ECLI:NL:TGZRZWO:2018:142 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 106/2018
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2018:142 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-07-2018 |
| Datum publicatie: | 19-07-2018 |
| Zaaknummer(s): | 106/2018 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen kinderarts ongegrond. Klagers verwijten verweerster dat zij ten onrechte een melding heeft gedaan bij Veilig Thuis en dat zij gebrekkig met klagers heeft gecommuniceerd. Ondanks het feit dat de communicatie met de klagers beter had gekund heeft verweerster in redelijkheid tot het doen van de melding kunnen komen. Klacht afgewezen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 19 juli 2018 naar aanleiding van de op 3 april 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A en B , wonende te C,
bijgestaan door mr. J.H. van den Berg, advocaat te Kampen,
k l a g e r s
-tegen-
D, kinderarts, werkzaam te C,
bijgestaan door mr. A.C.I.J. Hiddinga, advocaat te Amsterdam,
v e r w e e r s t e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- een aanvulling op het klaagschrift van 10 april 2018, met bijlage;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- een brief van mr. A.C.I.J. Hiddinga van 4 juni 2018 , met bijlage;
- het proces-verbaal van het op 5 juni 2018 gehouden gehoor in het kader van het
vooronderzoek;
- een mail van A van 6 juni 2018;
- een brief van mr. A.C.I.J. Hiddinga van 8 juni 2018, met bijlagen;
- een brief van mr. J.H. van den Berg van 18 juni 2018.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 19 juni 2018, alwaar zijn verschenen klagers bijgestaan door mr. Van den Berg en verweerder bijgestaan door mr. Hiddinga
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Op 23 februari 2018 had de dochter van klagers (E, geboren op in 2014, verder de dochter te noemen) rond 16.30 uur van het nachtkastje van klager 75 mg nortrilen gepakt en ingenomen. Waarschijnlijk had zij ook nog een tweede tablet ingenomen van 25 mg. Klaagster was op dat moment met haar twee andere kinderen boodschappen aan het doen. Klager was thuis, maar heeft niet gezien dat de dochter de tablet(ten) innam. Hij lag op bed terwijl de dochter bij hem op bed zat en heeft haar wel horen rommelen met een zakje, naar hij aannam, M & M’s. Na overleg met de huisartsenpost kon klaagster direct terecht bij de kinderafdeling van het F. Verweerster was die avond en nacht de dienstdoende kinderarts. De dochter leek wat suf en kwam slecht uit haar woorden. De situatie verslechterde. Nadat de dochter had overgegeven, verslapte zij en reageerde zij niet meer op aanspreken. Het beeld ontwikkelde zich als passend bij een ernstige intoxicatie. Vanwege persisteren van het beeld werd, na overleg met de kinderintensivist van het G, besloten tot intubatie en overplaatsing naar de IC.
In het gesprek met de kinderintensivist over de te verlenen zorg en de aanstaande overplaatsing kwam een mogelijke melding bij Veilig Thuis ter sprake. Verweerster was het met de kinderintensivist eens dat een melding nodig was. Hierna heeft verweerster op de IC met klaagster besproken dat zij melding zou doen bij Veilig Thuis. In de brief aan de intensivist van het UMCG noteerde verweerster:
“…Moeder werd gedurende de avond en begin van de nacht op de hoogte gehouden van het beloop en de noodzakelijke behandeling. Aan moeder werd uitgelegd dat gezien de intoxicatie er conform de landelijke meldcode een melding zal worden gedaan bij Veilig Thuis. Moeder is hier ontdaan over, heeft een negatief beeld van het functioneren van de voorgangers van Veilig Thuis. Vader is enkele minuten bij [naam patiëntje] geweest, de situatie was voor hem te aangrijpend waarna hij weer naar huis is gegaan….”
Op 24 februari 2018 om 3.45 uur werd de dochter overgeplaatst naar het G dat in tegenstelling tot het F over een kinder-intensive care beschikt. Het was voor klagers niet mogelijk mee te rijden in de ambulance. Verweerster heeft klagers rond het vertrek van de dochter niet meer gesproken.
Op 24 februari 2018 nam H, kinderarts, de dienst van verweerster over. Bij de overdracht deelde deze collega de mening van verweerster dat de melding bij Veilig Thuis noodzakelijk was. Hierna heeft zij de melding bij Veilig Thuis gedaan.
Op 5 maart 2018 hebben klagers een schriftelijke klacht over deze melding ingediend bij de klachtenfunctionaris van het F. In dat kader heeft op 26 maart 2018 een gesprek plaatsgevonden met klagers en de klachtenfunctionaris. Op 12 april 2018 vond een gesprek plaats met klagers, de klachtenfunctionaris en verweerster.
Na een paar gesprekken met een medewerker van Veilig Thuis I is de melding op
23 maart 2018 zonder zorg beëindigd. Bij brief van 9 april 2014 zijn klagers geïnformeerd over de conclusies van Veilig Thuis bij afsluiting van het dossier.
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klagers verwijten verweerster -zakelijk weergegeven- dat zij:
a. niet conform de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling heeft gehandeld (mede gelet op het afwegingskader);
b. een onterechte beschuldiging heeft gedaan van huiselijk geweld en/of kindermishandeling;
c. een onterechte/onjuiste melding heeft gedaan bij Veilig Thuis I;
d. onterecht, zonder toestemming of medeweten van één van beide ouders, informatie heeft opgevraagd en/of doorgegeven in het kader van een vermoeden van huiselijk geweld en/of kindermishandeling;
e. heeft nagelaten de inhoud van de zorgen met de ouders te bespreken;
f. de verzamelde informatie niet zorgvuldig heeft afgewogen en daarmee de feiten niet te onderscheiden zijn van (eigen) meningen;
g. onvolledige/onjuiste verslaglegging/dossiervoering heeft gevoerd.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER
Verweerster voert -zakelijk weergegeven- het volgende aan.
Ad a: Verweerster heeft overeenkomstig het stappenplan en het afwegingskader van de meldcode gehandeld.
Stap 1: de signalen in kaart gebracht, patiënte heeft in de thuissituatie medicamenten in kunnen nemen met levensbedreigende gevolgen;
Stap 2: intercollegiaal overleg met de kinderintensivist van het G, de collega kinderarts die de dienst overnam en Veilig Thuis;
Stap 3: klaagster werd door verweerster geïnformeerd over de melding;
Stap 4: de ernst van de situatie was doorslaggevend;
Stap 5: door het eenmalige contact in een spoedeisende situatie was het niet mogelijk om zelf hulp te organiseren.
Ad b: Verweerster heeft expliciet gemeld aan klaagster dat het geen beschuldiging betrof van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, zoals dat in het spraakgebruik wordt bedoeld.
Ad c: Verweerster heeft gemeld volgens het stappenplan (zie onderdeel a) en heeft zich bij het doen van de melding juist beperkt tot de feitelijke informatie en daarmee correct gehandeld.
Ad d: Verweerster heeft klaagster geïnformeerd over de melding bij Veilig Thuis. Zij heeft geen informatie opgevraagd.
Ad e: Zoals in het voorgaande is beschreven, is er wel degelijk contact met de ouders geweest over de inhoud van de melding.
Ad f: Verweerster heeft, zoals in het voorgaande beschreven, voordat ze de melding deed een zorgvuldige afweging gemaakt. Zij heeft zich beperkt tot de feitelijke situatie, namelijk dat patiënte de medicijnen in de thuissituatie kennelijk had kunnen pakken, met zeer ernstige gevolgen.
Ad g: De verslaglegging is compleet en correct.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Het college ziet aanleiding de klachtonderdelen gezamenlijk en in onderlinge samenhang te beoordelen. Kern van de klacht is dat verweerster ten onrechte melding heeft gedaan bij Veilig Thuis en gebrekkig met klagers heeft gecommuniceerd.
5.3
Uit het dossier en uit hetgeen ter zitting is besproken, is het college gebleken dat er op 23 februari 2018 een ernstige, levensbedreigende situatie was ontstaan doordat de dochter van klagers in de gelegenheid was geweest om medicatie te pakken die in de slaapkamer van klagers aanwezig was en deze ongezien in te nemen. Daardoor had zij een ernstige intoxicatie opgelopen, waarvoor zij in het ziekenhuis moest worden opgenomen en moest worden beademd en overgeplaatst naar de IC. Het college kan volgen dat de uitleg die verweerster kreeg over de omstandigheden waaronder dit had kunnen gebeuren, vragen over de veiligheidssituatie bij haar opriep. Naar het oordeel van het college had verweerster daarmee de signalen van een mogelijk onveilige situatie, met ernstige gezondheidsrisico’s voor de dochter en/of de andere kinderen van klagers, voldoende in kaart gebracht om een melding bij Veilig Thuis te overwegen.
5.4
Verweerster heeft toegelicht dat zij overleg heeft gepleegd met de kinderintensivist van het G die de zorg voor de dochter na de overplaatsing zou overnemen en met de collega kinderarts die haar dienst de volgende ochtend overnam. Beiden deelden de mening dat een melding bij Veilig Thuis in deze situatie noodzakelijk was. Verder heeft verweerster verklaard dat zij, toen zij contact zocht met Veilig Thuis, de casus eerst anoniem heeft besproken en pas nadat haar werd bevestigd dat een melding in deze situatie nodig was de melding heeft gedaan. Het college ziet geen reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Het college tekent hierbij wel aan dat het beter was geweest als verweerster de inhoud van het overleg met collega’s in het dossier had genoteerd (zoals artikel 3 van de KNMG-Meldcode voorschrijft), zodat dit duidelijk zou vastliggen en verifieerbaar zou zijn. Hoewel het handelen van verweerster op dit punt beter had gekund, zoals zij ter zitting ook heeft erkend, kan naar het oordeel van het college niet worden gezegd dat verweerster wat dit betreft de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening heeft overschreden. Voor het overige is de dossiervoering voldoende zorgvuldig geweest.
5.5
In het dossier is genoteerd dat verweerster aan klaagster heeft uitgelegd dat er gezien de intoxicatie conform de landelijke meldcode een melding zou worden gedaan bij Veilig Thuis en dat klaagster daarop ontdaan reageerde. Uit de notitie valt af te leiden dat verweerster klaagster vooral heeft meegedeeld dat de melding zou worden gedaan en uitleg over de reden daarvan heeft gegeven, en niet zozeer het gesprek is aangegaan over de aanwijzingen en signalen van een onveilige situatie en de mogelijkheden om tot een oplossing te komen (vgl. artikel 4 stap 3 van de KNMG-Meldcode). Verweerster had klaagster meer kunnen uitvragen en klager hier ook bij kunnen betrekken. Vanaf het moment dat de dochter stabiel was, was het goed geweest om een gesprek met klagers aan te gaan zodat meer informatie was verkregen. Het college ziet hierin evenwel onvoldoende grond om te oordelen dat verweerster onzorgvuldig heeft gehandeld.
5.6
Het college kan ten slotte volgen dat verweerster op basis van de informatie en adviezen waarover zij uiteindelijk beschikte heeft geconcludeerd dat het vermoeden van een onveilige situatie (als in de Meldcode bedoeld) niet was weggenomen en dat een reële kans op schade aanwezig was die bij het voortduren van deze situatie niet direct op andere wijze kon worden afgewend. Naar het oordeel van het college heeft verweerster onder deze omstandigheden tot de melding bij Veilig Thuis kunnen besluiten; hoezeer het college ook begrijpt dat een dergelijke melding - ook al houdt zij als zodanig geen beschuldiging in - ingrijpend is voor de ouders en vervelende gevolgen voor hen kan hebben.
5.7
Het college komt tot de conclusie dat, ondanks het feit dat de communicatie met klagers beter had gekund, verweerster tot het doen van de melding heeft kunnen komen. De klacht is daarom ongegrond.
6. DE BESLISSING
Het college wijst de klacht af.
Aldus gedaan door H.L. Wattel, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist, C.I.M. Aalders, F. Brus en J.M. Komen, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van M. Duijnstee-Mikmak, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2018 door A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van H. van der Poel-Berkovits, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.