ECLI:NL:TGZRZWO:2018:157 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 277-2017

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2018:157
Datum uitspraak: 25-09-2018
Datum publicatie: 25-09-2018
Zaaknummer(s): 277-2017
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:   Raadkamerbeslissing. In verband met het voornemen tot toepassing van een dwangbehandeling op grond van Pwb is verweerder gevraagd om een second-opinion. Volgens klaagster heeft verweerder ten onrechte de diagnose psychose gesteld, heeft hij haar ten onrechte dwangmedicatie voorgeschreven en is de second-opinion onvoldoende onderbouwd. De klacht is kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 25 september 2018 naar aanleiding van de op 20 oktober 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , verblijvende te B,

bijgestaan door mr. F.J. Soriano, advocaat te Amsterdam,

k l a a g s t e r

-tegen-

C , psychiater, werkzaam te D,

bijgestaan door mr. drs. E.E. Rippen, verbonden aan VvAA Rechtsbijstand te Utrecht,

v e r w e e r d e r

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

-          het klaagschrift;

-          het aanvullende klaagschrift;

-          het verweerschrift met de bijlagen;

-          het medisch dossier van klaagster over de periode 16 juni 2014 tot en met 16 juli 2014;

-          de processen-verbaal van het op 20 april 2018 en 22 juni 2018 gehouden mondelinge vooronderzoek.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagster is op 13 juni 2014 opgenomen op de Extra Zorgvoorziening (EZV) van de Penitentiaire Inrichting te D. Zij werd verdacht van driemaal brandstichting, waarbij een persoon zwaargewond is geraakt.

In verband met suïcidale uitlatingen en vreemd gedrag is klaagster op 16 juni 2014 geplaatst in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC). Klaagster stond onder behandeling van psychiater E.

Met toestemming van klaagster is gesproken met haar ouders. Door hen is aangegeven dat klaagster tien jaar psychiatrische problemen had, dat zij eerder opgenomen was geweest en dat zij een periode Risperdal had gebruikt. Klaagster weigerde toestemming te geven voor het opvragen van haar medisch dossier.

Op 16 juni 2014 heeft de behandelend psychiater de volgende DSM-IV diagnose gesteld:

As I:            298.9  Psychose NAO

As II:           799.9  Diagnose uitgesteld

As III:          Geen diagnose

As IV:           Problemen binnen primaire steungroep

As V:            GAF 21-30

De behandelend psychiater heeft op 1 juli 2014 het volgende in de voortgangsrapportage vermeld:

“Gisteravond/nacht forse geluidsoverlast, pt was in geheel niet aanspreekbaar, niet in contact en dus niet in te schatten. Na besluit tot isoplaatsing, heeft pt deel v gang en gehele eigen cel onder water gezet. Bezocht in iso. Pt wil geen gesprek met mij, dat heeft ze nu al vaak gezegd, evt morgen wel met de pso en dan mag ik meeluisteren. Uitgelegd dat pso er vandaag niet is, maar ze wel gezien moet worden door een psa, omdat ze in de iso zit. Pt geeft aan psa niet te vertrouwen, die mag ze niet, zijn alleen maar uit op macht. Dat verwijt ze mij ook. Ik heb haar verraden, heb haar medische dossier opgevraagd zonder haar toestemming etc etc. Haar getracht uit te leggen dat ik enkel haar moeder heb gebeld om info in te winnen, op haar eigen verzoek, maar geen info van andere behandelaar heb ingewonnen ivm ontbreken van toestemming. Pt vervolgt haar verhaar op zelfde wijze: machtsvertoon, machtsmisbruik ed. Met haar is niets aan de hand, het gaat allemaal prima, het was een foutje… Medicatie wil ze niet, daar hoef ik niet meer mee aan te komen. PO staat bij binnenkomst naakt in de iso. Sloot op verzoek laken op zich heen. Blijft in begin van gesprek formeel en afstandelijk wat zichtbaar moeite kost. Na korte tijd loopt de spanning op, waarbij pt in een boze monoloog verzandt, snel pratend bijna niet te volgen. Maakt hierbij een zeer achterdochtige en paranoïde indruk. C Paranoid psychotisch toestandsbeeld, met bizar gedrag en overlast en verhoogd suïcide risico. Geen enkel ziektebesef of inzicht, geen bereidheid tot medicatie inname. Pt verblijft al langdurig in Time Out dan wel iso (sinds begin opname) waarbij eigenlijk alleen maar verslechtering van tst beeld. Onbetrouwbaar in gedrag, smokkelt allerhande zaken TO in (elecrticiteitsdraad/plastic zak) B Iso m camara en scheurhemd cont, TO nu niet verantwoord gezien risico’s op verstopping en overstroming. Aanvraag dwangbehandeling op acuut gevaar inzetten.”

In verband met het voornemen tot toepassing van een dwangbehandeling op grond van artikel 46d onder b van de Penitentiaire beginselenwet (Pwb) is verweerder op 2 juli 2017 om een second opinion gevraagd.

Verweerder heeft dezelfde dag onderzoek gedaan en heeft te kennen gegeven het voornemen tot een dwangbehandeling te onderschrijven. In de voortgangsrapportage heeft verweerder het volgende vermeld:

“1. De gesteldheid van gedetineerd kan als volgt worden omschreven: Patiënte is een 26-jarige vrouw, van origine afkomstig uit E, op leeftijd van 6 maanden geadopteerd. Is volgens ouders in de eerste 6 maanden ernstig verwaarloosd. Patiënte is gediagnosticeerd met schizofrenie van het paranoïde type. Zij is meerdere malen opgenomen geweest. Gezien weigering tot informatie opvragen is er weinig informatie over de psychiatrische voorgeschiedenis. 2. Dwangbehandeling is noodzakelijk vanwege het volgende gevaar (dat in relatie staat met de stoornis): Patiënte is brandstichting (meerdere malen gepleegd) ten laste gelegd. Ze is 2,5 week geleden opgenomen op het PPC vanwege moeilijk in te schatten gedrag en ernstige suïcidaliteit. Vanwege toenemend verward gedrag verblijft patiënte die periode constant in separeer of time-outcel. 3. Geef aan of medicatie (of ander minder bezwarende middelen) is aangeboden en hoe betrokkene hierop reageerde. Sinds binnenkomst is patiënte medicatie aangeboden. Zij heeft dat steeds met klem geweigerd. Wil absoluut geen medicatie. Zegt dat ze zelf mag bepalen wat ze neemt of niet. Patiënte heeft in het verleden wel antipsychotica gebruikt, toen functioneerde ze duidelijk beter. 4. De volgende pogingen zijn ondernomen om in overeenstemming te komen met het behandelingsplan. Met betrokkene is steeds door alle behandelaren gesproken en benadrukt dat het innemen van medicatie noodzakelijk is. Patiënte blijft het daarmee oneens. Volgt haar eigen spoor. 5. Geef aan waarom de maatregel proportioneel is. De situatie van patiënte verbetert niet in de afgelopen periode. Ze verblijft in de iso, blijft wisselend in het contact en vertoont bizar gedrag. Medicatie is noodzakelijk om de psychose te bestrijden en het huidige patroon te doorbreken. 6. Is voorafgaand aan de maatregel nagegaan of het gevaar op een andere, minder ingrijpende wijze kan worden afgewend (subsidiariteit)? Zo ja, licht toe. Zo nee, licht toe waarom niet: Er is uitgebreid geprobeerd met patiënte in contact en tot samenwerking te komen. Dat is niet gelukt. Er is uitgebreid met patiënte gesproken dat medicatie noodzakelijk is. Zij weigert dat. De situatie is nu uitzichtloos. 7. Waarom wordt verwacht dat de opgelegde maatregel doelmatig is om het gevaar af te wenden (doelmatigheidsbeginsel)? Patiëntes huidige gedrag komt voort uit haar psychotische belevingen. Deze psychose kan alleen bestreden worden met medicatie. Als de psychotische belevingen in ernst afnemen is de verwachting dat patiënte meer zicht gaat geven op haar binnenwereld, dat isoplaatsing niet meer noodzakelijk is en dat gedragsproblemen en suïcidaliteit afnemen. “

Dezelfde dag heeft de vestigingsdirecteur van de Penitentaire Inrichting te D besloten tot toepassing van een dwangbehandeling-b, waarvan mededeling aan klaagster is gedaan. Klaagster heeft vervolgens dwangmedicatie gekregen in de vorm een tablet Acemap (antipsychoticum).

3.    HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER

De klacht tegen verweerder bevat de volgende klachtonderdelen:

1.    Verweerder heeft ten onrechte de diagnose psychose gesteld;

2.    Verweerder heeft klaagster ten onrechte dwangmedicatie voorgeschreven;

3.    De door verweerder uitgevoerde second opinion is onvoldoende onderbouwd.

Klaagster legt aan haar klacht ten grondslag dat zij niet psychotisch was en dat zij dit ook aan verweerder kenbaar heeft gemaakt. Klaagster was bij haar volle verstand en bewustzijn. Daarnaast stelt klaagster dat verweerder bij zijn second opinion ten onrechte is uitgegaan van de diagnose schizofrenie van het paranoïde type. Deze diagnose is nooit door psychiater E gesteld. Hierdoor heeft verweerder bij de beoordeling van klaagster een verkeerd uitgangspunt genomen. Als verweerder niet van deze diagnose was uitgegaan, dan was het gedrag van klaagster anders beoordeeld. Ook heeft verweerder zich ten onrechte gebaseerd op informatie van G. Omdat deze informatie dateert van 2009, had deze informatie wettelijk gezien vernietigd moeten zijn.

4.    HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder stelt dat hij nooit de behandelend psychiater van klaagster is geweest, dat hij daarom de diagnose psychose niet bij haar heeft gesteld en dat hij haar ook geen dwangmedicatie heeft voorgeschreven. Verweerder heeft klaagster alleen gezien in het kader van een second opinion. Verweerder heeft zijn advies met betrekking tot de voorgenomen dwangbehandeling gebaseerd op zijn eigen onderzoek en de actuele situatie, waarbij hij ook informatie uit de voorgeschiedenis en informatie van de behandelend psychiater, behandelcoördinator en het afdelingspersoneel heeft laten meewegen.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1          

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

De eerste twee klachtonderdelen falen , nu verweerder enkel in het kader van een second opinion betrokken is geweest bij de behandeling van klaagster. Door verweerder is op grond van diens eigen onderzoek de diagnostische formulering “psychotisch toestandsbeeld” gebruikt. Voorts heeft hij klaagster geen dwangmedicatie voorgeschreven.

5.3

Ook het derde klachtonderdeel slaagt niet, nu verweerder niet kan worden verweten dat zijn onderzoek in het kader van de second opinion onzorgvuldig is geweest. Hiertoe is van belang dat verweerder zijn eigen onderzoek heeft uitgevoerd, waarbij hij klaagster uitgebreid heeft gesproken. Tijdens dit gesprek heeft verweerder vastgesteld dat sprake was van een psychotisch toestandsbeeld op basis van het feit dat hij klaagster associatief

en incoherent vond. Ook vond verweerder klaagster rigide in haar overtuiging dat haar kwaad werd berokkend door het afdelingspersoneel (paranoïde) en vond hij haar grillig en chaotisch in gedrag. Klaagster werd boos, schreeuwde tegen verweerder en ontkende dat vervolgens weer. Verweerder heeft daarnaast gebruik gemaakt van de informatie uit de voorgeschiedenis van klaagster. Dat deze informatie enkel bestond uit de door de ouders van klaagster verschafte gegevens, waarbij melding is gemaakt van een opname bij G en eerder gebruik van antipsychotica, kan verweerder niet worden verweten. Klaagster heeft immers geen toestemming willen geven voor het opvragen van haar medische gegevens, maar heeft wel toestemming gegeven om contact met haar ouders op te nemen. Het feit dat verweerder in zijn advies heeft vermeld dat klaagster is gediagnosticeerd met schizofrenie van het paranoïde type, betekent evenmin dat verweerder bij zijn onderzoek is uitgegaan van een verkeerde vooronderstelling. Deze vermelding heeft immers betrekking op de psychiatrische voorgeschiedenis van klaagster, waarbij door verweerder ook is aangegeven dat daarover weinig informatie beschikbaar is. Verweerder heeft voorts de informatie van de behandeld psychiater, de behandelcoördinator en het afdelingspersoneel bij zijn onderzoek betrokken. Uit deze informatie volgde dat klaagster al 2,5 week in de separeercel of time-outcel verbleef, dat zij toenemend verward gedrag vertoonde en dat zij, ondanks verschillende gesprekken, medicatie bleef weigeren. Ook bleek daaruit dat klaagster verdacht werd van driemaal brandstichting waarvan eenmaal met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, dat zij vaak erg boos was, dat het contact met het afdelingspersoneel erg moeizaam was, dat er sprake was van gedragingen die erop duidden dat klaagster zichzelf van het leven wilde beroven en dat zij dreigde anderen iets aan te doen. Op grond van de hiervoor genoemde bevindingen heeft verweerder kennelijk, gezien de vraagstelling, geconcludeerd en in redelijkheid kunnen concluderen dat ten aanzien van klaagster sprake was van een situatie met acuut en dreigend gevaar die voortvloeide uit een psychiatrisch toestandsbeeld (psychose) en dat er geen alternatieven meer waren die het gevaar op een andere manier konden afwenden. Gezien deze conclusie heeft verweerder het voornemen van de behandeld psychiater tot toepassing van een dwangbehandeling-b kunnen onderschrijven.

5.4

Gelet op het voorgaande is de klacht kennelijk ongegrond en dient als volgt te worden beslist.   

6.    DE BESLISSING

Het college wijst de klacht af.

Aldus gedaan in raadkamer door A.L. Smit, voorzitter, en A.A. van den Ende en

M.H. Braakman, in tegenwoordigheid van E.N.M. van de Beld, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.