ECLI:NL:TGZRZWO:2018:166 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 059/2018

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2018:166
Datum uitspraak: 23-10-2018
Datum publicatie: 23-10-2018
Zaaknummer(s): 059/2018
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen verzekeringsarts in letselschadezaak. Klaagster verwijt verweerder obstructie en het doorduwen van zijn mening. Handelen van verweerder verdedigbaar. Klacht afgewezen.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 23 oktober 2018 naar aanleiding van de op 28 februari 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

bijgestaan door C, wonende te B,

k l a a g s t e r

-tegen-

D , arts, (destijds) werkzaam te E,

bijgestaan door mr. P.J. Klein Gunnewiek, advocaat te Utrecht,

v e r w e e r d e r 

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met de bijlagen;

- het verweerschrift met de bijlagen.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 14 september 2018. Klaagster en verweerder zijn in persoon verschenen bijgestaan door hun gemachtigden. Op initiatief van het college is ter zitting als deskundige gehoord de heer J. Buitenhuis, verzekeringsarts.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagster, geboren in 1955, werd jarenlang, tot begin 2011 behandeld door haar huisarts in verband met ernstige COPD-klachten bij langdurig roken. Zij gebruikte voor de COPD-klachten de nodige medicatie. Behalve de huisarts was ook de longarts bij de behandeling betrokken. In 2011 veranderden de klachten. Er was dan sprake van zeurende pijn aan de linkerarm en zeurende pijn op de borst, hartkloppingen, angstklachten, een droge mond en keel en toegenomen slaapklachten bij bestaande forse COPD-klachten. Klaagster bezocht haar huisarts op 18 februari 2011 met benauwdheid en toegenomen klachten van pijn op de borst en linkerarm.

Op 4 maart 2011 is klaagster patiƫnt geworden bij een andere huisarts. Deze heeft klaagster verwezen naar de cardioloog die een decompensatio cordis bij klaagster heeft vastgesteld.

Klaagster heeft op 3 juni 2015 een klacht tegen haar eerste huisarts ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege in Groningen. Klaagster verweet haar huisarts dat hij niet naar haar klachten heeft geluisterd toen zij hem op 18 februari 2011 consulteerde met klachten van pijn op de borst, dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan en haar niet heeft verwezen naar de cardioloog. Klaagster stelt dat zij hierdoor te lang met hartproblemen heeft rondgelopen en dat de lichamelijke schade mogelijk groter is dan als ze sneller adequaat was behandeld.

Het tuchtcollege heeft geoordeeld dat de huisarts niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht, de klacht gegrond bevonden en deze huisarts de maatregel van waarschuwing opgelegd.

Klaagster heeft vervolgens de huisarts aansprakelijk gesteld voor de schade die zij stelt te lijden als gevolg van het onjuist handelen van de huisarts.

De aansprakelijkheidsverzekeraar van de huisarts heeft verweerder verzocht om als medisch adviseur in de zaak de medische stukken te beoordelen en te adviseren.

Het eerste advies van verweerder dateert van 6 september 2012 dat hij heeft aangevuld op 19 oktober 2012. Verweerder adviseerde informatie op te vragen bij de cardioloog en bij de nieuwe huisarts van klaagster. In een brief van 6 februari 2013 concludeert verweerder dat niet is vast te stellen of aannemelijk te maken dat in de periode mei 2010 tot februari 2011 al sprake zou zijn geweest van hartfalen.

In de brief van 9 januari 2014 concludeert verweerder naar aanleiding van een advies van de medisch adviseur van klaagster dat er geen sprake is van een aantoonbaar en verwijtbaar delay door de aangesproken huisarts.

Partijen in de letselschadezaak komen overeen dat F, huisarts, het handelen van de aangesproken huisarts zal beoordelen. F heeft op 17 september 2014 (concept) en op

10 maart 2015 (definitief) zijn rapport uitgebracht. De conclusie van F is dat de huisarts tijdens het consult van 18 februari 2011 onzorgvuldig heeft gehandeld aangezien niet is gebleken dat bloeddruk, hart of oedemen zijn onderzocht. Volgens F had de huisarts de aanwezigheid van een acuut coronair syndroom dan wel hartfalen moeten uitsluiten.

Verweerder heeft bij brief van 13 mei 2015 geadviseerd om nadere medische stukken op te vragen.

De belangenbehartiger van klaagster heeft begin 2016 voorgesteld een cardiologische en psychiatrische expertise te laten verrichten.

In overleg en met wederzijdse instemming is aan G gevraagd te rapporteren. Zij heeft op 29 april 2016 een briefrapport uitgebracht, gericht aan H, verzekeringsarts. Een van de conclusies van G was dat de kans zeer groot was geweest dat klaagster nu alleen functiebeperkingen zou hebben door de COPD en geen cardiale restklachten als er adequaat was opgetreden door de huisarts.

Verweerders collega I heeft naar aanleiding van de brief van G, ontvangen op 14 juli 2016, op 2 augustus 2016 een advies uitgebracht. Hij had bedenkingen bij de bevindingen van G. Verweerder heeft vervolgens in overleg met de medisch adviseur van klaagster over de vraagstelling op 10 mei 2017 aanvullende vragen aan G gesteld.

G heeft die vragen bij brief van 7 juni 2017 beantwoord. Zij heeft haar conclusie daarin niet gewijzigd.

Verweerder heeft zijn opdrachtgever bij brief van 18 oktober 2017 in overweging gegeven om, in overleg met de medisch adviseur van klaagster, G nog een aantal aanvullende vragen te stellen. De belangenbehartiger van klaagster is daar niet mee akkoord gegaan omdat hij van oordeel is dat de aanvullende vragen dezelfde zijn als eerder gestelde vragen. In zijn advies van 19 december 2017 bericht verweerder zijn opdrachtgever dat hij een nieuwe cardiologische expertise onvermijdelijk acht. Verweerder heeft de cardioloog J benaderd en hem gevraagd of hij de casus van klaagster en het rapport van G op eenzijdig verzoek en anoniem wil beoordelen. J heeft op 12 februari 2018 gerapporteerd. Zijn conclusie is dat de antwoorden van G op medische gronden geen stand kunnen houden.

Het rapport van J is op 28 februari 2018 aan klaagster verstrekt ter voorbereiding op een gesprek tussen klaagster en de verzekeraar van de huisarts. Dat gesprek had op

14 september 2018 nog niet plaatsgevonden.

Na ontvangst van de tuchtklacht heeft verweerder de medische advisering gestaakt.

3.    HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt verweerder -zakelijk weergegeven-:

-      obstructie van de afhandeling van de letselschadeprocedure;

-      dat hij zich niet houdt aan gedragscodes en blijft proberen zijn mening door te duwen, namelijk dat de COPD de hoofdoorzaak is van de cardiale problematiek;

-      dat hij zich heeft teruggetrokken uit de letselschadeprocedure van klaagster waardoor vertraging op zal treden.

4.    HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij zich in de verwijten van klaagster niet kan herkennen. Hij heeft in de medische advisering in de letselschadezaak van klaagster naar zijn overtuiging niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Voor zover nodig wordt hierna meer specifiek op het verweer ingegaan.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1          

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het eerste klachtonderdeel behelst, zo is uit de klacht af te leiden, de vraag of verweerder de letselschadeprocedure heeft gefrustreerd en deze onnodig heeft vertraagd door pas na lange tijd te reageren dan wel deze inhoudelijk heeft gefrustreerd door herhaaldelijk en buitenproportioneel nadere vragen op te werpen aan G.

Vast staat dat met wederzijdse instemming van partijen de expertise van G is ingeroepen. De bevindingen van G van 29 april 2016 zijn aan (de belangenbehartiger van) klaagster gestuurd. Niet duidelijk is wanneer de collega van verweerder I (die verweerder waarnam bij afwezigheid) kennisgenomen heeft van de brief van G; wel staat vast dat deze collega van verweerder bij schrijven van 2 augustus 2016 schriftelijk commentaar heeft gegeven op de brief van G. Verweerder heeft daarna op 13 oktober 2016 aanvullende vragen geformuleerd die vervolgens in mei 2017 gesteld zijn aan G. Uit de overgelegde correspondentie tussen partijen - voor zover compleet - blijkt dat steeds overleg is gevoerd over de vraagstelling. Dat dit enige tijd met zich brengt is daaraan inherent. G heeft de aanvullende vragen bij brief van 7 juni 2017 beantwoord waarna opnieuw discussie is ontstaan tussen partijen over de wens van verweerder opnieuw aanvullende vragen te stellen. Uit de overgelegde e-mail- en briefwisseling hieromtrent is gebleken dat deze discussie is gestagneerd omdat de belangenbehartiger van klaagster het niet eens was met de te stellen vragen. Uit de hierboven geschetste gang van zaken die gekenschetst wordt door voortdurend overleg dan wel discussie tussen partijen - waarmee enige tijd is gemoeid - kan het college niet afleiden dat verweerder een verwijt is te maken. Verweerder is als medisch adviseur niet degene die het tempo van de letselschadeprocedure bepaalt maar enkel degene die vanuit zijn deskundigheid medisch advies uitbrengt op het moment dat hem daarom wordt gevraagd; dit heeft hij gedaan. Daarnaast heeft bij afwezigheid van verweerder zijn collega geadviseerd.

De vraag of verweerder inhoudelijk obstructie heeft gepleegd door het stellen van vragen of zijn mening door te duwen beantwoordt het college eveneens negatief. Het briefrapport van G van 29 april 2016 behelsde het antwoord op een aantal vragen van partijen. Waar de gebruikelijke gang van zaken met betrekking tot een deskundigenrapportage is dat er eerst in concept wordt gerapporteerd waarna, met inachtneming van opmerkingen of vragen van partijen een definitief rapport wordt opgesteld, kende deze deskundigen-expertise een andere route. In dat licht is het verdedigbaar dat verweerder, in zijn taak als kritisch en onafhankelijk medisch adviseur, in een aanvullende vraagstelling op een aantal punten toelichting vroeg aan G dan wel een nadere onderbouwing vroeg voor door G getrokken conclusies.

5.3

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel overweegt het college het volgende.

Verweerder heeft in zijn aanvullende vragen geprobeerd helder te krijgen waarom de deskundige tot bepaalde conclusies is gekomen. Het college vermag in de door verweerder gestelde vragen, kennelijk ingegeven doordat er voor hem onduidelijkheden bestonden op een aantal punten, niet zien dat hij zijn mening probeerde door te duwen als COPD voor de hoofdoorzaak van de cardiale problematiek. Deze vragen kunnen, in het licht van aan een deskundigenrapportage te stellen eisen, beschouwd vanuit de positie van verweerder, als verdedigbaar worden gezien. Evenmin ziet het college in het handelen van verweerder grond te concluderen dat hij zich niet heeft gehouden aan in zijn beroepsgroep geldende gedragscodes. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

5.4

Het derde klachtonderdeel dat verweerder zich heeft teruggetrokken uit de letselschadeprocedure waardoor hierin vertraging is opgetreden zal het college eveneens ongegrond verklaren. Verweerder heeft hieromtrent aangegeven dat hij, nu er een klacht tegen hem werd ingediend door klaagster, zich niet meer vrij voelde als onafhankelijk medisch adviseur op te treden in de letselschadeprocedure. Het college acht dit standpunt in de gegeven omstandigheden verdedigbaar, terwijl dit is ingenomen vanuit oogpunt van zorgvuldigheid en geenszins om de procedure te vertragen, hetgeen in casu ook niet is gebeurd. Immers, verweerder gaf de opdracht terug, waarna een andere medisch adviseur, na kort inlezen, de advisering voor opdrachtgever kon voortzetten.

6.    DE BESLISSING

Het college wijst de klacht op alle onderdelen af.

Aldus gegeven door F. van der Maden, voorzitter, M. Willemse, lid-jurist, C.A.W.M. Hertog en H.A.M. Veneman en J.M. Komen, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van h. van der Poel-Berkovits, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2018 door A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.