ECLI:NL:TGZRZWO:2018:159 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 014/2018

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2018:159
Datum uitspraak: 11-09-2018
Datum publicatie: 11-09-2018
Zaaknummer(s): 014/2018
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen huisarts ongegrond. Mondeling uitspraak ter zitting. Verweerder heeft naar het oordeel van het college gelet op zijn eigen bevindingen in de contacten met de patiënt, waaronder ook gesprekken  onder vier ogen, en de door verweerder verzochte beoordeling van de klinisch geriater, uit mogen gaan van de wilsbekwaamheid van patiënt ten aanzien van zijn behandeling. Patiënt heeft ondubbelzinnig en bij herhaling te kennen gegeven dat hij niet wenst te klagen tegen verweerder. Het college is dan ook van oordeel dat gelet op het voorgaande de indienster van de klacht niet-ontvankelijk is met betrekking tot de ingediende klacht. Zij is geen rechtstreeks belanghebbende in de zin van de artikel 65, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet BIG.  

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing naar aanleiding van de op 25 januari 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

provisioneel bewindvoerder van C ten tijde van de indiening van de klacht,

gemachtigde: mr. P. Ruys, advocaat te Rotterdam,

k l a a g s t e r

-tegen-

D , huisarts, werkzaam te E,

bijgestaan door mr. S.J. Berkhoff-Muntinga, VvAA te Utrecht,

v e r w e e r d e r  

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met de bijlagen;

- het verweerschrift met de bijlagen;

- het aanvullende verweerschrift met bijlage, na verzoek van het college;

- de op 30 augustus 2018 bij het college binnengekomen verklaringen.

Namens verweerder zijn nog een tweetal verklaringen van artsen aan het college toegezonden met een verzoek tot toepassing van artikel 67, derde lid, van de Wet BIG. De voorzitter van het college heeft dit verzoek afgewezen. De stukken zijn, zoals verzocht, retour gezonden aan de gemachtigde van verweerder.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 11 september 2018, alwaar zijn verschenen verweerder en zijn gemachtigde.

Klaagster en haar gemachtigde zijn na een afgewezen verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Na afloop van de mondelinge behandeling op 11 september 2018 heeft het college, na beraadslaging in raadkamer, in het openbaar mondeling uitspraak gedaan. Hetgeen hierna volgt is een schriftelijke uitwerking van die uitspraak.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagster klaagt over de behandeling van C (hierna te noemen: patiënt).

Patiënt heeft in november 2017 een heupoperatie ondergaan, na een val, en is voor revalidatie gegaan naar F te G, in het buitenland.

In december 2017 is een dochter van patiënt naar de revalidatiekliniek gekomen en heeft patiënt meegenomen naar Nederland.

De dochter van patiënt heeft verweerder op 3 januari 2018 verzocht patiënt zorg te verlenen.

Klaagster is van 12 januari 2018 tot 7 februari 2018 provisioneel bewindvoerder geweest van patiënt.

Verweerder heeft opgetekend in het huisartsenjournaal:

300118                 , Klinische geria

          Conclusie:

          -

          - ten aanzien van zijn eigen woon-, leef- en

          gezondheidssituatie acht ik patient geheel oordeels- en

          wilsbekwaam.”

Op 28 februari 2018 is een brief, door patiënt ondertekend, met navolgende inhoud opgesteld, gericht aan verweerder:

“Het is mij duidelijk geworden dat A tegen u een klacht heeft ingediend bij het medisch tuchtcollege. Hierbij wil ik u laten weten dat ik het hier volkomen mee oneens ben en ik juist heel tevreden ben over de door u geleverde zorg aan mij.”

Op 27 augustus 2018 is een brief, ondertekend door patiënt, gericht aan de tuchtrechter, opgesteld, met voor zover thans van belang, navolgende inhoud:

Mijn naam is C.

D heeft mij niet gevraagd om deze verklaring te schrijven. Maar omdat het mij zo tegen de borst stuit dat A geheel onterecht een klacht tegen D indient, voel ik mij geroepen deze verklaring te schrijven.

Ik ben het niet eens met de aanklacht van A.

Er valt D niets te verwijten. Ik ben juist erg tevreden met de gang van zaken en de door hem verleende zorg en ben hem daar dankbaar voor.

Het is een schande dat A haar vete tegen mij en mijn familie over de rug van een onschuldige, gewetensvolle huisarts probeert uit te vechten.

Daar is het tuchtrecht niet voor bedoeld.”

Op dezelfde datum is een door patiënt ondertekende brief aan verweerder geschreven met, voor zover thans van belang, navolgende inhoud:

Ik geef uitdrukkelijk geen toestemming om mijn medische gegevens aan derden te geven. (Dus ook niet aan A en de hare.)

3.    HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- nalatigheid, gebrekkige zorg, onverantwoord handelen en schending van het beroepsgeheim jegens patiënt.

4.    HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht tegen verweerder. Klaagster is weliswaar van 12 januari 2018 tot 7 februari 2018 provisioneel bewindvoerder geweest van patiënt, echter gelet op de verstoorde verhouding tussen klaagster en de familie van de patiënt is vervolgens een professionele provisioneel bewindvoerder benoemd. Patiënt heeft een brief geschreven op 28 februari 2018 waarin hij duidelijk stelt dat hij het oneens is met de tuchtklacht en tevreden is met de door verweerder geleverde zorg. Patiënt is op 3 januari 2018 in de praktijk van verweerder ingeschreven op verzoek van de dochter van patiënt en na een persoonlijk gesprek met patiënt. De patiënt is tot een behoorlijke afweging van belangen in staat en zou zelf over zijn behandeling kunnen klagen. Het feit dat patiënt ten tijde van het indienen van de klacht onder provisioneel bewind stond maakt het voorgaande niet anders. Het Centraal Tuchtcollege heeft in verschillende uitspraken geoordeeld dat een bewindvoerder/curator niet kan klagen als de patiënt niet instemt met de klacht en ten aanzien van de wens tot klagen zijn wil kan bepalen.  

Verweerder voert aan dat hij de wilsbekwaamheid van patiënt door een klinisch geriater heeft laten beoordelen en dat deze patiënt, net als verweerder, wilsbekwaam acht. De rapportage van de klinisch geriater is in de onderhavige tuchtklacht niet ingebracht gelet op de uitdrukkelijke wens van patiënt dat aan klaagster geen medische informatie over patiënt wordt verschaft.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1          

Ten aanzien van de ontvankelijkheid:

In het tuchtrecht is de eerst aangewezene om een klacht in te dienen de patiënt zelf. Met toestemming van de patiënt kan een ander een tuchtklacht over de behandeling van de patiënt indienen. Indien de patiënt zelf niet in staat is om een klacht in te dienen, omdat patiënt niet in staat is tot een behoorlijke belangenafweging dienaangaande, kan een vertegenwoordiger een klacht indienen.

In navolging van het Centraal Tuchtcollege (ECLI:NL:TGZCTG:2014:92) overweegt het college als volgt.

Als rechtstreeks belanghebbenden in de zin van artikel 65, eerste lid, aanhef en onder a Wet BIG zijn aan te merken de wettelijke vertegenwoordigers van een patiënt, zoals de ouders of voogd van een minderjarige, of, bij een meerderjarige patiënt, zijn curator in geval van curatele of zijn mentor in geval van mentorschap. Het college acht het voorgaande ook geldend ten aanzien van een provisioneel bewindvoerder.

Deze wettelijke vertegenwoordigers kunnen slechts in hun hoedanigheid een klacht indienen. Een wettelijk vertegenwoordiger van een meerderjarige patiënt, zoals een bewindvoerder, die met betrekking tot diens behandeling een klacht indient zonder dat blijkt van instemming van de patiënt met de klacht, zal aannemelijk moeten maken dat de patiënt niet in staat is om ten aanzien van het al of niet indienen van een klacht behoorlijk zijn belangen waar te nemen. Dit houdt verband met het uitgangspunt dat de patiënt die daartoe behoorlijk in staat is, zelf degene is die beslist over het al of niet indienen van een klacht met betrekking tot zijn behandeling. Is of was de patiënt daartoe zelf behoorlijk in staat en is aannemelijk dat de patiënt zelf niet wil klagen over zijn behandeling, dan ontbreekt in beginsel voldoende belang voor die anderen bij een klacht over de behandeling van de patiënt met als gevolg dat (in dit geval) de bewindvoerder niet rechtstreeks belanghebbende in de zin van de wet kan zijn.

5.2

Het college staat voor de vraag of patiënt zelf in staat was tot het indienen van de klacht en of aannemelijk is dat hij niet zelf wil klagen over zijn behandeling.  

Klaagster heeft niet onderbouwd dat patiënt niet tot een behoorlijke belangenafweging ten aanzien van zijn behandeling, of het indienen van een tuchtklacht, in staat is (of was). Verweerder heeft naar het oordeel van het college gelet op zijn eigen bevindingen in de contacten met de patiënt, waaronder ook gesprekken onder vier ogen, en de door verweerder verzochte beoordeling van de klinisch geriater, uit mogen gaan van de wilsbekwaamheid van patiënt ten aanzien van zijn behandeling. Verweerder heeft overtuigend betoogd dat hij, gelet op de toch wat bijzondere wijze waarop patiënt in zijn praktijk binnenkwam, in de contacten speciaal op dit punt heeft gelet en het ook bewust heeft getoetst. De volledige beoordeling door de klinisch geriater heeft verweerder weliswaar niet overgelegd, maar doordat verweerder in het huisartsenjournaal wel een aantekening van de door hem ontvangen specialistenbrief heeft gemaakt acht het college zowel de raadpleging als het gestelde oordeel van de klinisch geriater aannemelijk.

Dit alles overtuigt het college ervan dat patiënt ten aanzien van het al dan niet indienen van een tuchtklacht tot een behoorlijke afweging in staat is en dat op zijn verklaringen dienaangaande moet worden afgegaan.

Patiënt heeft ondubbelzinnig en bij herhaling te kennen gegeven dat hij niet wenst te klagen tegen verweerder.

Het college is dan ook van oordeel dat gelet op het voorgaande de indienster van de klacht niet-ontvankelijk is met betrekking tot de ingediende klacht. Zij is geen rechtstreeks belanghebbende in de zin van de artikel 65, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet BIG.

Het college heeft zich nog afgevraagd of klaagster ook voor zichzelf heeft willen klagen, aangezien in de stukken naar voren komt dat zij als de voormalige partner van patiënt kan worden beschouwd. Voor zover dat zo zou zijn heeft klaagster dit in haar klacht onvoldoende tot uitdrukking laten komen, nu zij zich in het klaagschrift uitdrukkelijk en exclusief als de vertegenwoordiger van patiënt presenteert en enkel op zijn  behandeling en belangen wijst, zonder daaromtrent ook een normschending tegen haarzelf of een eigen belang te formuleren.

5.3

De conclusie van het voorgaande is dat klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

6.    DE BESLISSING

Het college verklaart klaagster niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door A.M. Koene, voorzitter, E. Plomp, lid-jurist, R.J. Wolters,

M.H. Braakman en J. Schuur, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van

J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 11 september 2018.                                                                                                   

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.