ECLI:NL:TGZRZWO:2018:148 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 111/2018
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2018:148 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-07-2018 |
| Datum publicatie: | 26-07-2018 |
| Zaaknummer(s): | 111/2018 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts. Het college is van oordeel dat verweerster zorgvuldig heeft gehandeld door bij zichzelf na te gaan of zij zichzelf bekwaam en bevoegd achtte om het middel PrEp voor te schrijven. Naar het oordeel van het college is het alleszins te billijken dat verweerster de beslissing heeft genomen om niet zelf deze medicatie voor te schrijven. Zij heeft klager verwezen naar andere zorgverleners deskundig op dit gebied. Klacht kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 26 juli 2018 naar aanleiding van de op 10 april 2018 bij het Regionaal
Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
k l a g e r
-tegen-
C , huisarts, (destijds) werkzaam te B,
bijgestaan door mr. L. Neuschäfer-Greebe, verbonden aan DAS Rechtsbijstand,
v e r w e e r s t e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift met de bijlage;
- het verweerschrift met de bijlagen.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid mondeling gehoord te worden in het vooronderzoek.
Klager heeft eveneens een klacht ingediend tegen een andere huisarts, zaaknummer 112/2018. Op die klacht is bij afzonderlijke beslissing van dezelfde datum uitspraak gedaan.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klager, geboren in 1969, is sinds 8 januari 2016 ingeschreven bij de huisartsenpraktijk waar verweerster sinds november 2017 als waarneemster werkzaam is.
Klager heeft via een e-consult op 30 maart 2018 een verzoek gedaan voor het uitschrijven van een recept voor het middel Pre-expositie profylaxe (hierna: PrEP).
In het dossier is opgetekend:
“Ik wil graag preventief PrEP gaan gebruiken. Wilt u hiervoor een recept voor uitschrijven en de benod[…, tekst weggevallen RTC]
onderzoeken (urine en bloed) verzorgen?
Bij voorbaat dank!”
Verweerster heeft klager diezelfde dag bericht dat zij geen ervaring had met het voorschrijven van deze medicatie en klager verzocht contact op te nemen met de GGD. Verweerster gaf aan bereid te zijn klager te verwijzen naar een gespecialiseerde SOA-kliniek.
Op 1 april 2018 heeft klager via een e-consult laten weten dat hij zelf voldoende over PrEP wist, ook dat het niet vergoed werd, en geen verdere voorlichting nodig had. Concreet was het verzoek om het middel voor te schrijven. Daarbij meldde klager dat de nierfunctie en het bloed onderzocht dienden te worden voor gebruik van het middel. Klager gaf bij verweerster aan dat zij specifieke informatie kon opvragen bij de GGD. Indien dit een probleem was voor verweerster wilde klager dat wel doen. Klager gaf tevens aan dat, nadat begonnen was met PrEP, de nierfunctie elke drie maanden gecontroleerd diende te worden. Ter informatie meldde klager dat zijn partner het middel ook wilde gaan gebruiken en een consult daarover had afgesproken in de huisartsenpraktijk.
Klager meldde dat het beleid van de GGD D was dat zij doorverwijzen om de (huis)artsen te informeren over PrEP.
Klager stuurde een websitelink naar verweerster met informatie voor professionals.
Verweerster heeft opgetekend in het dossier dat zij zou bespreken met collega’s of zij ervaring hadden met PrEP en dan zou besluiten of zij het zou voorschrijven aan klager.
Op 9 april 2018 heeft een huisarts in opleiding bij de praktijk contact opgenomen met de GGD. De GGD gaf aan dat op dat moment 17 patiënten PrEP voorgeschreven kregen in trialverband. Klager kon zich aansluiten bij de in juni 2018 nieuw te starten trial of kon worden doorverwezen naar de infectiepolikliniek van een ziekenhuis.
Verweerster heeft in de praktijk overleg gevoerd en besloten om klager de PrEP niet voor te schrijven. Dit heeft verweerster op 9 april 2018 aan klager meegedeeld.
Verweerster heeft klager aangeboden SOA-testen af te nemen, noodzakelijke laboratoriumonderzoeken aan te vragen voor starten met PrEP en klager te verwijzen naar de GGD om alsnog aan een trial mee te kunnen doen. Tevens heeft verweerster klager aangeboden te verwijzen naar een gespecialiseerde kliniek.
Op 10 april 2018 heeft verweerster klager verwezen naar de polikliniek infectieziekten van het E te D. Klager kreeg van verweerster advies om beschermde seks te hebben om besmetting te minimaliseren.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt verweerster -zakelijk weergegeven- dat zij hem het middel PrEP niet wil voorschrijven, waardoor klager het risico loopt een ernstig virus op te lopen. Klager ervaart hierdoor psychische druk die door verweerster in stand wordt gehouden.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER
Verweerster voert -zakelijk weergegeven- aan dat zij met haar handelen binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Op 8 september 2016 is de richtlijn “HIV Pre-expositie profylaxe (PrEP) richtlijn Nederland” vastgesteld op initiatief van de Nederlandse vereniging van Hiv Behandelaren. In de richtlijn is onder meer opgetekend:
“Op het moment van schrijven van deze richtlijn, wordt PrEP (nog) niet op grote schaal voorgeschreven in Nederland. Wel krijgen artsen en andere gezondheidszorg professionals vragen over PrEP, zoals over hoe PrEP kan worden verkregen en verzoeken om PrEP voor te schrijven.
Deze professionele richtlijn beoogt handvaten te geven aan professionals met betrekking tot indicaties voor PrEP, testen en controleren van PreEP-gebruikers, (…)”
en:
“Het bepalen van de indicatie voor en het voorschrijven van PrEP volgens een richtlijn/protocol kunnen plaatsvinden binnen de context van een soa-polikliniek en door een ter zake deskundig huisarts die kennis heeft genomen van de vigerende richtlijn op dit gebied. PrEP zou tevens kunnen worden voorgeschreven door een nurse practitioner onder supervisie van een ter zake deskundig arts.
Het heeft in deze fase waarin de ontwikkelingen rond PrEP elkaar snel opvolgen en er, in Nederland, nog ervaring moet worden opgedaan, wel de voorkeur om de PrEP-implementatie initieel te centreren in enkele klinieken/praktijken in regio’s met een grote MSM-gemeenschap.”
Verweerster werd op 30 maart 2018 geconfronteerd met het verzoek van klager tot voorschrijven van PrEP. Verweerster heeft klager verzocht nader advies in te winnen bij de GGD, waarvan klager aangaf dat hij al genoeg wist. Verweerster heeft vervolgens met collega’s overleg gehad over hun eventuele ervaringen en bij de GGD informatie ingewonnen. Na overleg in de praktijk heeft verweerster klager haar beslissing meegedeeld de PrEP niet zelf voor te schrijven.
Zoals ook uit de richtlijn blijkt dient een arts deskundig te zijn alvorens PrEP, met alle bijkomende onderzoeken, voor te schrijven. Verweerster heeft zorgvuldig gehandeld door bij zichzelf na te gaan of zij zichzelf bevoegd en bekwaam achtte. Het college kan verweersters beslissing om niet zelf de medicatie voor te schrijven alleszins billijken. Verweerster heeft daarmee klager niet de medicatie geweigerd, maar aangegeven deze medicatie, bij gebrek aan deskundigheid, niet zelf te kunnen voorschrijven. Verweerster heeft klager verschillende mogelijkheden geboden om in contact te komen met deskundige zorgverleners op dit gebied, zoals de GGD en de polikliniek infectieziekten. Verweerster is met haar handelen binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening gebleven.
Dat klager door verweersters handelen een groot risico liep kan evenmin leiden tot een tuchtrechtelijk verwijt. Nog daargelaten dat eventuele gevolgen, waarvan overigens ook niet is gebleken, van het aan verweerster verweten handelen niet in de tuchtrechtelijke toets worden meegenomen, heeft verweerster klager daags na haar beslissing om de medicatie niet zelf voor te schrijven verwezen naar de polikliniek infectieziekten en klager gewezen op mogelijkheden om het risico op besmetting te minimaliseren.
5.3
Gelet op het voorgaande is de klacht kennelijk ongegrond en dient als volgt te worden beslist.
6. DE BESLISSING
Het college wijst de klacht af.
Aldus gegeven in raadkamer door A.L. Smit, voorzitter, J.M. Komen en
M.D. Klein Leugemors, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van
J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.