoen met betrekking tot de eigen bijdrage van de prothese. Klager heeft zich onder behandeling gesteld van het H te I.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt verweerster -zakelijk weergegeven- het zonder meer beëindigen van de behandeling en het onthouden van nazorg aan klager. Tevens verwijt klager verweerster dat zij niet is ingegaan op klagers verzoek om de door haar tijdens het consult van 29 maart 2016 aangehaalde rekening toe te lichten.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER
Verweerster voert -zakelijk weergegeven- aan dat de klacht ongegrond is en haar geen gegrond tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Verweerster heeft conform de gemaakte behandelingsovereenkomst gehandeld en was betrokken bij de behandeling van klager in de periode van maart 2016 tot en met augustus 2016. In deze periode is in mei 2016 de eerste, de geperste, prothese geplaatst en in augustus 2016 de tweede, gefreesde prothese.
De nazorg van het plaatsen van een prothese bestaat uit het behandelen van eventuele
pijnklachten. Verweerster heeft op 31 mei 2016 op aangegeven klachten van klager de
prothese bijgewerkt en gepolijst. Tijdens de controle van 29 augustus 2016 heeft verweerster
een drukplek ontlast. Niet gebleken is dat klager zich nadien met pijnklachten heeft
gemeld bij verweerster. Dat verweerster wist omtrent een second opinion in een ander
ziekenhuis is daarbij niet relevant. Dat het Dagelijks Bestuur Tandheelkunde nadien
de beslissing heeft genomen dat klager niet meer welkom was kan verweerster niet aangerekend
worden.
5.3
Wat betreft de opmerking van verweerster op 29 maart 2016 over een openstaande nota bij het G oordeelt het college als volgt. Hoewel voorstelbaar dat voor klager verwarring is ontstaan over de diverse behandelafdelingen binnen de afdeling tandheelkunde kan het verwijt van klager niet slagen. Verweerster heeft op verzoek van de administratie aan klager een mededeling gedaan omtrent de nota van een andere afdeling (het G) en zijn reactie teruggemeld aan de administratie. Het college oordeelt dat op verweerster niet de plicht rustte zelf inhoudelijk terug te komen op de totstandkoming van het bedrag op de nota(‘s).
5.4
Gelet op het voorgaande is de klacht kennelijk ongegrond en dient als volgt te worden beslist.
6. DE BESLISSING
Het college wijst de klacht af.
Aldus gegeven in raadkamer door A.L. Smit, voorzitter, M.E. Geertman en J. Dam,
leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.